Interview met Oliver Hilmes

Secreet, intrigante en femme fatale

De Duitse historicus Oliver Hilmes schreef twee boeken over de beroemdste weduwen uit de westerse cultuurgeschiedenis, Alma Mahler en Cosima Wagner. Een gesprek met de auteur in Berlijn.

De getalenteerde schoonheid die van echtgenoot Gustav Mahler een componeerverbod kreeg opgelegd en leed onder zijn absolutistische natuur dan wel zijn impotentie, de muze van Walter Gropius, Oskar Kokoschka en Franz Werfel, grande dame, femme fatale, martelares: de Alma Mahler-fabels zijn hardnekkig. Hoewel ze door sommigen wel degelijk werd gehaat – Theodor W. Adorno noemde haar ‘het monster’, de Oostenrijkse schrijfster Gina Kaus ‘de slechtste mens die ik heb gekend’ – maakten bewonderende ooggetuigen en minnaars als Werfel haar tot doelwit van hooggestemde liefdesbetuigingen. Werfel, die het van 1918 tot zijn dood in 1945 met haar wist uit te houden, kwalificeerde haar als ‘de schenkster van het leven, hoedster van het vuur’.

Dat ze met haar talent voor pr en intimiderende persoonlijkheid in niet onaanzienlijke mate aan die reputatie bijdroeg, blijkt uit de goed gedocumenteerde en bij alle objectiviteit nietsontziende biografie Witwe im Wahn van Oliver Hilmes (1971). Het boek laat zien hoe Alma in de jaren vijftig alles in het werk stelde om de ghostwriters van haar herinneringen haar zwartste kant te laten verbloemen: een diepgeworteld antisemitisme.

Het tekent de status quo in de Almakunde dat we, dankzij de grondigheid van zijn research, pas sinds Hilmes weten hoe virulent haar haat tegen de joden echt was. Waar eerdere biografen als Françoise Giroud zich lieten manipuleren door Alma’s zwaar gecensureerde autobiografie Mein Leben, wist Hilmes met behulp van nooit eerder geraadpleegde bronnen door te dringen tot haar weinig vreugdevolle wezenskern. Hun clou: dit was een teringwijf.

In de Van Pelt-bibliotheek van de universiteit van Pennsylvania vond Hilmes, opgeslagen in 46 archiefdozen, een ongelooflijke collectie brieven van onder anderen Alban Berg, Leonard Bernstein, Gerhart Hauptmann, Arnold Schönberg, Richard Strauss, Bruno Walter en Anton von Webern. Daarnaast stuitte hij op ongepubliceerde dagboeken respectievelijk typoscripten met het ruwe materiaal voor de autobiografieën Mein Leben en And the Bridge Is Love.

Hoe Alma zelfcensuur bedreef, beschrijft Hilmes in de inleiding van zijn boek. Giroud citeert in haar Alma-biografie een passage uit Mein Leben waarin de bestorming van het Weense paleis van justitie in de zomer van 1927 wordt beschreven. De weduwe kijkt afkeurend toe: ‘De intellectuelen zijn geleerden, kunstenaars, geldmensen (…), maar ze moeten van de politiek afblijven. Ze steken de hele wereld door hun fantasieloosheid in brand. De mensen zouden eindelijk eens een einde moeten maken aan hun wandaden, voordat het te laat is. Het intellectuele is in de politiek het ergste ongeluk voor Europa en Azië.’ De oerversie van dezelfde passage in de dagboeken onthult de gemaskeerde strekking van dit doelloze geraaskal. ‘Het onkruid van het jodendom schiet omhoog. De joden zijn vooraanstaande geleerden, kunstenaars, geldmensen, maar ze moeten van de politiek afblijven. Ze steken door hun fantasieloosheid de wereld in brand. De mensen zouden eindelijk eens een einde moeten maken aan hun wandaden – voordat het te laat is! De jood is in de politiek het ergste ongeluk voor Europa en Azië.’ Vooral wanneer hij te dichtbij kwam. Over Werfel schrijft Alma in januari 1924: ‘Mijn leven hangt innerlijk niet meer met het zijne samen. Hij is weer in elkaar geschrompeld tot een kleine, lelijke, vette jood, zoals mijn eerste indruk van hem al was geweest.’

Een intrigerend gegeven voor een biograaf: hoe is het mogelijk dat uitgerekend deze vrouw het bed deelde met prominente joodse kunstenaars als Mahler en Werfel? Zelfhaat? Sadisme? Of koesterde ze wellicht de hysterische overtuiging dat ze de joden van hun zonden kon genezen? De keerzijde van deze vraag is even plausibel: waarom nog een zesde biografie over een helse alcoholiste die, behalve een ‘paar mooie liederen’ (Hilmes), op artistiek gebied niets van waarde naliet en een spoor van ellende trok door vele levens? Wordt het niet tijd om haar voor eens en altijd te begraven? Hilmes’ biografie van het minstens zo antisemitische, even genadeloze monstre sacré Cosima Wagner (1837-1930) roept mutatis mutandis dezelfde vraag op.

