Sean Du-Val Price, 17 maart 1972 - 8 augustus 2015

Sean Price maakte hiphop voor de fijnproevers. Met een mengeling van poëzie, meligheid en somberte reflecteerde hij op het ploeterende bestaan van jonge Afro-Amerikanen.

Wat is 2015 een geweldig jaar om in te mogen leven als hiphopliefhebber. Zomaar een greep uit de ijzersterke albums die dit jaar verschenen: If You’re Reading This It’s Too Late, een heerlijk loom en zelfverzekerd werk van de Canadees Drake; Summertime ’06, een van de betere debuten van de afgelopen jaren van een piepjonge en hyperintelligente Vince Staples; At.Long.Last.A$AP, een trippy album van de lsd slikkende A$AP Rocky. Geweldig is ook het album White Men Are Black Men Too van de Britse groep Young Fathers, die een autonoom soort hiphop maken dat sterk leunt op pop en electro.

En dan te bedenken dat dit niet eens de hoogtepunten zijn. Er kwamen namelijk nog twee memorabele albums uit. Allereerst How To Pimp a Butterfly van Kendrick Lamar. Is een rapper ooit zo geprezen als de 28-jarige Lamar? En terecht, want het is niet elke muzikant gegeven om zijn levensverhaal zoveel maatschappelijke en artistieke relevantie mee te geven. How To Pimp a Butterfly is, in de woorden van Lamar zelf, een ‘eerlijk, angstig en compromisloos’ werk over wat het betekent een Afro-Amerikaan te zijn uit het getto Compton (Los Angeles).

Uit dezelfde hoek komt ook Compton van Dr. Dre. De man is een legende. Niet alleen als rapper, maar ook als producent die de carrière lanceerde van giganten als Snoop Dogg, Eminem en recentelijk Kendrick Lamar. Zelf maakte Dr. Dre niet zoveel albums, maar de twee voorgaande die hij afleverde in de jaren negentig (The Chronic en 2001) zijn muzikale prestaties die je een leven lang bijblijven. Dat geldt ook voor Compton dat begin deze maand verscheen. Ben je ouder dan dertig jaar – en hiphopliefhebber – dan zal elk nummer je gegarandeerd terugvoeren naar de jaren tachtig en negentig, het ‘gouden tijdperk’ (circa 1987-1999), toen de basis werd gelegd voor de huidige dominantie van hiphop in de muziekwereld.

Vorige week werd dit tijdperk nogmaals in herinnering geroepen, maar nu met een verdrietige aanleiding. Op 8 augustus overleed de New Yorkse rapper Sean Price (Sean Du-Val Price) op 43-jarige leeftijd in zijn slaap. Price is misschien niet de bekendste rapper, maar in het wereldje geldt hij als een grote naam die een aanzienlijke rol had in de ontwikkeling van hiphop. Price – ex-drugsdealer, ex-gevangene – maakte begin jaren negentig deel uit van het hiphopcollectief Boot Camp Clik en was toen beter bekend onder zijn artiestennaam Ruck. In die tijd woedde er een concurrentiestrijd tussen hiphop uit de West Coast (Los Angeles) en hiphop uit de East Coast (New York).

Concessies deed Price nooit. Hij wilde het real houden

Om het een beetje overzichtelijk te houden: hiphop uit de West Coast werd gedomineerd door rechttoe-rechtaan-gangsterrap, terwijl hiphop uit de East Coast het straatleven iets geraffineerder vertolkte, poëtischer vooral. West Coast-hiphop, aangevoerd door Dr. Dre en Snoop Dogg, was de bovenliggende partij in die concurrentiestrijd. De balans werd pas weer hersteld met de komst van undergroundgroepen als Boot Camp Clik die de weg effenden voor East Coast-legendes als Wu-Tang Clan, Mobb Deep en Nas.

Price trad in de jaren negentig nog verder op de voorgrond met een ander hiphopproject, Heltah Skeltah, een rapduo waarvan hij een helft vormde. Vooral met Heltah Skeltah heeft hij een bijdrage geleverd aan de reputatie van East Coast-hiphop als een tekstueel rijke muziekstroming. Price nam nooit genoegen met simpele rijm. Zijn teksten waren een mengeling van taalacrobatiek, poëzie, meligheid, somberte en een grimmige reflectie op het ploeterende bestaan van jonge Afro-Amerikanen.

Later bracht Price ook een paar uitstekende soloalbums uit. Groot commercieel succes heeft hij echter nooit gekend. ‘Eviction notice, yo, I gotta go/ Album been out two months, ain’t did a fucking show’, rapte hij in het nummer ‘Brokest Rapper You Know’.

Waarom hij nooit naar een groot publiek is doorgebroken, is niet duidelijk. Het kan te maken hebben met zijn artistieke stugheid. ‘I’m just a stubborn old man’, is een recente uitspraak van hem. Concessies deed hij nooit. Hij wilde het real, authentiek, houden, en dat betekende voor hem het schrijven van ingenieuze teksten als doel op zich. Dat is een prijzenswaardige houding, maar hij bleef daardoor wel een rapper’s rapper, iemand voor fijnproevers. Ook zijn drie soloalbums, die hij uitbracht in 2005, 2007 en 2012, konden vooral de incrowd bekoren en minder het grote publiek. Toen het nieuws van zijn overlijden bekend werd, erkenden succesvollere collega-rappers bij toerbeurt de invloed van Price op hiphop. Tragisch alleen dat hij bij leven die invloed niet direct terugzag in wat geld, zoals hij ook rapt in het hartverscheurende nummer ‘Mess You Made’: ‘I guess this rap shit is a thing of the past/ Took the ring off my finger sold the thing for some cash.’

Price heeft zijn gezin niks kunnen nalaten. Gelukkig loopt er inmiddels wel een crowdfundingsactie om geld voor ze in te zamelen. Het is een carrière en een leven dat een veel beter slot had verdiend. Maar misschien kunnen de hiphopliefhebbers troost vinden in het feit dat dit prachtige hiphopjaar niet mogelijk was geweest zonder het voorwerk van hiphoppioniers als Sean Price.


Beeld: 7 september 2013 (Briana E. Heard / HH)