Hoe Big Tech hoopt te profiteren van de pandemie

Screen New Deal

Midden in de coronacrisis proberen tech-monopolisten hun machtspositie verder uit te breiden, hun portemonnee verder te spekken en, geïnspireerd door China, de democratie verder uit te hollen.

Tijdens de dagelijkse coronavirus-briefing van Andrew Cuomo, de gouverneur van New York, week de sombere grimas die onze schermen wekenlang heeft gevuld heel even voor iets wat op een glimlach leek. ‘We zijn er klaar voor, we zijn all-in’, dweepte de gouverneur. ‘We zijn New Yorkers, dus we zijn agressief en we zijn ambitieus (…) We beseffen niet alleen dat er verandering op komst is, maar dat die verandering eigenlijk een vriend is als we er op de juiste manier mee omgaan.’

De inspiratie voor dit ongewoon goede humeur van Cuomo was een videobezoek van voormalig Google-ceo Eric Schmidt, die tijdens de briefing van de gouverneur bekendmaakte dat hij de leiding heeft gekregen over een commissie die de post-Covid-19-werkelijkheid van de staat New York moet gaan vormgeven, met de nadruk op het permanent integreren van technologie in elk aspect van ons bestaan.

‘De eerste prioriteiten van wat we op het oog hebben’, zei Schmidt, ‘zijn gericht op tele-geneeskunde, leren op afstand en breedband (…) We moeten zoeken naar oplossingen die nu mogelijk zijn en versneld kunnen worden, en technologie gebruiken om dingen beter te maken.’ Om geen twijfel te laten bestaan over het feit dat de doelen van de voormalige bestuursvoorzitter van Google louter weldadig waren, was op de achtergrond een ingelijst paar gouden engelenvleugels te zien.

Slechts een dag eerder had Cuomo een soortgelijk partnerschap met de Bill & Melinda Gates Foundation aangekondigd om een ‘slimmer onderwijssysteem’ te ontwikkelen. Cuomo noemde Gates een ‘visionair’ en zei dat de pandemie ‘tot een moment in de geschiedenis heeft geleid waarop we de ideeën van Gates kunnen integreren en bevorderen (…) Al die gebouwen, al die fysieke klaslokalen – waarom zijn die nodig, met alle technologie die je hebt?’ vroeg hij, klaarblijkelijk retorisch.

Het heeft even geduurd voordat het vorm begon te krijgen, maar er begint nu iets te ontstaan dat lijkt op een samenhangende Pandemic Shock Doctrine. Noem het de ‘Screen New Deal’. De afgelopen weken van fysieke isolatie waren in deze visie, die nu in grote haast wordt gepropageerd en veel méér hightech is dan alles wat we tijdens eerdere rampen hebben gezien, geen pijnlijke noodzaak om levens te redden, maar een levend laboratorium voor een permanente – en zeer winstgevende – no touch-toekomst.

Anuja Sonalker, ceo van Steer Tech, een in Maryland gevestigd bedrijf dat zelfparkeertechnologie verkoopt, vatte dit nieuwe verkooppraatje onlangs samen. ‘Mensen lopen duidelijk warm voor contactloze technologie’, zei ze. ‘Mensen zijn kwetsbaar voor biologische invloeden, machines niet.’

Het is een toekomst waarin niet alleen onze huizen nooit meer uitsluitend persoonlijke ruimtes zullen zijn, maar ook – via snelle digitale connectiviteit – onze scholen, de praktijkruimtes van onze artsen, onze sportscholen, en, als de staat dat wil, onze gevangenissen. Natuurlijk waren voor velen van ons diezelfde huizen ook al vóór de pandemie aan het veranderen in permanente werkplekken en de primaire plekken voor vermaak, en was onze van allerhande surveillancetechnieken voorziene opsluiting ‘in de gemeenschap’ al in opkomst. Maar in de nabije toekomst zullen deze trends onderhevig zijn aan een enorme versnelling.

