PROBLEMEN IN HET ONDERWIJS

Score: onvoldoende

Strijd om de 1040-urennorm, daling van het onderwijsniveau, gedoe rond de gratis boeken, leerproblemen bij jongens. De politiek moet beter haar lesje leren.

Omdat het nieuws uit het Nederlandse onderwijsland veelal versnipperd naar buiten komt, lijken de berichten op het oog niet veel met elkaar te maken te hebben. Maar in onderlinge samenhang bekeken, stemmen ze somber. Zo is er het blijvende verzet van scholieren tegen wat zij de ophokplicht noemen, maar wat in neutraler jargon de 1040-urennorm heet. De scholieren krijgen inmiddels steun van een aantal scholen. De directies van die scholen beweren onvoldoende geld te ontvangen om al die 1040 uren ook daadwerkelijk onderwijs te kunnen geven. Daar verstaan deze directies klassiek onderwijs onder, gegeven door bevoegde leerkrachten.

Volgens de protesterende scholen kan met het geld dat zij ontvangen de urennorm alleen worden gehaald door nieuwe onderwijsvormen in te zetten waarbij scholieren veel zelf moeten doen en slechts toezicht krijgen van onbevoegd, lees: goedkoper personeel. De scholen die inmiddels beboet zijn omdat ze de urennorm niet haalden, scoorden overigens relatief goed als het gaat om onderwijsresultaten.

Vervolgens was er het nieuws, al zullen velen dat als een bevestiging hebben gezien van iets dat ze al wisten, dat het onderwijsniveau in Nederland daalt: basiskennis en -vaardigheden op het gebied van taal en rekenen hollen achteruit, zowel op de basisschool en het vmbo als op het vwo. Een van de adviezen ter verbetering luidt: stimuleer voor bepaalde groepen extra onderwijstijd in deze vakken.

Daarnaast bleek dat de schoolboeken komend schooljaar nog niet ‘gratis’ door de scholen geleverd kunnen worden, omdat de verplichte Europese aanbestedingsprocedure te veel tijd kost. Blijkbaar had niemand met die aanbestedingsprocedure rekening gehouden toen de politiek de belofte deed dat schoolboeken gratis moeten worden.

Dan is er ook nog de discussie over de feminisering van het onderwijs en de vraag of dat gevolgen heeft voor jongens. Econometrist Suzanne Dannenburg-Bijl rekende in NRC Handelsblad voor dat Nederland jaarlijks duizenden mannelijke vwo-gediplomeerden misloopt. Volgens haar is dat het gevolg van de manier van werken in het voortgezet onderwijs: scholieren moeten vaak zelfstandig aan de slag of samenwerken in een groep en veel werkstukken maken. Meisjes kunnen dat op die leeftijd, maar jongens zijn daar dan niet aan toe volgens Dannenburg-Bijl, die dat weet uit ervaring; ze is eveneens lerares wiskunde.

In de strijd om de urennorm krijgt cda-staatssecretaris van Onderwijs Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart steun van de Tweede Kamer. Gelet op het nieuws van vorige week dat Nederlandse scholieren steeds minder goed zijn in taal en rekenen lijkt de staatssecretaris het gelijk aan haar zijde te hebben als ze zegt dat de randvoorwaarde voor goed onderwijs voldoende onderwijs is.

Het zou op het eerste gezicht inderdaad vreemd zijn de urennorm los te laten op het moment dat voor het eerst met cijfermateriaal bewezen is dat het Nederlandse onderwijsniveau daalt. Voldoende onderwijs, in uren, hoeft echter nog geen goed onderwijs te zijn, zo laat de analyse van econometrist Dannenburg-Bijl zien, in ieder geval minder geschikt voor jongens. Andersom blijkt uit de onderwijsresultaten van de beboete scholen dat het aanbieden van minder lesuren niet altijd hoeft te leiden tot slechte resultaten.

Als we de achterliggende problemen bij de ruzie om de ophokplicht, het nieuws over het dalend onderwijsniveau en de resultaten van jongens in het huidige onderwijs overzien, dringt zich één conclusie op: de loopgravenoorlog over de urennormen dreigt een tijdrovende bezigheid en prestigestrijd te worden die met winst voor de ene partij – vasthouden aan de norm – dan wel voor de andere partij – loslaten van de norm – het werkelijke probleem niet oplost. Want het werkelijke probleem is onderwijs dat niet goed genoeg is, dus onvoldoende, niet in uren, maar in kwaliteit.

Over wat goed onderwijs is, is de afgelopen decennia veel gepraat, met als uitkomst menige onderwijsvernieuwing. Uit de openbare verhoren van de parlementaire onderzoekscommissie Onderwijs, afgelopen najaar, doemde echter het beeld op dat de politiek, ondanks alle discussies, in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw onvoldoende doordacht een reeks onderwijsvernieuwingen doordrukte. De officieel vastgestelde teruggang van het onderwijsniveau lijkt dat nu te staven.

Ook uit de gang van zaken met de gratis boeken rijst het beeld op dat de invoering daarvan onvoldoende doordacht is in al haar consequenties. Als al door ambtenaren gewaarschuwd is voor de tijd- en geldrovende verplichte Europese aanbesteding, dan heeft de politiek daar in ieder geval niet naar willen luisteren. De vraag is dan slechts: wat is erger?

Over zo’n twee weken komt de parlementaire onderzoekscommissie Onderwijs met haar bevindingen. De commissie heeft laten weten ook lessen te willen trekken voor de toekomst. Die lessen zal ze in eerste instantie aan zichzelf, de politiek, moeten richten. Daarnaast, zo blijkt uit het nieuws van de afgelopen week, zal ze niet moeten schuwen de discussie te heropenen over wat goed onderwijs is. Dat kan voor staatssecretaris Van Bijsterveldt dan het handvat zijn om de loopgravenoorlog over de ophoknorm tot een goed einde te brengen. Wat gezien het nieuws van vorige week iets anders is dan een overwinning op scholieren en dwarsliggende scholen over alleen de urennorm.