Schuldige slachtoffers

Evelien Gans, Gojse nijd en joods narcisme. Uitgeverij Arena, 159 blz., f24,90.
EEN VOOROORDEEL zit in een klein hoekje. Zo ben ik jarenlang gefascineerd geweest door het woordje ‘vooral’ in het manifest van de februaristaking van 1941. Wanneer ik de tekst voor het eerst onder ogen kreeg weet ik niet meer. Het zal in de derde klas van de middelbare school zijn geweest. Daarentegen weet ik nog heel goed dat het pamflet mij instinctief tegenstond, ondanks zijn historische betekenis en de onmiskenbare moed van degenen die het destijds hebben vermenigvuldigd en verspreid. Om een of andere reden was het niet kosjer.

Later ontdekte ik dat klassenstrijd en rassenstrijd gemeenschappelijke historische wortels hebben. Lees de negentiende-eeuwse socialisten, van Proudhon tot Marx, er maar op na. In hun geschriften fungeert het stereotype van de inhalige, materialistische jood als embleem van het kapitalisme.
Deze kruisbestuiving van socialisme en antisemitisme is het best bewaarde geheim van links. Wie het aanroert, krijgt fiolen van haat over zich uitgestort. Toen Bernard-Henri Levy in 1981 met zijn L'ideologie francaise het taboe doorbrak door de rood-bruine verwantschap van de afgelopen honderd jaar in Frankrijk te documenteren en analyseren, kostte dat hem veel vrienden en zelfs op een haar na zijn leven.
Sindsdien weet ik wat er niet klopt aan het februarimanifest: het geeft de joden de schuld van hun eigen ongeluk. Het pamflet wijt de Duitse razzia’s in de Amsterdamse jodenhoek onder meer aan de Grune Polizei en de WA, maar ‘vooral’ aan Asscher, Cohen en Saarlouis van de Joodsche Raad, 'die kruiperig de schuld der Joden aanvaardden’. Volgens het manifest hebben zij de joodse arbeiders aan de Duitsers uitgeleverd: 'Deze groot-kapitalisten zijn bang voor het opleggen van een zoengeld en hun duiten zijn hun liever dan het Joodse werkende volk!’ Het beroemdste manifest van de Nederlandse arbeidersbeweging bevat dus een stereotype van de jood als immorele sjacheraar.
EN DAT WAS geen 'vergissing’ of onschuldige uiting van 'volks’ antisemitisme. Het zijn uitgerekend verzetsmensen geweest die het diepgewortelde antisemitisme in de toenmalige samenleving aan de orde hebben gesteld.
'Laten wij het nu maar eerlijk bekennen en het ronduit neerschrijven, want alleen de waarheid heeft nog een kans om ons vrij te maken: wij moesten de Joden niet’, schreef Anne de Vries kort na de oorlog in de verzetsbundel Den vijand wederstaan: 'Ondanks het feit dat wij dagelijks met hen omgingen en zaken met hen deden, waren wij bijna allen, wat wij met een onzuivere term plegen te noemen: anti-semiet. (…) Ons meedoen met de februari- staking was daarmee niet in tegenspraak. Zij was geen zich solidair verklaren met de Joden door alles heen en tot het laatste toe, geen uiting van een principieel gefundeerde verzetsgeest. Zij was een snauw van haat in het Duitsche gelaat, een schreeuw om recht van den beschaafden mensch, een even opgeheven vuist, die door den bezetter met geweld werd weggeslagen en niet opnieuw geheven werd. Ofschoon op zichzelf van grote waarde, was het nog niet de ware barmhartigheid, die hier sprak; de geest van liefde, die bereid is, om zich desnoods te offeren voor den verdrukten medemensch, want ook na dezen tijd bleef het moeilijk, om bij de stakers van Amsterdam een joodsch onderduiker te plaatsen. De meest voorkomende houding hier was als overal elders in het land: dat men met de Joden niet te maken wilde hebben.’
Het zou onzinnig zijn om de hele februaristaking om deze reden te diskwalificeren. Bovendien zijn de stakers wel de laatsten die we postuum voor hun antisemitisme ter verantwoording mogen roepen; als het daarom gaat komen tal van andere bevolkingsgroepen eerder in aanmerking. We kunnen ons beter afvragen waarom zulke stereotypen zelfs onder februaristakers leefden. Hoe moeten we de ultieme ironie verklaren dat een vooroordeel tegen joden het verzet tegen de jodenvervolging hielp mobiliseren?
'STEREOTYPEN vertellen altijd een eigen verhaal: ze louter afdoen als gevaarlijk en negatief is het kind met het badwater wegspoelen’, schrijft de historica Evelien Gans in Gojse nijd & joods narcisme, gewijd aan de gecompliceerde naoorlogse relatie tussen joden en niet- joden in Nederland. Ze brengt alle beschuldigingen die de afgelopen twintig eeuwen tegen joden zijn ingebracht nog eens in herinnering: 'De godsmoordenaar, de leugenaar, de lafaard, de verrader. De woekeraar, de sluwe handelaar, de samenzweerder - de wellusteling. De kapitalistische bankier, de rijke jood, de meedogenloze bolsjewist. De briljante “asfalt”-wetenschapper, de politieke lobbyist achter de schermen, de parasiet. De vreemdeling. Het ultieme en arrogante slachtoffer. De almachtige jood. De opsomming is niet compleet, maar ook zo kan men zich verbaasd afvragen hoe de mensheid de joden heeft overleefd in plaats van andersom.’