Ik vraag het Oliver Hilmes wanneer hij, opgehouden door een file in het stadshart van Berlijn, zich uitputtend in verontschuldigingen, een kwartier te laat aanschuift in café Einstein aan de Kurfürstenstrasse. Maar eerst druk ik mijn verbazing uit over het feit dat hij, na 370 pagina’s analyse vol majestueuze verdorvenheid, toch nog in staat blijkt tot een min of meer genuanceerd, zelfs bijna welwillend oordeel over Alma Mahler-Werfel.

‘Heel simpel’, zegt Hilmes, ‘ik ben geen rechter, geen veroordelaar. Ik beschouw mezelf als een gids, die de lezer door een ondoorzichtige mist van bronnen leidt om hem helderheid te verschaffen over een gecompliceerde vrouw. In de bestaande biografische literatuur over Alma is de moraal te vaak dat Alma’s antisemitisme raadselachtig blijft, omdat ze relaties had met joodse mannen; dat vind ik een capitulatie. Ik zie het alleen niet als mijn taak Alma Mahler of Cosima Wagner te veroordelen. De lezer moet ze zelf kunnen beoordelen aan de hand van wat ik beschrijf. De generatie biografen voor mij bedreef nog vaak met opgeheven vinger Betroffenheitsliteratur door elke schandelijke uitspraak met gepaste morele verontwaardiging te becommentariëren. Maar ik hoef geen commentaar te leveren als ik Alma citeer over de lelijke, vieze vette jood Werfel met zijn gele vingers. Die uitspraak maakt ieder commentaar overbodig. Het is als met grappen: een grap die je moet toelichten is niet goed genoeg. Zo is het met bronnen ook.’

Inderdaad: ze spreken voor zich. En ze laten twee overheersende indrukken achter.

Eén: Alma was een secreet, een intrigante en een femme fatale, maar wel een van het soort dat mannen van kaliber intrigerend vakbekwaam van de kook kon brengen. Ook nadat de veelgeprezen schoonheid van het Weense fin de siècle was veranderd in een ‘aan alle kanten over haar japon puilende vrouw’ (Elias Canetti), een naar parfum en drank walmende ‘Walküre met vetbubbels’ (Claire Goll), bleef haar talent intact morele bezwaren tegen haar levenswandel tijdelijk lam te leggen. ‘Alma amusant’, schrijft de exilschrijver Thomas Mann na een Californische zuipavond met de weduwe vol schouderophalende welwillendheid in zijn dagboek.

Vaststelling twee: wat een kleurrijk, onverdiend rijk leven leidde deze vrouw. Afgezien van de voor de lezer steeds vermoeiender, want verbijsterend platte drank- en seksgelagen zijn er – jenseits von Gut und Böse – hartelijke contacten met groten der aarde, reizen in grootse stijl en een steeds indrukwekkender onroerend-goedcollectie, waar ze kunstenaars en staatslieden ontvangt zoals een koningin haar onderdanen. De Villa Ast op de Hohe Warte in Wenen, die het echtpaar Werfel dankzij Werfels vorstelijke revenuen en een donatie van zijn vader in 1931 kan betrekken, telt meer dan twintig kamers.

Momenten van geldgebrek en tragedies als de dood van de met veel vertoon van openbaar verdriet verloren dochter Manon Gropius doen geen afbreuk aan de indruk dat deze zwarte weduwe dankzij een uitgelezen teeltkeus heeft kunnen leven als een luis op een zeer hoofd. Wat blijft is de vraag waarvoor, behalve ten dienste van onmiddellijke behoeftebevrediging.

Daar wisten sommigen wel het antwoord op. Als Oliver Hilmes op de laatste bladzijden de balans opmaakt, citeert hij Werfels secretaris Albrecht Joseph, die zegt dat ze eigenlijk niets wezenlijks heeft gepresteerd. Ze heeft Mahler en Werfel niet ontdekt, Kokoschka en Gropius niet beïnvloed. Dat is natuurlijk de vraag. Maar Joseph raakt wel een zere plek. Hoe belangrijk was ze?

Voor Hilmes is het duidelijk. ‘Alma’s grote prestatie in het leven was dat ze haar eigen legende heeft geschapen. (…) Alma was al tijdens haar leven een mythe, een monument voor zichzelf – een projectiescherm waarop bewonderaars maar ook vijanden liefde en haat, aanbidding en afwijzing, fascinatie en afschuw konden projecteren.’

Is dat genoeg? Genoeg voor de eeuwigheid, en genoeg voor een biografie? Hilmes vindt van wel. ‘Dat Alma een echt intelligente vrouw is geweest, ik betwijfel het. Ze leek het, omdat ze grote mannen in staat stelde hun intellect op haar te projecteren – ze was een spiegel voor hun zelfbeeld. Dat is ook wat haar voor hen belangrijk maakte; ze kon mensen het gevoel geven dat ze iets voorstelden. En verder, tsja. Ze heeft in haar jeugd veel gelezen, maar dat was meer een kwestie van verslinden dan van verwerken. Ik heb niet de indruk dat ze Nietzsche heeft begrepen, en van Mahler snapte ze al helemaal niets. Wat ze over zijn muziek zegt, slaat vaak nergens op; denk aan die opmerkingen over de Zevende symfonie, waarin ze Mahler steeds hoort bellen met de Lieve Heer.’

