Rick Moody, The Black Veil

Schuldig, want ongelukkig

In ‹The Black Veil› onderzoekt Rick Moody aard en wezen van het moderne onbehagen. Wij voelen ons schuldig als, of omdat, we niet gelukkig zijn.

In Het subject en zijn onbehagen schrijft filosoof en psychoanalyticus Slavoj Zizek dat het gebrek aan «externe verboden» (gedicteerd door God, Gezin of Gemeenschap) in deze tijd heeft geresulteerd in een lange lijst van wat hij «normen-idealen» noemt: «in alle domeinen van het alledaagse leven, van eetgewoonten tot seksueel gedrag en loopbaansucces zijn er minder en minder verboden, en meer en meer normen-idealen waaraan moet worden voldaan… In onze huidige kapitalistische wereld is het subject niet schuldig als hij een verbod overtreedt; het is veel waarschijnlijker dat hij zich schuldig voelt wanneer (of liever, omdat) hij niet gelukkig is.» Rick Moody, auteur van onder meer de veelgeprezen verhalenbundel Demonology (2000) en de roman Purple America (1997), presenteert zichzelf in zijn nieuwste boek, The Black Veil: A Memoir with Digressions, als archetypisch kind van de moderne tijd: opgegroeid in luxe, in de relatieve rust van de Amerikaanse suburbs, heeft hij eigenlijk niks te klagen. Hij is talentvol, kan alles doen wat hij wil, heeft alles mee: «I had great promise, and so what was the problem? Why no gratitude?» Ja, wat is zijn probleem eigenlijk?

De veertigjarige Moody vertelt in zijn me moir openhartig over zijn depressies, alcoholverslaving, wanen en angsten. Toch is het geen doorsnee autobiografische biecht, eerder het tegenovergestelde daarvan: hoe meer woorden Moody gebruikt, hoe minder we te weten komen over de schrijver — of: hoe minder Moody te weten komt van zichzelf. Dat is de frustratie van de schrijver die zich nooit ge heel kan identificeren met het «ik» dat hij op papier zet, ook niet als dat «ik» Rick Moody heet. «Hoe meer we onthullen, hoe meer we worden gehuld in sluiers, lagen die weigeren zich te laten kennen», schrijft hij, «any memoir is a fiction, een gecomponeerde vertelling.»

The Black Veil is dan ook een worsteling met woorden, een verdwaaltocht in de taal — voor een virtuoos woordjongleur als Moody, die zichzelf probeert te beschrijven en begrijpen, is het een gevecht met zijn eigen spiegelbeeld. Hoe meer hij inzoomt, hoe vervormder het beeld. Dus probeert hij afstand te nemen, en dwaalt af. Trekt steeds grotere cirkels om dat ik, dat maar niet precies op hem wil lijken.

De titel verwijst naar een kort verhaal van de negentiende-eeuwse schrijver Nathaniel Hawthorne: The Minister’s Black Veil, dat in z’n geheel als appendix is opgenomen in Moody’s roman en waarvan citaten door het hele boek gevlochten zijn. Hawthorne heeft zijn verhaal — over een predikant die op een dag besluit zijn gezicht voor altijd te verbergen achter een zwarte sluier — geënt op ene Joseph Moody, bijgenaamd Handkerchief Moody, een achttiende-eeuwse predikant die werkelijk bestaan heeft. Het verhaal gaat dat Handkerchief Moody in zijn jeugd per ongeluk zijn vriendje heeft doodgeschoten en dat hij daarvoor op latere leeftijd, gekweld door schuldgevoelens, boete doet door een zwarte zakdoek voor zijn gezicht te binden. Deze excentriekeling figureert als mythische voorvader in de familieverhalen die Rick Moody als kind van zijn vader en grootvader overgeleverd krijgt.

Hiram Frederick Moody de Derde, zoals hij eigenlijk heet, naar zijn vader en grootvader, herkent zich in het beeld van de getroebleerde predikant. Maar voor de schaamte- en schuldgevoelens die de schrijver doen walgen van zichzelf — «vol afschuw van mezelf, bang, cynisch, vol minachting, letterlijk onpasselijk van mijn eigen schaduw, van alles dat met mij te maken had, van mijn grenzen en alles wat binnen die grenzen besloten ligt» — is geen concrete aanleiding: «er was niets met mij aan de hand dat ik kon aanwijzen.»