Dit is een toekomst waarin, voor de geprivilegieerden, bijna alles thuis wordt afgeleverd – hetzij virtueel via streaming- en cloudtechnologie, hetzij fysiek via een voertuig zonder bestuurder of een drone, waarna het scherm op een of ander mediaplatform ‘gedeeld’ kan worden. Het is een toekomst waarin veel minder leraren, artsen en chauffeurs een baan zullen hebben. Die toekomst aanvaardt geen contant geld of creditcards meer (onder het mom van het onder de duim houden van virussen) en kent veel minder levende kunst.

Het is een toekomst waarvan wordt beweerd dat ze wordt gerund door kunstmatige intelligentie (artificial intelligence, AI), maar die feitelijk bij elkaar wordt gehouden door tientallen miljoenen anonieme werkers die in pakhuizen, datacenters, fabrieken voor content moderation, elektronische sweatshops, lithiummijnen, industriële boerderijen, vleesverwerkende bedrijven en gevangenissen zitten, onbeschermd tegen ziekten en hyperexploitatie. Het is een toekomst waarin elke beweging, elk woord en elke relatie van ons traceerbaar is en blootstaat aan datamining-praktijken door ongekende samenwerkingsverbanden tussen overheden en technologiereuzen.

Als dit alles u bekend in de oren klinkt, dan komt dat doordat deze precieze, door apps gestuurde toekomst van de gig-economie ook al vóór Covid-19 aan ons werd verkocht met een verwijzing naar het gemak, de frictieloosheid en de persoonlijke dimensie ervan. Velen van ons waren niettemin bezorgd. Over de veiligheid, kwaliteit en ongelijkheid van tele-geneeskunde en online klaslokalen. Over auto’s zonder chauffeur die voetgangers neermaaien, en over drones die pakketjes (en mensen) te pletter gooien. Over cash-free producten en diensten die onze verblijfplaatsen registreren en onze privacy wegvagen en rassen- en seksediscriminatie vereeuwigen. Over gewetenloze sociale- mediaplatforms die onze informatie-ecologie en de geestelijke gezondheid van onze kinderen vergiftigen. Over smart cities vol met sensoren die de lokale overheid verdringen. Over de goede banen die door deze technologieën zijn weggevaagd. En over de slechte banen die massaal door ze zijn voortgebracht.

En bovenal hadden we zorgen over de democratie bedreigende rijkdom en macht van een handvol technologiebedrijven die meesters zijn in het ontlopen van elke verantwoordelijkheid voor de ravage die ze hebben aangericht in de domeinen die ze domineren, of het nu gaat om de media, de detailhandel of het transport.

Zo stonden de zaken ervoor in februari dit jaar. Vandaag de dag worden veel van die gegronde zorgen weggevaagd door een vloedgolf van paniek en ondergaat de opgewarmde dystopie van een door technologie overheerste toekomst een haastige opknapbeurt. Tegen de aangrijpende achtergrond van massale sterfte wordt zij nu aan ons verkocht met de twijfelachtige belofte dat deze technologieën de enige mogelijke manier zijn om ons leven tegen pandemieën te beveiligen – als de onmisbare manier om onszelf en onze geliefden veilig te houden.

Dankzij Cuomo en zijn diverse bondgenootschappen met miljardairs (waaronder een met Michael Bloomberg voor het testen en opsporen van besmette mensen) wordt de staat New York voorgesteld als de glanzende showroom voor deze grimmige toekomst – maar de ambities reiken veel verder dan de grenzen van één staat of land.

En in het centrum van dit alles bevindt zich Eric Schmidt.

Lang vóórdat de Amerikanen de dreiging van Covid-19 doorzagen, was Schmidt al bezig met een agressieve lobby en public-relationscampagne ter promotie van zijn Black Mirror-visie op de samenleving die hij nu van Cuomo mag gaan uitbouwen. De kern van deze visie bestaat uit de naadloze integratie van de overheid met een handvol Silicon Valley-reuzen: openbare scholen, ziekenhuizen, artsenpraktijken, de politie en het leger, die allemaal (tegen hoge kosten) een groot deel van hun kernfuncties aan particuliere technologiebedrijven moeten uitbesteden.

