Scrupules

BIJ MR. GERARD SPONG is het zeker geen usance om cliënten te weigeren. Integendeel, hoe controversiëler de cliënt, des te beter, lijkt zijn uitgangspunt. In een recent interview met Opzij droomde Spong nog hardop van de verdediging van Catharina de Medici, de waanzinnig wrede vorstin die onder meer in het geheugen staat gegrift vanwege haar aandeel in de Parijse bloedbruiloft van 1572. Ook Eichmann en Hitler leken hem postuum gezien aantrekkelijke klanten, terwijl in het rijk der levenden momenteel Marc Dutroux ontegenzeglijk een aantrekkelijke kandidaat vormt. ‘Het verdedigen van Dutroux kan een uiterst nobele zaak zijn’, zo verklaarde Spong daags nadat bekend was geworden dat Dutroux’ eigen advocaat had geweigerd diens verdediging op zich te nemen.

Een van de eerste cliënten van de Haagse maatschap die Spong in 1976 met confrère Micha Wladimiroff opzette, was Pieter Menten, de van oorlogsmisdaden verdachte kunsthandelaar uit de vroegere inner circle van prins Bernhard. Menten had het eerst bij Max Moszkowicz, de bekende strafpleiter te Maastricht, geprobeerd, maar had daar nul op rekest gekregen. Dat verhaal werd in Het Parool van 30 augustus jl. nog eens bevestigd door Abraham Moszkowicz, zoon en collega van Max: ‘Menten wilde mijn vader als advocaat. Hij zal wel gemeend hebben dat het in zijn voordeel zou zijn als hij zich liet verdedigen door een jood, denk ik. Mijn vader heeft nee gezegd. Ik zou zelf ook nooit een oorlogsmisdadiger verdedigen die een deel van mijn familie om zeep heeft geholpen, of althans onderdeel was van de machinerie die daarvoor verantwoordelijk was.’
Spong, in 1946 te Paramaribo geboren in een familie die joodse, creoolse, Duitse en Franse roots in zich verenigt, ging wel met Menten in zee, zij het dat de verbintenis slechts 'een blauwe maandag’ duurde. Zijn grootste morele dilemma was of hij hem bij de ontmoeting nu de hand moest schudden, vertelde Spong later.
Het was de start van een komeetachtige carrière in de strafpleiterij. Op Spongs conduitestaat staan tal van grote zaken vermeld. Zo verzorgde hij op 32-jarige leeftijd de verdediging van het Raf-trio Wackernagel, Schneider en Folckerts. Hij stond de in schandalen verwikkelde top van Slavenburg, RSV en Booij Cleaning bij, de van grootschalige ontucht verdachte psychiater dr. Finkensieper, evenals de van banden met Surinaamse drugskartels beschuldigde advocaat mr. Oscar Hammerstein. Spong is tuk op controversen. In 1989 haalde hij zich de woede van de vrouwenbeweging op de hals toen hij namens een cliënt die een kind had verwekt bij zijn minderjarige dochter, een omgangsregeling aanvroeg aangezien 'ook incestplegers recht hebben op een gezinsleven’. Zijn kantoor werd prompt ondergekalkt met leuzen als 'Vrouwenhater’.
REEDS HISTORISCH is de door Spong afgedwongen vrijspraak van een dronken automobilist die al wegpiratend in zijn Porsche vier medeweggebruikers de dood in joeg. In hoger beroep toonde Spong aan dat er geen sprake was van planning van de misdaad, zoals het Openbaar Ministerie had beweerd. En deze week gooit Spong weer hoge ogen met een zaak voor de Hoge Raad over een Duitser die werd veroordeeld omdat hij zijn vriendin had gedwongen tot seks met een hond. Spong: 'De man is veroordeeld wegens ontucht, maar dat kan helemaal niet. Ontucht is iets tussen mensen, bestiale seks staat daarbuiten.’
