Schurkerij & hypocrisie

ALAA AL ASWANY
CHICAGO
Uit het Arabisch naar het Engels vertaald door Farouk Abdel Wahab,
Harper Collins, 342 blz, € 27,40

De eerste alinea van Alaa Al Aswany’s tweede roman, Chicago, gaat als volgt: ‘Velen weten niet dat chicago geen Engels woord is, maar Algonquian, een van de vele talen die door indianen werd gesproken. In die taal betekent chicago “sterke geur”. De reden voor die betekenis was dat de plek die nu door de stad wordt ingenomen oorspronkelijk een groot veld was waar indianen uien kweekten, met hun sterke geur die de plek zijn naam gaf.’
Daarna volgt een paginalange geschiedenis van de stad – de grote brand van 1871, de wederopbouw, de georganiseerde misdaad, de industriële welvaart – totdat Al Aswany ineens schrijft: ‘Maar hoe kon Shaymaa Muhammadi dit allemaal weten, nadat ze haar hele leven had doorgebracht in de Egyptische stad Tanta?’
Even lijkt Al Aswany de lezer een vals signaal te willen geven – alsof hij na zijn succesvolle debuutroman Het Yacoubian (2002) zich heeft afgekeerd van zijn rol als chroniqueur van de Egyptische geestesgesteldheid en het nu in den vreemde zoekt. Niets is minder waar. Juist het isolement in het buitenland werkt als vergrootglas op de persoonlijkheden van zijn Egyptische émigrés. Het Yacoubian was een portret van een microkosmos, behuisd in een (echt bestaand) ambtelijk gebouw in een buitenwijk van Caïro. Meer dan eens werd het vergeleken met het werk van de Egyptische meester Naguib Mahfouz, een compliment dat slechts deels terecht was: Al Aswany schrijft meer profaan, zijn personages zijn meer getourmenteerd door hun politieke moraal en seksuele neuroses. Hij is geen imitator.
Het was een van de grootste bestsellers in de Arabische wereld, in ophef en verkoop slechts ingehaald door… Chicago (nu in het Engels vertaald). Net als in Het Yacoubian werkt Al Aswany in Chicago met een collage van personages, van (vooral) Egyptische studenten en medewerkers aan de universiteit van Chicago. Behalve de onzekere studente Shaymaa is er professor Ra’fat Thabit, die dusdanig geassimileerd is dat hij meer weet van honkbal dan al zijn autochtone collega’s bij elkaar. Hij geeft constant af op de Egyptische volksaard (‘I used to be Egyptian some time ago, but I’ve quit’, merkt hij op, alsof het om een sportschoollidmaatschap gaat), maar als zijn dochter verliefd wordt op een foute man reageert hij precies op de manier die hij de ‘backward Arabs’ toeschrijft; er is Safwat Shakir, een hoge pief in de inlichtingendienst die gefrustreerd raakt dat zijn favoriete martelmethodes verboden zijn in de VS; er is het schrijnende verhaal van dr. Salah, die op een nacht wakker wordt en beseft dat hij nooit Egypte had moeten verlaten. Steeds moedelozer probeert hij zijn oudere geliefde terug te vinden.
Twee personages springen het meest in het oog, en je kunt je voorstellen dat Al Aswany met het meeste plezier over hen schreef. Allereerst is er Ahmad Danana, hoofd van de Egyptische studentenvakbond. Hij is een schurk van dickensiaanse proporties, tenenkrommend hypocriet (heerlijk om te lezen), die de studenten als marionetten bespeelt en de geheime dienst over hen informeert. Als geleerde kijkt hij neer op de koopmansfamilie van zijn vrouw, maar hij smeekt wel om hun maandelijkse toelage.
Daarnaast is er de dissidente dichter Nagi, de held van het verhaal, de enige wiens belevenissen in de ik-persoon verteld worden; hij beleeft zijn geloof op een gematigde manier, drinkt wijn, wordt verliefd op een joodse vrouw, maakt vrienden en droomt van een beter, democratischer Egypte. Uiteindelijk gebruikt Al Aswany hem om te illustreren dat goede voornemens gevaarlijk zijn.
Het boek zit behendig in elkaar. Omdat een deel ervan als feuilleton werd geschreven eindigt elk hoofdstuk met een cliffhanger, wat toch altijd een slimme truc is om de lezer lezende te houden. Naast de genoemde is er nog een half dozijn andere personages, niet allemaal even interessant, maar Al Aswany gebruikt ze handig om een ander perspectief op een gebeurtenis te geven. Ondanks de sociale textuur en soms wrange realiteit is Chicago vooral een aangenaam boek. Dat is een wat vage aanduiding voor een roman, ‘aangenaam’, alsof het een kopje warme thee betreft van de zoethout- of herfststormvariant. Het heeft met de vertelstem te maken. Al Aswany vertelt steeds vanuit een licht spottende houding, waarmee hij het ene moment tot in de diepten van de ziel kijkt – soms tot vervelens aan toe – en het andere moment vaag is over elementaire dingen. Zo wordt een personage beschreven als: ‘Hij zal een jaar of 25 zijn.’
Chicago is een charmant boek dat eens te meer de statuur van Al Aswany bewijst in de Arabische wereld; niet elke romancier zou het aandurven om een nauwelijks gecamoufleerde parodie op de Egyptische president te schrijven, wiens komst naar de stad als aanjager werkt voor de individuele verhalen. Zijn met make-up geplamuurde gezicht en zijn zorgvuldig geverfde haren brengen een wolf in schaapskleren op het toneel en zorgen ervoor dat de Amerikaanse dromen van zijn onderdanen ruw uit elkaar spatten.