Tech-bedrijven zijn ineens machtige kampioenen van onze ‘alledaagse helden’, van wie velen hun baan zullen verliezen als deze bedrijven hun zin krijgen

Het is een visie die Schmidt al langere tijd propageert in zijn rol van voorzitter van de Defense Innovation Board, die het ministerie van Defensie adviseert over uitbreiding van het gebruik van kunstmatige intelligentie door het leger, en als voorzitter van de machtige National Security Commission on Artificial Intelligence, of nscai, die het Congres adviseert over ‘vooruitgang op het gebied van kunstmatige intelligentie, aanverwante ontwikkelingen op het gebied van machine learning, en de bijbehorende technologie’, met het doel om ‘de nationale en economische veiligheidsbehoeften van de Verenigde Staten, met inbegrip van de economisch risico’s’ aan te pakken. Beide organisaties zitten vol met Silicon Valley-ceo’s en topmanagers van bedrijven als Oracle, Amazon, Microsoft, Facebook en natuurlijk Schmidts collega’s bij Google.

Als voorzitter heeft Schmidt, die nog steeds ruim 5,3 miljard dollar van de aandelen van Alphabet (het moederbedrijf van Google) in handen heeft, evenals grote belangen in andere technologiereuzen, in Washington feitelijk een shakedown uitgevoerd namens Silicon Valley. Het belangrijkste doel van de twee genoemde organisaties is het oproepen tot exponentiële verhogingen van de overheidsuitgaven aan onderzoek naar kunstmatige intelligentie en technologische infrastructuur zoals 5G – investeringen die direct ten goede zouden komen aan de bedrijven waarin Schmidt en andere leden van deze organisaties uitgebreide belangen hebben.

In eerst instantie in presentaties achter gesloten deuren, en even later in publieksgerichte opiniestukken en interviews, is de strekking van Schmidts betoog dat – omdat de Chinese regering bereid is om nagenoeg onbeperkt overheidsgeld te steken in de bouw van de infrastructuur van hightech-surveillance, terwijl Chinese technologiebedrijven als Alibaba, Baidu en Huawei de winsten van de commerciële toepassingen daarvan kunnen opstrijken – de dominante positie van de VS in de wereldeconomie aan de rand van de afgrond staat.

Het Electronic Privacy Information Center kreeg onlangs via een verzoek op basis van de Freedom of Information Act toegang tot een presentatie van Schmidts nscai een jaar geleden, in mei 2019. In deze powerpoint wordt een reeks alarmerende beweringen gedaan over hoe de vrij lakse regelgevende infrastructuur van China en de bodemloze zucht van dat land naar surveillance ervoor zorgen dat de VS op een aantal gebieden, zoals ‘AI voor medische diagnoses’, autonome voertuigen, digitale infrastructuur, smart cities, het delen van autoritten en cash-free handel voorbijgestreefd kunnen worden.

De redenen die worden gegeven voor China’s concurrentievoordeel zijn ontelbaar. Zij lopen uiteen van het enorme aantal consumenten dat online winkelt tot ‘het ontbreken van oude banksystemen in China’, waardoor het land contant geld en creditcards links heeft kunnen laten liggen en een ‘enorme e-commerce en digitale dienstenmarkt’ heeft kunnen scheppen die gebruikmaakt van ‘digitale betalingen’, en een ernstig tekort aan artsen, waardoor de overheid nauw heeft moeten samenwerken met technologische bedrijven als Tencent om AI te kunnen inzetten voor ‘voorspellende’ geneeskunde. In de powerpoint wordt opgemerkt dat technologiebedrijven in China ‘de bevoegdheid hebben om snel wettelijke barrières op te ruimen, terwijl Amerikaanse initiatieven verwikkeld zijn in de naleving van Hippa-regels en fda-goedkeuring’.

Meer dan enige andere factor wijst de nscai echter op de bereidheid van China om publiek-private partnerschappen op het gebied van de massale surveillance en gegevensverzameling te omarmen als reden voor zijn concurrentievoordeel. De presentatie benadrukt China’s ‘expliciete overheidssteun en -betrokkenheid, bijvoorbeeld als het gaat om het inzetten van gezichtsherkenning’. Er wordt gesteld dat ‘surveillance een van de “eerste en beste klanten” is voor Al’ en verder dat ‘massasurveillance een killer application is als het gaat om diepgaand leren’.