De bekritiseerde zelf blijft stoïcijns onder alle kritiek op zijn vermeende gebrek aan scrupules. Hij afficheert zichzelf gaarne als een 'juridische vrijbuiter die geen angsten kent’. In zijn onlangs bij uitgeverij Balans verschenen boek Leugens om bestwil komt hij met een radicaal-juridisch beginselprogramma, dat zijn wortels zou vinden in de humanistische leer van de wijsgeer Levinas. Volgens Spong is het voor een eerlijke rechtsgang het beste als een advocaat zich zo onvoorwaardelijk mogelijk aan zijn cliënt bindt. In de strijd met het Openbaar Ministerie mag geen wapen worden geschuwd, alleen dan komt de dialectiek van het rechtssysteem tot zijn volle glorie. Spong: 'Het belachelijk maken van de rechtsorde acht ik, gezagskritisch en non-gouvernementeel ingesteld als ik nu eenmaal ben, volkomen honorabel, ja, zelfs onder omstandigheden geboden.’
Zijn specialiteit is het cassatierecht, het vloeren van een vonnis bij de Hoge Raad op grond van vormfouten. Spong heeft een bijna diabolisch talent om fouten op te sporen, en dat maakt hem tot de meest gehate man ten burele van het Openbaar Ministerie, waar menig officier in tranen wegzonk als Spong weer eens op listige wijze een gat bleek te hebben geschoten in onberispelijk geachte dossiers. Spong doet dat werk met aanstekelijk plezier. Ooit bekende hij schuddebuikend van het lachen aan het zwembad te hebben gezeten, in afwachting van het moment dat een officier in een grote drugszaak tegen een ingewijde van Pablo Escobars coke-kartel zou trappen in de juridische valkuil die Spong voor haar had gecreëerd.
Sindsdien nam zijn optreden alleen maar in postmoderne anarchie toe. Je zou Spong de eerste punker in toga kunnen noemen. In zijn boek geeft hij tal van voorbeelden van zijn rebelse gezindheid. Zo hekelt hij de eed of gelofte waarmee advocaten in dit land nog altijd hun trouw aan het Oranjehuis dienen te belijden. Spong: 'Ik zou niet weten waarom een advocaat heden ten dage in de uitoefening van zijn beroep trouw aan de koning zouden moeten zijn. Natuurlijk mogen we de koning met geen haar krenken, zo min als wij medeburgers kwaad mogen aandoen, maar ik ben liever trouw aan mijn hondje dan aan de koning, mocht het ooit tot een keuze tussen die twee komen.’
IN NEDERLAND heeft Spong de positie die in Frankrijk zijn collega Jacques Vergès sinds jaar en dag bekleedt: die van juridische agent-provocateur contra het establishment, opererend voorbij Goed en Kwaad, een nietzscheaan aan de balie, een bohemien met toga en bef, agerend tegen ethische kwezelarijen en andere oprispingen van een door en door hypocriete bureaucratie. Zijn optreden in het Hakkelaar-proces, waar de vermeende Octopus-bende terecht stond, maakte hem tot de rockster van de pleiterswereld. De wijze waarop Spong de officieren Teeven en Witteveen tergde door tijdens het monsterproces met een speelgoed-octopus te jongleren, schreef geschiedenis. Het bevestigde Spongs imago als onverschrokken jager op taboes.
Het wekte dan ook bij vriend en vijand verbazing toen Spong onlangs liet weten dat hij een verzoek om rechtsbijstand van de in het nauw gedrongen Surinaamse ex-legerleider Desi Bouterse naast zich neer had gelegd. Was Bouterse niet een ideale cliënt voor een man als Spong: controversieel, opererend in het snijvlak van internationale politieke intriges, een nagel aan de doodskist van menig Hollands politicus bovendien? Hoeveel politieke springstof zat er niet in een proces tegen Bouta?
