Profiel Ayman al-Zawahiri

Second Most Wanted Terrorist

Met zijn handtekening onder de oprichting van het Wereld Islamitisch Front is Ayman al-Zawahiri wereldberoemd geworden. Sinds deze verklaring over de jihad tegen joden en kruisvaarders — met de bekende passage waarin elke moslim wordt opgeroepen «de Amerikanen en hun bondgenoten, zowel burgers als militairen, te doden» waar dat maar mogelijk is — staat al-Zawahiri op de FBI-lijst Most Wanted Terrorists als «public enemy» nummer 2, na Osama bin Laden, de medeondertekenaar van de verklaring.

Al-Zawahiri’s ontwikkeling tot terrorist is opmerkelijk. Hij wordt in 1951 geboren in een rijke en bekende Egyptische familie. Zijn vader stamt uit een familie van artsen. Zijn moeders gezin leverde de eerste secretaris-generaal van de Arabische Liga in de jaren veertig en een rector van de Cairo Universiteit. De familie woont in de luxueuze wijk Ma’adi en gaat, zoals gebruikelijk, ’s zomers naar Alexandrië. De Zawahiri’s wijken echter ook af van het normale patroon. Ze zijn geen lid van de Sporting Club, zijn streng religieus en hebben in de jaren veertig weinig op met de latere president Nasser. Ook gaan de kinderen naar een normale staatsschool, die aan de «verkeerde kant van het spoor» ligt.

Ayman blijkt al vroeg een religieuze inslag te hebben. Op zijn vijftiende richt hij zijn eerste geheime islamitische studiegroep op. De lectuur bestaat uit geschriften van de radicale ideoloog Sayyid Qutb waarin deze oproept het ongelovige regime van Nasser omver te werpen. Ook in de jaren zeventig — wanneer met steun van Nassers opvolger, president Sadat, de islamitische beweging de universiteiten in haar greep krijgt — blijft de groep in het geheim opereren. Anders dan de Moslim Broederschap en de Gama’at al-Islamiyya gelooft al-Zawahiri niet in de lange mars door de instituties en het opbouwen van een massabeweging. Evenmin is hij onder de indruk van de romantiek van de Takfir wa-l-Hijra-groep die zich in de woestijn terugtrekt om in navolging van Mohammed eerst een ideale maatschappij (in Medina) op te bouwen om dan later de corrupte maatschappij (in Mekka) te ver overen. Als een koelbloedige realist wil hij via een staatsgreep de macht grijpen om vervolgens van bovenaf de maatschappij te islamiseren. Het leger is voor hem de spil waar alles om draait.

Deze elitaire strategie verklaart zijn bewondering voor de Militaire Academie Groep die halverwege de jaren zeventig een mislukte staatsgreep pleegt. Al-Zawahiri zelf is overigens veel voorzichtiger. Zo voorzichtig dat zijn groep, die uitgroeit tot veertig man, geen naam heeft. Onder invloed van zijn militaire leden is hij ervan doordrongen dat een politieke omwenteling alleen kans van slagen heeft als er een gedegen en langdurige voorbereiding aan voorafgaat. Al-Zawahiri probeert dan ook een façade op te bouwen van een gewoon leven. Hij trouwt, studeert medicijnen en wordt uiteindelijk chirurg.

De toenemende politieke spanningen in Egypte zullen hem niet in de gelegenheid stellen zijn plan ten uitvoer te brengen. Na Sadats reis naar Jeruzalem in 1977 radicaliseert de islamitische beweging in sneltreinvaart. Blijk daarvan is de fusie tussen Gama’at al-Islamiyya en Tanzim al-Jihad, een organisatie met veelal dezelfde ideeën als al-Zawahiri. Onder druk van de golf van arrestaties in september 1981, waarbij veel leden van de islamitische beweging worden opgepakt, besluit deze groep Sadat te vermoorden tijdens de militaire parade ter herdenking van de Oktoberoorlog. Tot zijn ontsteltenis hoort al-Zawahiri pas enkele uren voor de aanslag van dit plan. Toch wordt hij gearresteerd. Bij hem thuis vindt de politie een arsenaal aan wapens.

