Schuttersstuk

Jaren fietste ik werkdagelijks langs het Americain en zag de portiers, wachtend naast de rode loper, hun livrei teken, zo niet stigma van dienstbaarheid. Individuen leken ze niet tot ik op de televisie een gezicht zag dat kennelijk onbewust vertrouwd was geworden. ‘Mediterraan type’ zou Opsporing verzocht zeggen - aanduiding die te vaak voor de bedreiging en te weinig voor de ruggegraat van de economie wordt gebruikt. Hij is een van de werknemers die figureren in Marc Lansu’s vierdelige documentaire Het hotel. Onderdeel van RVU’s Werken aan werk, met dit keer niet een beroep maar een hotelbedrijf centraal, van spoelkeuken tot general management. Met ‘figureren’ niet bedoeld dat ‘mijn’ portier figurant is. Van hem wordt een aandachtig portretje getekend dat samen met die van anderen in alle lagen van de hiërarchie een schuttersstuk van het personeel oplevert.

Tegelijk is het meer: de individuen staan voor verschillende groepen met eigen cultuur en taal (letterlijk door herkomst, figuurlijk door uiteenlopende sociale positie en bijhorend jargon). En het dooreensnijden van mensen en verhalen levert een eigen dramaturgie en dynamiek op. De spanning wordt niet veroorzaakt door ambitie aan de top die gefnuikt zou worden door onwil of onverschilligheid op de werkvloer. Opvallend is juist de enorme inzet en liefde voor het werk, die alle employees aan de dag leggen. De tragiek schuilt in de wijze waarop de ambities aan de top, geconcretiseerd in nieuwe technieken van bedrijfsvoering, de mensen op de werkvloer zo frustreren dat zowel inkomsten als arbeidsvreugde sterk verminderen. Terwijl het management brainstormt en leuzen over het bedrijf als mantra’s herhaalt Individuele ontplooiing van werknemers; elke taak, ook de nederigste, betekenisvol) worstelt men in het restaurant met een systeem van ver doorgevoerde arbeidsdeling dat ober André doet verzuchten ‘de lopende band is er niks bij’ en collega Rachel dat ze zich 'slaaf’ voelt.
Lansu’s ploeg had de 'mazzel’ dat ze getuige was van een ingrijpende omslag; de wijze waarop ze de gevolgen daarvan, zonder expliciet commentaar, zicht- en voelbaar maakt is klasse.
Mijn vader was bode ('contributieophaler’) van een ziekenfonds. Nederig beroep. Later werd hij chef van zijn collega’s van wie een aantal kapotging aan een nieuw systeem, door die 'dort oben’ bedacht. Die geschiedenis, die hem zijn gezondheid kostte, klem als hij zat tussen oekases van boven en vermorzelde ondergeschikten, zag ik hier, modern verpakt, terug.
Terwijl de human resources-manager samen met die van food-and-beverage en diergelijken newspeak en teambuilding traint onder leiding van het bedrijfsadviseursgilde, lekken diezelfde resources letterlijk en figuurlijk de hotelkelder in: de een na de ander neemt ontslag (louter mogelijk dankzij een tijdelijk sterke economie).
Mijn soort houdt niet van dienstbaarheid. Niet om te verlenen, niet om te ontvangen. Hotels boven de eenvoudigste geven een onbehaaglijk gevoel: aan den lijve ervaar je het verschil tussen upstairs en downstairs. Ongemak over vriendelijkheid die professioneel en gericht op fooi is. In Het hotel krijgen portiers, kamermeisjes, koks, obers en het zwoegend middenkader een gezicht. Hun inzet heeft het roerende van alle gedreven arbeid, ondanks vastgetimmerde glimlachjes. Die van de top is zeker zo groot, en hun keurslijf van winstmaximalisering, peptalk, 'honderdtwintig procent tevredenheid’ en bedrijfsfilosofie is nog sterker. Maar sympathie wekt die niet. Te minder doordat moderne hardheid verpakt wordt in methoden en jargon van de 'zachte sector’.