En had Spong zelf niet nog in het Algemeen Dagblad van 23 september 1983 verklaard dat hij Bouterse best wel als client zou willen hebben? 'Ik zou het ook nu nog heel moeilijk vinden, maar in zo'n zaak zou die mijnheer met de rug tegen de muur staan en dan zou ik het wel moeten doen’, verklaarde hij toen nog.
De tournure van Spong was dus opmerkelijk. Nog opmerkelijker was dat Spong niet alleen zelf weigerde de verdediging van Bouterse op zich te nemen, maar dat hij ook zijn vriend en collega Max Moszkowicz zo ver kreeg om het verzoek van de huidige adviseur van staat te Paramaribo naast zich neer te leggen.
Moszkowicz’ zoon Abraham liet zich evenwel niet door Spong bewerken. Hij nam het aanbod van Bouterse wel aan.
Tussen de bedrijven van het inmiddels in hoger beroep verkerende proces tegen De Hakkelaar en zijn trawanten is mr. Spong bereid zijn positie ten opzichte van Bouterse nog eens toe te lichten.
'Ik ben persoonlijk te emotioneel bij die zaak betrokken’, vertelt hij. 'Suriname heeft een apart plekje in mijn hart. Ik ben er geboren, mijn vader leidde er het enige psychiatrische ziekenhuis. Na mijn studie in Nederland ben ik in Suriname als advocaat gaan werken, dat was van 1973 tot 1976. Omdat de advocatenwereld van Suriname maar klein was, kende ik al snel iedereen van die beroepsgroep persoonlijk. Dus ook de collega’s die Bouterse in december 1982 heeft laten vermoorden. (De advocaten Harold Riedewald, Kenneth Gonsalves, John K. Baboeram en Eddy Hoost behoorden tot de vijftien mensen die de Surinaamse legerleiding in de nacht van 8 op 9 december 1982 liet executeren wegens 'hoogverraad’ - rz)
Zelf moest ik er een jaar eerder bijna aan geloven. Ik had toen de verdediging op mij genomen van drie militairen die van een linkse tegencoup tegen Bouterse waren beschuldigd, de officieren Mijnals, Sitals en Joeman. Maar nog voordat ik goed en wel aan die zaak had kunnen beginnen, werd ik van mijn bed in hotel Torarica gelicht en door de militairen naar Fort Zeelandia gebracht om te worden verhoord door Bouterses linkerhand Marcel de Zeeuw. Ik kreeg onder meer te horen dat ik werd beschuldigd van insubordinatie, wat dat ook mocht betekenen. Het waren in ieder geval de benauwdste uurtjes die ik ooit heb mogen meemaken. Ik moest het land ontvluchten. De pleitnota ten behoeve van die drie opstandige militairen gaf ik door aan mijn collega’s in Paramaribo, die er een jaar later voor werden vermoord.
Gegeven die omstandigheden is het mij onmogelijk om Bouterse te verdedigen. Hij is de moordenaar van mijn goede vrienden en collega’s. Tegen die achtergrond had het me te gemakkelijk kunnen gebeuren dat ik die vormfout in het toekomstige proces tegen Bouterse maar niet had opgemerkt.’
Spong is naar zijn eigen zeggen teleurgesteld in het besluit van Abraham Moszkowicz, zijn partner in het juridische dream team van De Hakkelaar, om Bouterse wel als cliënt aan te nemen. 'Ik heb hem mijn leedwezen kenbaar gemaakt. Hij zei: dat is jammer, maar ik doe het toch.’
SPONG STEEKT momenteel zijn nek uit door Surinaamse instellingen in Nederland af te reizen om zijn standpunt ten aanzien van Bouterse (en de felle boutades in zijn boek tegen het ontbreken van een rechtsstaat in Suriname) nader uit te leggen. Niet iedereen in de Surinaamse gemeenschap in Nederland is daarvan gecharmeerd, hier en daar weerklinkt de vrees dat een eventuele aanhouding van Bouterse op verzoek van de Nederlandse autoriteiten zou kunnen leiden tot heftige onlusten, zowel in Paramaribo als in de Bijlmer, waardoor de toch al weinig florissante Surinaams-Nederlandse verhoudingen nog erger in het slop zouden komen te zitten.