Op een dia met de titel ‘Staatsdatasets: Surveillance = Smart Cities’ wordt geconstateerd dat China, samen met Google’s belangrijkste Chinese concurrent Alibaba, enorme vorderingen maakt.

Vijf maanden na deze presentatie, in november, bracht de nscai een tussentijds rapport uit aan het Congres waarin verder alarm werd geslagen over de noodzaak voor de VS om de toepassing van deze controversiële technologieën door China te evenaren. ‘We bevinden ons in een strategische concurrentieslag’, stelt het rapport. ‘AI zal daar een grote rol in spelen. De toekomst van onze nationale veiligheid en economie staat op het spel.’

Eind februari bracht Schmidt zijn campagne in de openbaarheid, misschien op basis van het inzicht dat de budgetverhoging waar zijn organisatie om vroeg anders niet zou worden toegekend. In een artikel in The New York Times met de titel ‘Ik was de baas van Google, Silicon Valley kan de slag met China verliezen’ riep Schmidt op tot ‘ongekende partnerschappen tussen de overheid en de industrie’ en schreef hij: ‘AI zal nieuwe grenzen openen in van alles en nog wat, van biotechnologie tot bankieren, en het is tevens een prioriteit van het ministerie van Defensie (…) Als de huidige trends zich voortzetten, zullen China’s investeringen in onderzoek en ontwikkeling die van de Verenigde Staten waarschijnlijk binnen tien jaar overtreffen, rond dezelfde tijd dat de economie van dat land naar verwachting groter zal worden dan de onze. Als deze trends niet veranderen, zullen we in de jaren dertig van deze eeuw concurreren met een land dat een grotere economie heeft, meer investeert in onderzoek en ontwikkeling, betere onderzoekscapaciteiten heeft, nieuwe technologieën op bredere schaal inzet en over een sterkere computerinfrastructuur beschikt (…) Uiteindelijk zijn de Chinezen erop uit om ’s werelds grootste vernieuwers te worden, en de Verenigde Staten spelen het spel niet met een winnaarsmentaliteit.’

De enige oplossing, aldus Schmidt, was een stortvloed van overheidsgeld.

Dat was precies twee weken voordat de uitbraak van het coronavirus werd uitgeroepen tot een pandemie, en er was geen sprake van dat het een van de doelen was van de enorme uitbreiding van onze hightech-capaciteit om de Amerikaanse gezondheid te beschermen. Alleen dat dit nodig was om te voorkomen dat China de concurrentieslag met ons zou winnen. Maar dat zou natuurlijk snel veranderen.

In de twee maanden die sindsdien zijn verstreken, heeft Schmidt deze al eerder geuite eisen – voor massale overheidsinvesteringen in hightech-onderzoek en infrastructuur, voor een reeks ‘publiek-private partnerschappen’ op het gebied van AI, en voor het versoepelen van talloze privacy- en veiligheidsbepalingen – op agressieve wijze geherformuleerd. Nu worden al deze maatregelen (en meer) aan het publiek verkocht als onze enige mogelijke hoop om ons te beschermen tegen een nieuw virus dat nog jaren bij ons zal blijven.

En de technologiebedrijven waarmee Schmidt warme banden onderhoudt en die de invloedrijke adviesraden die hij voorzit bevolken, hebben zich allemaal geherpositioneerd als de welwillende beschermers van de volksgezondheid en de machtige kampioenen van onze ‘alledaagse helden’, essentiële werknemers van wie velen, net als de pakjesbezorgers, hun baan zullen verliezen als deze bedrijven hun zin krijgen. Nog geen twee weken na de afkondiging van de lockdown in de staat New York schreef Schmidt een artikel voor The Wall Street Journal dat de nieuwe toon zette en tevens duidelijk maakte dat Silicon Valley alles in het werk zou stellen om de crisis als hefboom te gebruiken voor een permanente transformatie.