Deze abstracte schuld, die, als Moody rond de 25 is, escaleert tot paranoïde gedachten en hem doet besluiten zich te laten opnemen in een psychiatrische inrichting, is het werkelijke onderwerp van The Black Veil. Niet zozeer Rick Moody zelf. De passages over zijn tijd in de inrichting, zijn sessies met de psychiater, zijn destructieve relatie met zijn vriendin zijn illustratief, maar paradoxaal genoeg te particulier om tot de kern van zijn probleem te leiden. Daar heeft hij Handkerchief Moody voor nodig. Bewijzen dat deze mythische figuur daadwerkelijk familie is, wordt een obsessie.

In The Black Veil wordt zeer gedetailleerd de genealogie van de Moody’s gereconstrueerd: Rick gaat met zijn vader terug naar zijn «vaderland» zoals hij het noemt, de staat Maine, en probeert zich in te lezen en in te leven in de streng gelovige protestantse gemeenschap waarin de eerste kolonialisten van de Nieuwe Wereld leefden. Doordrongen van de zondeval leefden deze Founding Fathers met een ingeboren schuldcomplex: de mens is schuldig in het aangezicht van God. Rick Moody probeert door een parallel te trekken tussen zichzelf en de zwartgesluierde predikant, het hedendaagse Amerika, «de beschaving van het overdekte winkelcentrum en de online plastisch chirurg» te wortelen in de geschiedenis. Hoe heeft het zo ver kunnen ko men, is de vraag die in The Black Veil impliciet gesteld wordt, wat is de bron van wat Moody «the American itch» noemt: «de incompleetheid, de onvolkomenheid, het verzuim, het gebrek», het grote onbehagen van deze tijd?

Op het dieptepunt van zijn depressie beziet Moody de stad New York als een angstaan jagend lustoord, «er was een onmiskenbaar en gewelddadig verlangen in iedereen», dat door niets en niemand bevredigd lijkt te kunnen worden, terwijl in het consumptieve Amerika — algemener: de hedendaagse westerse cultuur — de illusie bestaat dat élke behoefte be vredigd kan worden. Bevredigd moet worden. De mens is niet langer schuldig in het aangezicht van God, maar schuldig in zijn onmacht om de beste, de leukste, de mooiste en de gelukkigste mens te zijn; schuldig in het aangezicht van zijn eigen, illusoire, ideaalbeeld.

Met The Black Veil heeft Rick Moody een soort negatief van een memoire geschreven: hij haalt herinneringen op aan een tijd die hijzelf nooit heeft meegemaakt, verdiept zich in zijn voorgeschiedenis, identificeert zich steeds meer met Handkerchief Moody (hij gaat zelfs een zwarte sluier dragen) en projecteert zijn probleem hiermee op een ander, externaliseert het om het beter te begrijpen. De close reading van Hawthornes tekst, het stamboomonderzoek — het zijn manieren om zijn verhaal en zijn ziektebeeld in te kaderen. Maar dit alles brengt hem niet dichter bij absolutie. The Black Veil is een genealogie van de schuld, een analyse van de bronnen van het contemporaine onbehagen. Maar «genealogie is een droom, net als familie, met alle droomtaal die daarbij hoort», concludeert Moody, een concrete bron of oorsprong bestaat niet.

Dat maakt het onderzoek, deze memoir met zijn soms wat te gedetailleerde digressions, niet minder zinvol. Mythes, of het nu die van de familie of van de geschiedenis van het hedendaagse Amerika is, bevatten altijd een kern van waarheid. Geen absolute, maar een intersubjectieve waarheid: «het is gelukzaligheid wanneer jouw afstamming en mythologische oorsprong samenvallen met de mijne, en wij tot overeenstemming kunnen komen», schrijft Moody. The Black Veil licht een tip van de sluier op, daarachter zit slechts een spiegel waar de lezer zich wel of niet in durft te herkennen.

Rick Moody

The Black Veil: A Memoir with Digressions

Uitg. Little, Brown and Company,

320 blz., $ 24,95 (geb.)