De oorsprong van de meeste stereotypen is natuurlijk bekend. Gans behandelt in vogelvlucht de diverse stadia in de westerse geschiedenis waarin de joden door hun deels opgelegde, deels zelfgekozen isolement een eenzijdige en meestal niet geliefde functie in de samenleving bekleedden. Vooral wanneer een kleine groep joden bevoorrecht was - als hofjoden (Jud Suss), als geldschieters (de Rothschildts) of als radicale intellectuelen (Marx, Trotski) -, hechtte het stereotype zich gemakkelijk aan het jodendom als geheel.
Het ware raadsel is echter niet de herkomst, maar de taaiheid van al die stereotypen. Hoe is het mogelijk dat het ene stereotype moeiteloos overgaat in het andere? Gans noemt dit toepasselijk het 'zwaan-kleef-aan-effect’, maar ze heeft er geen overtuigende verklaring voor.
ANDERS DAN JE zou verwachten zijn de stereotypen bovendien bestand gebleken tegen de morele schokgolf van de Tweede Wereldoorlog. De Leidse historica Dienke Hondius verrichtte de afgelopen jaren baanbrekend werk met een aantal artikelen en het boek Terugkeer: Antisemitisme in Nederland rond de bevrijding, waarin zij aantoonde dat het antisemitisme direct na de oorlog juist was verhevigd in plaats van verminderd. Het verschijnsel bleef destijds niet onopgemerkt. Er werden diverse verklaringen voor aangedragen, zoals het effect van de Duitse propaganda en het fysieke en geestelijke isolement van de joden onder de bezetting. Jacques Presser verklaarde de opleving uit de menselijke neiging om te haten wie je hebt gekwetst: 'Wie zal zeggen hoe zwaar het schuldgevoel, waar zoveel niet- Joden van getuigden, in dezen gewogen heeft?’
Volgens Gans kreeg ook de gojse nijd - de mengeling van schaamte en afgunst waarmee de niet-joden eeuwenlang tegen de gedwongen uitzonderingsposities van joden hadden aangekeken - nieuw voedsel door het collectieve slachtofferschap van de joden: 'Men zou kunnen stellen dat, cynisch genoeg, de oorlog en de shoah de voorwaarden geschapen hadden voor een polemiek over de positie van de Nederlandse joden (zowel die van voor als na 1945) op een manier en in een mate als voor de oorlog ondenkbaar zou zijn geweest. De joden waren als het ware “publiek eigendom” geworden.’
En dat zijn ze nog steeds, zoals Gans uit de doeken doet. Dezelfde stereotypen deden weer dienst in alle recente controversen over de verhouding tussen joden en niet- joden, zoals de polemiek tussen Theo van Gogh en Leon de Winter, de fotocollage in Propria Cures, het artikel in het Groninger studentenblad Nait Soez'n, en niet te vergeten de affaire in 1987 rond het toneelstuk Het vuil, de stad en de dood van Rainer Werner Fassbinder.
Met veel gevoel voor nuance beschrijft Gans de redeneringen en reacties aan joodse en niet-joodse kant als schier onvermijdelijke reflexen. Zo zijn de beschuldigingen van Van Gogh aan het adres van De Winter een typisch voorbeeld van gojse nijd. Volgens Van Gogh monopoliseert De Winter het joodse oorlogsleed: 'Ik kan niet bogen (als ik dat al zou willen) op weggevoerde Ooms en Tantes, Opa’s en Oma’s.’ Het stuk van Fassbinder werd daarentegen door joodse groeperingen ongezien als een stereotypering van de 'rijke jood’ beschouwd, terwijl het volgens Gans juist niet antisemitisch is. Veel Nederlandse joden voelen zich nog altijd miskend door de overheid en door de rest van de bevolking en kunnen zich niet bevrijden uit een tegenstrijdig zelfbeeld waarin leed en trots om de voorrang strijden.
Gans’ slotsom luidt dat de verhouding tussen joden en niet-joden kennelijk nog altijd verstrikt zit in een net van nijd en narcisme. Gans noemt dit het Feuchtwanger-effect, naar de Duits-joodse schrijver die in 1925 vanwege zijn historische roman Jud Suss door joden en niet-joden genadeloos werd gekritiseerd. De joodse critici vonden dat hij de protagonist te ongunstig, de niet-joden dat hij hem te voordelig had afgeschilderd.
Volgens Gans is aan deze spiraal niet te ontkomen zolang de grondig verstoorde verhouding tussen joden en niet-joden onuitgesproken blijft. Daarom pleit zij, in navolging van prof. J. C. H. Blom, voor een jaarlijks Nationaal Herdenkingsdebat over een zorgvuldig gekozen thema dat verband houdt met ons oorlogsverleden. Daaraan zouden politici, historici en liefst alle geledingen van de Nederlandse bevolking moeten deelnemen.
Het is een mooie gedachte, maar het woordje 'vooral’ blijft door mijn hoofd spoken. Als de oorlog niet in staat was om joden en niet-joden tot een betere verstandhouding te brengen, zou een debat over die oorlog dat dan wel kunnen?