Spong: 'Al die retoriek leg ik naast me neer. Ik geloof helemaal niks van die uitslaande-brandverhalen. Bouterse moet gewoon als iedere andere verdachte in een drugszaak worden behandeld. Daarom vind ik het optreden van minister Sorgdrager in dezen dan ook onbegrijpelijk. Zij stelde haar Surinaamse ambtgenoot, een partijgenoot van Bouterse, al van tevoren op de hoogte dat Bouterse op de lijst van Interpol was gezet. Dat komt erop neer dat Bouterse persoonlijk werd ingelicht over een op handen zijnde arrestatie. Dat vind ik juridisch gezien een onbegrijpelijke blunder, en bovendien een handelwijze die ik nooit ben tegengekomen in de behandeling van mensen tegen wie soortgelijke verdenkingen worden gekoesterd. Zo kan het idee postvatten dat het nooit en te nimmer de bedoeling is geweest de ex-dictator bij de kladden te grijpen. Men strooit ons zand in de ogen.’
Ook de uitleg van minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer waarom hij niet overging tot een verzoek tot arrestatie en uitlevering van Bouterse, heeft Spong in het juridische hart getroffen. 'Het is gewoon onzin wat minister Van Mierlo aan de Kamer heeft verteld. Hij zegt dat hij dat verzoek niet deed, omdat het maar afwachten was wat Brazilië ermee zou doen. Maar dat is nooit anders bij dergelijke verzoeken. Toen de Amerikaanse regering onlangs bij minister Sorgdrager vroeg om uitlevering van het echtpaar Mooring, dat in Amerika werd beschuldigd van het kweken van een paar wietplantjes, stond het ook maar te bezien wat Nederland zou doen. Binnen de Nederlandse cultuur was de strafmaat die de Moorings in Amerika mogelijk boven het hoofd hing, buitenproportioneel en het uitleveringsverzoek had dus met even groot gemak kunnen worden geweigerd.
Wat langer geleden speelde het Duitse verzoek tot uitlevering van de Raf-terroristen, of nee, laat ik beter zeggen: de Raf-vrijheidsstrijders Wackernagel, Schneider en Folckerts. Daar was ik zelf als raadsman nog bij betrokken. Ook in dat geval stond het maar te bezien hoe Nederland zou reageren, gezien de wijze waarop men hier dacht over het optreden van de Duitse politie en justitie. Dat zijn al twee voorbeelden van uitleveringszaken waarbij het maar de vraag was hoe Nederland zou reageren. Die terughoudendheid van Van Mierlo was dus geheel niet op zijn plaats. Van Mierlo is gewoon een angsthaas.’
SPONG BLIJFT ERBIJ dat Bouterse berecht moet worden, en dan het liefst op grond van zijn aandeel in de decembermoorden. Spong: 'Maar zoiets kan alleen in Suriname, en voorlopig ziet het er niet naar uit dat dat mogelijk is. Dan zou er eerst een reuze-ommezwaai in het land moeten plaatsvinden. Ik zou er bijvoorbeeld voor zijn als Suriname het Antilliaanse model zou hanteren in de rechtsorde. Dat zou betekenen dat het Surinaamse Openbaar Ministerie en de politie hulp zouden krijgen van Nederlandse collega’s, zoals dat in de Antillen al gebeurt. Het zou een manier zijn om nog te komen tot een berechting van de verantwoordelijken voor de decembermoorden voordat de zaak verjaart.
Zo'n samenwerking zou helemaal niet neerkomen op herkolonisatie, zoals sommige mensen beweren. Integendeel, Suriname zou er als onafhankelijke natie juist zeer bij gebaat zijn als de schandvlek van december 1982 wordt weggenomen.’