‘Net als andere Amerikanen proberen technologen hun steentje bij te dragen aan de steun voor de frontlinie van de pandemie-respons’, schreef hij. ‘We moeten ook de ontwikkelingen versnellen op het gebied van het leren op afstand, wat vandaag de dag als nooit tevoren wordt beproefd. Online is er geen vereiste van nabijheid, waardoor studenten les kunnen krijgen van de allerbeste leraren, ongeacht in welk schooldistrict ze wonen (…) De behoefte aan snelle, grootschalige experimenten zal ook de biotechnologische revolutie versnellen (…) En ten slotte is het land al heel lang toe aan een échte digitale infrastructuur.’

Inderdaad, Schmidt is onvermoeibaar in het uitdragen van deze visie. Twee weken na het verschijnen van dit artikel beschreef hij de ad hoc programma’s voor thuisonderwijs die leraren en gezinnen in het hele land in deze noodsituatie in elkaar hadden geflanst als een ‘grootschalig experiment op het gebied van het onderwijs op afstand’.

Als het internet van essentieel belang is voor zoveel dingen in ons leven, moet het dan niet worden behandeld als een openbaar nutsbedrijf zonder winstoogmerk?

Het doel van dit experiment, zo zei hij, was ‘proberen uit te vinden hoe kinderen op afstand leren. En met behulp van die gegevens zouden we in staat moeten zijn om betere hulpmiddelen voor onderwijs op afstand te ontwikkelen die, in combinatie met de docent (…) kinderen zullen helpen om beter te leren.’ Tijdens ditzelfde videogesprek, op initiatief van de Economic Club of New York, riep Schmidt ook op tot méér tele-geneeskunde, méér 5G, méér digitale handel en de rest van het reeds eerder opgestelde verlanglijstje. Dit alles in naam van de strijd tegen het virus.

Zijn meest veelzeggende opmerking was echter deze: ‘Het voordeel dat deze bedrijven, waar we graag kwaad over spreken, ons brengen in termen van het vermogen om te communiceren, gezondheidsproblemen aan te pakken en informatie te krijgen, is diepgaand. Bedenk eens hoe je leven in Amerika zou zijn zonder Amazon.’ Hij voegde hieraan toe dat mensen ‘een beetje dankbaar moeten zijn dat deze bedrijven het kapitaal hebben gekregen, de investeringen hebben gedaan, de instrumenten hebben gebouwd die we nu gebruiken, en ons echt hebben geholpen’.

Dit duidt erop dat, tot voor kort, de publieke weerstand tegen dit soort bedrijven aan het toenemen was. De presidentskandidaten bespraken openlijk de mogelijkheden om Big Tech op te breken. Amazon zag zich gedwongen zijn plannen voor een hoofdkwartier in New York in te trekken vanwege de hevige lokale oppositie. Google’s Sidewalk Labs-project bevond zich in een permanente crisis en Google’s eigen werknemers weigerden om surveillance-technologie met militaire toepassingen te bouwen.

Kortom, de democratie – die onwelkome publieke betrokkenheid bij het ontwerpen van cruciale instellingen en openbare ruimten – bleek het grootste obstakel voor de visie die Schmidt aan het propageren was, eerst vanuit zijn positie aan de top van Google en Alphabet en vervolgens als voorzitter van twee machtige organisaties die het Congres en het ministerie van Defensie adviseerden. Zoals uit de nscai-documenten blijkt, heeft deze ongelukkige machtsuitoefening door publiek en werknemers, vanuit het perspectief van mannen als Schmidt en Amazone-ceo Jeff Bezos, de AI-wapenwedloop op gekmakende wijze in de wielen gereden, waardoor hele vloten van potentieel dodelijke auto’s en vrachtwagens zonder chauffeur van de weg werden gehouden, particuliere gezondheidsdossiers niet langer door werkgevers als wapen tegen hun werknemers konden worden gebruikt, stedelijke ruimten niet langer met gezichtsherkenningssoftware konden worden volgehangen, en nog veel meer.

Te midden van het bloedbad van deze aanhoudende pandemie en de angst en onzekerheid over de toekomst die dit alles heeft veroorzaakt, zien deze bedrijven nu hun kans om al dat democratische engagement uit te roeien en dezelfde soort macht te kunnen hebben als hun Chinese concurrenten, die de luxe hebben te kunnen functioneren zonder gehinderd te worden door arbeids- of burgerrechten.