Typerend voor al-Zawahiri’s intellectualisme is dat hij tijdens de euforie over de dood van Sadat in de gevangenis juist wijst op het grote onheil dat is aangericht. Weliswaar is Sadat, de tiran en farao, gedood, maar er heeft geen omwenteling plaatsgevonden richting islamitische staat. Ook veroordeelt hij de opstand die een dag na de moord op Sadat uitbreekt in de Opper-Egyptische stad Asyoet. «Emotioneel», «onrealistisch» en «slecht gepland» noemt hij deze actie, waarbij tijdens de bestorming van een politiebureau honderd agenten omkwamen.

De knullige gang van zaken sterkt al-Zawahiri in zijn overtuiging dat een staatsgreep het enige middel is om een omwenteling teweeg te brengen. Niet alleen is die efficiënt, ook vloeit daarbij zo min mogelijk onschuldig bloed. De islamitische revolutie, toch al moeilijk in een strak gecontroleerd land als Egypte, is volgens al-Zawahiri nu voorlopig van de baan.

Hoe is dit oordeel te rijmen met het latere terrorisme van al-Zawahiri, waarbij het aantal slachtoffers juist de meetlat van succes is? Velen zoeken het antwoord in zijn ervaring in de gevangenis. Slechts drie jaar zit al-Zawahiri vast. Maar volgens de beroemde Egyptische advocaat Muntasar al-Zayyat, die in de loop der jaren ongeveer alle islamisten heeft verdedigd, moeten de martelingen daar diepe sporen hebben nagelaten. De vernedering moet des te erger zijn geweest omdat al-Zawahiri tijdens de folteringen een van zijn beste vrienden verraadt. In zijn memoires Ridders onder de banier van de Profeet, die na de inval van de Amerikanen in Afghanistan worden gepubliceerd, beschrijft hij de moedjahedien als helden. De buitenwereld leert hem in deze periode kennen als een van de weinige islamisten die Engels spreken. Tijdens de rechtszitting schreeuwt hij naar de pers: «Wij zijn hier, het echte islamitische front en de echte islamitische oppositie tegen het zionisme, communisme en imperialisme.»

Een andere verklaring voor al-Zawahiri’s weg naar «9/11» moet worden gezocht in zijn ervaring in Afghanistan. Al-Zawahiri bezoekt dit verscheurde land al in 1980, vlak na de sovjetinval een jaar eerder, met het doel als arts hulp te verlenen aan de Afghaanse moedjahedien. Dan al beschouwt hij Afghanistan als het ideale gebied voor een jihad. Het is «een geschenk op een gouden schaaltje». Zoals een kameraad het jubelend uitdrukte: «Afghanistan verlengde mijn leven met honderd jaar.» Behalve dat het land een uitgelezen kans biedt voor de jihad is het grote voordeel volgens al-Zawahiri dat de situatie er glashelder is. Een islamitisch land voert een jihad tegen een vijand die bestaat uit een «ongelovige agressor» die wordt ondersteund door een «afvallig, inheems regime». De heroprichting van de al-Jihad-organisatie in 1987 is dan ook niet bedoeld om strijd te leveren in Egypte maar om zich aan te sluiten bij de internationale jihad. Hiermee verschuift al-Zawahiri zijn aandacht van de «interne vijand» (de Egyptische staat) naar de «externe vijand» (de Sovjet-Unie).

Vanaf zijn komst in 1986 tot het einde van de oorlog met het Afghaanse communistische regime in 1992 is al-Zawahiri nauw betrokken bij het internationale netwerk van moedjahedien die daar elkaar leren kennen, ideeën uitwisselen en de basis vormen van het latere al-Qaeda- netwerk. Hij leert daar ook bekende organisatoren kennen die de beruchte guest houses runnen, zoals Abdallah Azzam, de onvermoeibare Palestijnse jihad-leider die een hoofdrol speelt in het rekruteren van strijders uit de Arabische wereld, de latere zogenoemde Arabo-Afghanen. En natuurlijk Osama bin Laden, met wie hij bevriend raakt en die hij als arts verzorgt. Met hem ervaart hij hetzelfde gevoel van woede wanneer de Amerikanen in de eerste Golfoorlog de heilige grond van Saoedi-Arabië gebruiken om Koeweit te bevrijden.

Een ander voordeel van Afghanistan is dat de overwinning op en de ineenstorting van de Sovjet-Unie het terrein van de jihad vergroot. Door in Bosnië, Tsjetsjenië en Kasjmir te vechten, leveren de Arabische moedjahedien volgens al-Zawahiri een essentiële bijdrage aan de islam door «een religieuze traditie (jihad) te laten herleven die lange tijd was verwaarloosd».

