POPMUZIEK

Schurftige ziel

dyzack

En daar was in 1999 ineens dyzack (net als k.d. lang zonder hoofdletter, deze artiestennaam van Erik Hofland) uit Den Haag. Hij was een singer-songwriter, althans naar de letter daarvan: hij zong, schreef zijn eigen liedjes en begeleidde zichzelf op zijn gitaar. Maar zijn geest, die leek een andere dan die van de meeste van zijn genre­genoten. Dat zat ’m in zijn soms wat onnavolgbare teksten, in zijn wat manische voordracht en in zijn volstrekt imponerende gitaarspel.

De Ierse Luka Bloom kon in zijn hoogtij­dagen een grote zaal, zelfs een festivalweide vullen met alleen zijn gitaar; zo vol, zo snel, zo dynamisch. Dyzack was de Nederlandse Luka Bloom – maar dan op speed. Zijn optreden op het Lowlands Festival in 1999 was verpletterend. Begeleid door een van de beste drummers van het land, Martijn Bosman, speelde dyzack dat jaar alsof zijn leven ervan afhing. Eerder dat jaar, op het Noorderslag Festival in Groningen, was hij chagrijnig vanwege geluidsproblemen, en dat chagrijn was iedere aanwezige in de Ooster­poort duidelijk zichtbaar geworden. Dyzack, zo was in zijn eerste publieke jaar meteen duidelijk, was even grillig als getalenteerd. Zijn debuut The Rat Dance Refizz staat nu, dertien jaar later, nog steeds overeind. Het album rammelt en rockt, kraakt en piept en neemt nooit de rechte route vooruit. De manische single Haunt bereikt het maximum aan opwinding dat een man en zijn gitaar kunnen bewerkstelligen. Het kolkt, dat nummer, het kookt bijna over.

Zijn belangrijke tweede album, ­Neurotic Jackpot, viel tegen. De verkoop ook, dus zijn contract bij een major platen­maatschappij liep af. Daarna werd het lang stil. In 2005 verscheen nog een derde album, geproduceerd door dyzack zelf en uitgebracht in eigen beheer, en vervolgens legde hij zich toe op het schrijven van muziek voor voorstellingen voor theatergroep Vis à Vis.

Het waren dromen die hem weer aan het schrijven brachten. Dromen over zijn vader, die in zijn jeugd zelfmoord pleegde en wiens leeftijd van over­lijden Hofland zelf begon te naderen. Hij schreef nummers over angst en verlies. Soms verwijst hij expliciet naar het verlies van zijn vader, vaker niet en doet hij waar hij nog beter in is: de sfeer schetsen zonder te benoemen. Het bezwerende Whatever It Moves doet denken aan een wat verstilde versie van Haunt. Dyzack is nog steeds de meester van de stilte: die halve tel voor zijn vingers de snaren raken blijft zijn handelsmerk. En wat een opzwepend ritme weer, in prijsnummer You Make My Day. Tegelijk hebben die theaterjaren iets toegevoegd aan zijn toch al filmische muziek (Ry Cooders soundtrack van Paris, Texas zal bij Hofland zeker in de kast staan). Er klinkt in zijn nieuwe album iets door van de muziek die hij in 2010 voor Vis à Vis maakte, vooral van het nummer This Seems Right dat hij toen schreef. Al is het album minder dynamisch dan zijn debuut, het heeft dezelfde dwingende intensiteit, maar nu op een heel beheerste, bijna koelbloedige manier, die de tijd neemt om onder de huid te kruipen. Het is daarom een album dat aanvankelijk veel aandacht behoeft, dit This Mangy Soul, maar die aandacht betaalt zich uit. Wanneer de bloedstollend mooie mondharmonica slotnummer The Race uitleidt, blijkt die schurftige ziel van dyzack tot leven gekomen.


dyzack, This Mangy Soul_, via www.dyzack.com. Op 21 april treedt dyzack tijdens Record Store Day op in muziekzaak Velvet aan de Rozengracht in Amsterdam_