De ontwikkelingen gaan nu heel snel. De Australische regering heeft een contract gesloten met Amazon om de gegevens voor haar controversiële coronavirus-tracking-app op te slaan. De Canadese regering heeft een contract gesloten met Amazon om medische apparatuur te leveren, wat heeft geleid tot vragen waarom de openbare posterijen zijn omzeild. En binnen slechts een paar dagen begin mei heeft Alphabet een nieuw Sidewalk Labs-initiatief opgezet voor de herinrichting van stedelijke infrastructuur, met vierhonderd miljoen dollar aan startkapitaal. Josh Marcuse, uitvoerend directeur van de Defense Innovation Board waarvan Schmidt voorzitter is, heeft bekendgemaakt dat hij fulltime bij Google gaat werken als hoofd strategie en innovatie voor de mondiale publieke sector, wat betekent dat hij Google zal helpen om enkele van de vele mogelijkheden te verzilveren die hij en Schmidt met hun lobby hebben gecreëerd.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat technologie beslist een belangrijk onderdeel is van de manier waarop we de komende maanden en jaren de volksgezondheid zullen moeten beschermen. De vraag is of die technologie onderworpen zal worden aan de disciplines van democratie en publiek toezicht, of dat zij zal worden uitgerold in de hectiek van de uitzonderingstoestand, zonder dat er kritische vragen worden gesteld over wat ons leven de komende decennia zal gaan bepalen. Vragen zoals: Als we zien hoe cruciaal digitale connectiviteit is in tijden van crisis, moeten deze netwerken en onze data dan echt in handen zijn van private spelers als Google, Amazon en Apple? Als er zoveel publiek geld in wordt gestoken, moet het publiek dan niet ook eigenaar zijn van en controle hebben over deze netwerken? Als het internet van essentieel belang is voor zoveel dingen in ons leven, zoals duidelijk het geval is, moet het dan niet worden behandeld als een openbaar nutsbedrijf zonder winstoogmerk?

En hoewel er geen twijfel over bestaat dat de mogelijkheid om videoconferenties te houden in deze lockdown-periode een levensader van belang is geweest, moeten er serieuze debatten worden gevoerd over de vraag of onze meer duurzame beschermingsconstructies niet menselijker van aard zullen moeten zijn. Neem het onderwijs. Schmidt heeft gelijk als hij zegt dat overvolle klaslokalen een gezondheidsrisico vormen, in ieder geval tot we een vaccin hebben. Dus waarom stellen we dan niet méér docenten aan en halveren we de klassen niet? Hoe zou het zijn als elke school een verpleegster in dienst zou hebben?

Dit zou broodnodige werkgelegenheid creëren in een werkloosheidscrisis die zijn weerga niet kent en iedereen in de leeromgeving meer armslag geven. Als gebouwen te druk zijn, zouden we de dag kunnen opdelen en meer onderwijs in de buitenlucht kunnen geven, gebruikmakend van het overvloedige onderzoek dat aantoont dat het doorbrengen van tijd in de natuur het leervermogen van kinderen vergroot.

Het zal zeker niet makkelijk zijn om dit soort veranderingen door te voeren. Maar ze zijn lang niet zo riskant als het opgeven van de beproefde methode van goed opgeleide mensen die jongeren face to face onderwijs geven, in groepen waar ze leren met elkaar om te gaan.

Nadat hij hoorde van het nieuwe partnerschap van de staat New York met de Gates Foundation, was Andy Pallotta, voorzitter van de New York State United Teachers, er als de kippen bij om te reageren: ‘Als we het onderwijs opnieuw willen vormgeven, laten we dan beginnen bij de noodzaak van maatschappelijk werkers, geestelijke-gezondheidsadviseurs, schoolverpleegkundigen, verrijkende kunstcursussen, vervolgcursussen en kleinere klassengroottes in de hele staat’, zei hij. Een coalitie van oudergroepen wees er ook op dat als we inderdaad een ‘experiment met leren op afstand’ hebben ondergaan (zoals Schmidt het uitdrukte), de resultaten zeer verontrustend zijn: ‘Sinds de scholen half maart zijn gesloten, is ons inzicht in de diepe tekortkomingen van het onderwijs via het beeldscherm alleen maar toegenomen.’