Dit optimisme wordt gevoed door het voorspoedige verloop van de islamitische beweging. In Soedan grijpt volgens het recept van al-Zawahiri in 1989 een islamitisch bewind de macht via een staatsgreep. In Algerije is in 1992 een oorlog uitgebroken die de staat niet kan winnen. En in Egypte raakt de Gama’at al-Islamiyya in een openlijk conflict met de staat.

Achteraf gezien is deze chaos na de Koude Oorlog slechts tijdelijk. Het is een kwestie van tijd voordat de Verenigde Staten hun hegemonie en controle over deze gebieden uitstrekken. Kan aanvankelijk al-Zawahiri’s reis met Osama bin Laden naar Soedan in 1992 nog uitgelegd worden als ondersteuning van het nieuwe Soedanese bewind, nadat de VS in 1996 het regime dwingen hen het land uit te zetten wordt duidelijk dat de Arabo-Afghanen steeds minder bewegingsruimte hebben. Dit begint in Bosnië. Langzaam maar zeker zullen alle gebieden waar de organisatie vrij kan opereren, worden gesloten. Al-Zawahiri ondervindt dat aan den lijve wanneer hij in Azerbeidzjan wordt gearresteerd en bijna wordt uitgeleverd aan Egypte. Alleen met hulp van Bin Laden komt hij met de schrik vrij.

De acties van al-Jihad in Egypte hebben evenmin succes. De aanslagen op een voormalige premier en de minister van Binnenlandse Zaken mislukken en hebben tot gevolg dat de gehele organisatie wordt opgerold. Wanneer in 1998 de rechtszaak inzake de «teruggekeerden uit Albanië» plaatsvindt — waarbij al-Zawahiri en zijn broer Muhammad, alsmede veertig van zijn medewerkers, in absentia ter dood worden veroordeeld — wordt de situatie uitzichtloos.

De verschuiving van externe vijand de Sovjet-Unie naar externe vijand de Verenigde Staten, met de oprichting van het Wereld Islamitisch Front in februari 1998, moet dan ook niet zozeer verklaard worden uit de kracht van deze organisatie maar eerder uit haar zwakte. Voor al-Zawahiri is de verschuiving een logische stap, omdat Amerika ook daadwerkelijk de vijand is die hij overal tegenkomt. Dat de Taliban toevallig twee jaar eerder de macht in Afghanistan overnemen, betekent de redding voor al-Zawahiri en zijn groep, die verder overal is verjaagd. De eerste directe confrontatie van het Front met de VS vindt plaats in augustus 1998 met het opblazen van de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania. Daarna volgt een aanslag op de USS Cole in Aden en ten slotte «9/11». De gevechten in de stamgebieden in Pakistan zijn een direct gevolg van de steeds grotere controle die de VS willen uitoefenen.

Hoewel al-Zawahiri na «New York» en «Madrid» om begrijpelijke redenen veel aandacht trekt, vergeet men dat in het Midden-Oosten inmiddels sterke tegenkrachten zijn opgestaan. In Egypte zelf is de gewapende strijd sinds het bloedbad na een aanslag op toeristen in Luxor in 1997 sterk in diskrediet geraakt. Sindsdien is de Gama’at al-Islamiyya «om» en noemt de leiding voormalig president Sadat zelfs een «shahid», die is gestorven in de interne strijd tussen moslims. In deze sfeer maakt de continue stroom veroordelingen door al-Zawahiri geen indruk meer.

Het isolement van al-Zawahiri blijkt ook uit iets anders. Veel van zijn vrienden die in de jaren zestig lid waren van zijn groep leggen zich nu toe op het oprichten van politieke partijen. Bijna unaniem veroordelen ze de politieke lijn die het Front heeft gevolgd. Niet alleen is deze oorlog niet te winnen, maar hij brengt ook de islam wereldwijd in diskrediet.

Wat ze wél hebben overgenomen van al-Zawahiri is de verschuiving van de strijd naar de «externe vijand». Zij het dat ze zich niet concentreren op de Verenigde Staten maar op Israël. Hiervoor hebben ze juist de Egyptische staat nodig. Tegen deze externe vijand is eenheid geboden en dus geen interne strijd volgens de theorie van Ayman al-Zawahiri, die juist verdeeldheid zaait.