Kubrick, Strauss en Strauss jr.

Sciencefiction aan de blauwe Donau

‘Hoe goed filmcomponisten ook zijn, ze zijn geen Beethoven, Mozart of Brahms.’ Stanley Kubrick koos voor zijn legendarische proloog van 2001 voor bekende, al te bekende werken. Met reden, en met resultaat.

VOORUITGANG HEEFT haar grenzen. Zoals begin deze eeuw voetbalcommentatoren zich nog wel eens zorgen maakten dat de kwaliteit van het Europees voetbal zo was toegenomen dat topteams alleen nog maar tegen elkaar gelijk konden spelen, zo is de filmwereld zo nu en dan bezorgd dat computeranimatie misschien wel té goed aan het worden is. Ook bij serieuze filmrecensenten gelden Up, Toy Story 3 en Wall-E als de hoogst gewaardeerde films van het afgelopen decennium. En als alles op een computer kan worden ingevuld, zo luidt de probleemstelling, hebben we dan nog wel visagisten nodig, decorbouwers, acteurs?

Een van de beste scènes uit de filmgeschiedenis is de proloog van Stanley Kubricks sciencefictionklassieker 2001: A Space Odyssey, lekker pompeus getiteld ‘The Dawn of Man’. In een natuurlandschap zien we groepjes apen zich rond wat grotten en een plas verzamelen. Wanneer ineens een mysterieuze zwarte monoliet verschijnt, beginnen de apen hysterisch en agressief te krijsen en te springen. Kubrick laat zijn scène eindigen wanneer een van de apen een bot opraapt en ermee op een andere aap begint in te slaan, en de andere apen zijn voorbeeld volgen – zie hier meteen het cynische wereldbeeld: Kubrick ziet het begin van de mensheid als het moment dat de aapachtigen leren instrumenten te gebruiken, wapens, om elkaar aan te vallen – dat onderscheidt ons blijkbaar van de dieren.

Het is ook, volgens hedendaagse maatstaven, een totaal debiele scène. Niemand zou ’m vandaag nog zo maken. Vandaag zouden computers het werk doen. Kubricks apen zijn de lelijkste apen uit de filmgeschiedenis, de minst lijkende; nog geen kind zal geloven dat dit niet gewoon mannen in een carnavalspak zijn, en wat dat betreft: met carnaval zul je in de gemiddelde kroeg beter lijkende apenpakken tegenkomen. To add insult to injury hebben de apen hebben bovendien een kapsel dat nog het meest op een matje lijkt, ware het niet dat de film werd gemaakt een kwart eeuw voordat matjes de westerse samenleving in het algemeen, en de popmuziek in het bijzonder, zouden teisteren (ook daarin was Kubrick blijkbaar visionair).

A Space Odyssey is inmiddels niet meer weg te denken uit ons culturele besef. De film verscheen in april 1968 in de bioscoop, beleefde hervertoningen in 1974 en 1979, voordat hij, een jaar later, op vhs en betamax-video verscheen. In 1997 verscheen een nieuwe editie op vhs, met verbeterde geluidskwaliteit; in 2000 verscheen deze versie op dvd en in 2007 kwam de film uit op blu-ray-dvd. Het enige moment dat de film vandaag echt gedateerd overkomt is, inderdaad, in de scènes met de apen; gek genoeg is juist nu die scène misschien wel het pakkendst. Alsof Kubrick met terugwerkende kracht laat zien dat zoals schilders niet levensecht hoeven te schilderen om iets volledig herkenbaars uit te drukken hij niet levensecht hoeft te filmen.

Wat tilt de proloog dan op? Het kan niet anders dan de muziek zijn. In eerste instantie had Kubrick de gelauwerde filmcomponist Alex North gevraagd muziek te schrijven, maar tijdens het monteren koos hij toch voor de muziek van Johann Strauss jr. en Richard Strauss. Nieuwe muziek zou te narratief overkomen, het zou de kijker te veel houvast geven op het moment dat hij of zij zich optimistisch of pessimistisch zou moeten voelen bij bepaalde beelden. In een interview legde Kubrick uit dat ‘hoe goed filmcomponisten ook zijn, ze zijn geen Beethoven, Mozart of Brahms. Waarom zou je muziek gebruiken die minder goed is, terwijl er zo’n veelvoud is aan geweldige orkestrale muziek uit onze tijd en de tijd voor ons?’ (Het probleem – want Kubrick was Kubrick, even geniaal als egocentrisch – was dat hij had verzuimd Alex North te melden dat hij al zijn muziek had vervangen; North ontdekte het pas op de première, midden in de zaal.)

Wanneer klassieke muziek opduikt in populaire cultuur heeft die combinatie meestal ofwel het effect dat de filmmaker een snelle manier zoekt om gewicht te geven aan zijn beelden, ofwel dat het de muziek trivialiseert (wie kan nog naar de Wilhelm Tell Ouverture luisteren zonder aan de Lone Ranger te denken?, schreef de prominente filmcriticus Roger Ebert). In A Space Odyssey gebeurt geen van beide: juist doordat bekende muziek buiten de vaste context wordt geplaatst ontstaat een nieuwe dynamiek. Walsen de ruimteschepen en satellieten op An der schönen blauen Donau van Johann Strauss jr. onbekommerd door het heelal, of gaan ze achteloos hun ondergang tegemoet? Heeft Richard Strauss’ Also sprach Zarathustra ooit zo’n impact gehad als op het moment dat je het hoort terwijl je dieren oorlog ziet ontdekken?

Tijdens Out of the Box zal 2001: A Space Odyssey te zien zijn in de Gashouder op het Westersgasfabrieksterrein, waarbij de filmmuziek live wordt gespeeld door het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor. Wie te gewaagde interpretaties maakte over Kubricks films kreeg in het verleden nog wel eens van de grote meester het deksel op de neus – maar aangezien hij inmiddels is overleden, kun je het aandurven de vraag te stellen of de film niet juist voor zo’n uitvoering gemaakt is, of Kubrick met A Space Odyssey eigenlijk niet gewoon de langste videoclip ooit wilde maken.


2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick wordt op 21 juni om 20.00 uur vertoond in de Gashouder van de Westergasfabriek met live-muziek van Ligeti, Chatsjatoerian, Richard Strauss en Johann Strauss. Radio Filharmonisch Orkest, Groot Omroepkoor.

In EYE staat van 21 juni t/m 9 september Stanley Kubrick centraal in een omvangrijke tentoonstelling en een retrospectief van zijn films.

Een coproductie van Holland Festival en EYE