Naast de voor de hand liggende klassen- en rassendiscriminatie in het geval van kinderen die geen toegang hebben tot internet of thuiscomputers (een probleem dat de technologiebedrijven natuurlijk graag willen oplossen door middel van enorme gesubsidieerde technologie-aankopen), is het maar de vraag of onderwijs op afstand veel kinderen met een beperking wel kan dienen, zoals de wet voorschrijft. Er is ook geen technologische oplossing voor het probleem van het leren in een thuisomgeving die overvol is of waar sprake is van huiselijk geweld.

De vraag is niet of de scholen, als gevolg van een zeer besmettelijk virus waartegen we nog geen adequate behandeling of inenting hebben, zullen moeten veranderen. Net als elke instelling waar mensen in groepsverband bijeenkomen, zal dat inderdaad moeten. Het probleem is, zoals gebruikelijk in tijden van collectieve shock, de afwezigheid van een publiek debat over hoe die veranderingen eruit moeten zien en wie er baat bij heeft: private technologiebedrijven of de leerlingen?

Dezelfde vragen moeten worden gesteld als het over gezondheid gaat. Het is zinvol om artsenpraktijken en ziekenhuizen tijdens een pandemie te mijden. Maar tele-geneeskunde schiet in veel opzichten nog tekort. We moeten dus een op feiten gebaseerd debat voeren over de voor- en nadelen van het uitgeven van schaarse publieke middelen aan tele-geneeskunde in plaats van aan goed opgeleide verpleegkundigen, uitgerust met alle noodzakelijke beschermingsmiddelen, die in staat zijn om huisbezoeken af te leggen voor het stellen van diagnoses en het behandelen van patiënten.

En misschien wel het dringendst is dat we het juiste evenwicht moeten zien te vinden tussen het gebruik van apps voor het opsporen van virussen, die met de juiste privacybescherming inderdaad een rol zouden kunnen spelen, en de roep om een Community Health Corps dat miljoenen Amerikanen van werk zou voorzien, niet alleen voor het opsporen van contacten, maar ook om ervoor te zorgen dat iedereen de materiële middelen en steun krijgt die nodig zijn om veilig in quarantaine te kunnen gaan.

Hoe dan ook staan we voor echte, moeilijke keuzes tussen investeren in mensen en investeren in technologie. Want de meedogenloze waarheid is dat we, zoals het er nu voorstaat, zeer waarschijnlijk niet allebei zullen kunnen doen. De weigering om bij de opeenvolgende federale reddingsoperaties de benodigde middelen over te dragen aan staten en steden betekent dat de coronagezondheidscrisis nu halsoverkop uitloopt op een kunstmatige bezuinigingscrisis. Openbare scholen, universiteiten, ziekenhuizen en het vervoer worden geconfronteerd met existentiële vragen over hun toekomst. Als technologiebedrijven hun woeste lobbycampagne voor leren op afstand, tele-geneeskunde, 5G en voertuigen zonder bestuurder – hun ‘Screen New Deal’ – winnen, zal er gewoonweg geen geld overblijven voor urgente publieke prioriteiten, laat staan de Green New Deal die onze planeet zo dringend nodig heeft.

Integendeel: het prijskaartje voor alle glimmende gadgets zal bestaan uit het massale ontslag van docenten en het sluiten van ziekenhuizen.

De technologie biedt ons prachtige hulpmiddelen, maar niet elke oplossing is technologisch van aard. En het probleem met het uitbesteden van belangrijke beslissingen over hoe we onze staten en steden opnieuw kunnen inrichten aan mannen als Bill Gates en Eric Schmidt is dat ze hun leven hebben besteed aan het hooghouden van het geloof dat elk probleem met technologie kan worden opgelost. Voor hen, en voor vele anderen in Silicon Valley, is de pandemie een gouden kans om niet alleen de dankbaarheid, maar ook het respect en de macht op te eisen waarvan zij vinden dat die hun ten onrechte is ontzegd.


Dit verhaal verscheen eerder in The Intercept. Vertaling Menno Grootveld