Anderzijds.

‘Ze is natuurlijk wel een katalysator geweest’, stelt Hilmes vast, ‘iemand die in staat was sluimerend artistiek kapitaal te verzilveren. Ze heeft van Franz Werfel een romancier gemaakt; zonder haar zou zijn loopbaan totaal anders zijn verlopen, en zou hij niet bij benadering zo succesvol zijn geweest.’

Je zou ook van negatieve invloed kunnen spreken. In die zin dat ze Mahler in hun rampzalige huwelijk heeft gedreven tot de echtelijke wanhoop van de ‘Tiende symfonie’. Of dat de door zijn vrouw hardnekkig gekleineerde architect Gropius zich als oprichter van Bauhaus wellicht ook heeft willen revancheren voor de vernederingen waaraan ze hem blootstelde.

Oliver Hilmes: ‘Hoe dan ook heeft Albrecht Joseph, die over Alma’s rol denk ik vooral zo negatief is omdat hij haar niet mocht, ongelijk als hij beweert dat ze geen stempel heeft gedrukt op de kunstenaars met wie ze verkeerde. Bij Gropius is de beïnvloeding het minst zichtbaar, omdat architectuur Alma niet interesseerde. Ze kon hem ook moeilijk beïnvloeden, omdat hij zijn huwelijksjaren in de Eerste Wereldoorlog grotendeels in het leger doorbracht. Bij Kokoschka daarentegen zie je dat zijn werk tot 1919 door Alma’s aanwezigheid gedomineerd wordt; je vindt haar terug op veel van zijn doeken.’

Zit er systeem in haar mannen-cv? De indruk is dat het een patroon van actie en reactie vertoont, van het ene naar het andere uiterste. Van de maniakale Mahler naar de evenwichtige Gropius, van Gropius naar de krankzinnige Kokoschka, van jood naar niet-jood.

‘Dat klopt in die zin dat ze met Mahler ongelukkig was en Gropius een vlucht was uit haar huwelijk met hem. Ze moest zich als vrouw bewijzen en Gropius was een mannelijke, aantrekkelijke figuur – en een enorme vergissing. Bij Kokoschka lag dat anders. Die heeft haar geestelijk enorm aangetrokken, maar hij was te vreemd. Alma was voor gekke dingen in, maar de moordfantasieën die zijn seksuele beleving prikkelden, gingen haar echt te ver. Bij Kokoschka zou je van een licht gestoorde persoonlijkheid kunnen spreken: hun relatie was een dans op de vulkaan. Seks was voor haar sowieso niet zo belangrijk. Voor haar telde dat ze bewonderd wilde worden.’

Waren haar relaties met joden anders?

‘Alma had een voorliefde voor mannen die met hun joodse achtergrond niet in het reine kwamen. Werfel was zo iemand, net als Friedrich Torberg. Daar zou je ook een patroon in kunnen zien.’

Inmiddels publiceerde u eerder dit jaar ook een biografie van Cosima Wagner. Ook een zwaar antisemitische vrouw, ook een dominant en dubieus karakter, ook een prominente weduwe. Bestaat er zoiets als een weduwencomplex?

‘De dames zijn niet vergelijkbaar. Cosima was alleen de weduwe van Richard Wagner, Alma de weduwe van vele mannen. Het is ook niet zo dat ik expres twee boeken over sterke vrouwen schreef. In de eerste plaats moet ik altijd affiniteit hebben met de wereld waarover ik schrijf. Ik had iets met Mahler voor ik op Alma stuitte, en het is dankzij Mahler dat ik op haar kwam. Toen ik voor mijn dissertatie over de Mahler-receptie tot 1933 in Philadelphia onderzoek deed, vond ik daar het materiaal dat leidde tot het ontstaan van de Alma-biografie. Toen dat boek verscheen, kreeg ik van mijn uitgever het aanbod een nieuw boek te schrijven. Zo ben ik op Cosima gekomen, ook omdat er überhaupt geen serieus te nemen boek over haar was. Man of vrouw, het is me om het even. Hoofdzaak is: ik moet nieuwe ontdekkingen kunnen doen. Er moet een deklaag zijn die ik weg kan krabben, een patina dat ik kan bekrassen.’

Waar komt het antisemitisme bij Cosima en Alma vandaan? Heeft het dezelfde oorzaak, en manifesteert het zich op dezelfde manier?

‘Dat is een moeilijke vraag waar ik eerlijk gezegd niet zo over heb nagedacht. De moeilijkheid is dat je met twee totaal verschillende menstypen te maken hebt. Alma staat weliswaar met één been in de negentiende eeuw, ze is een twintigste-eeuwse vrouw; Cosima een negentiende-eeuwse. Hun achtergronden verschillen enorm. Cosima groeit in de jaren veertig van de negentiende eeuw op in Parijs, onder leiding van een strenge gouvernante; Alma in een vrijgevochten, artistiek bohèmemilieu, de wereld van Loos en Klimt. Een ander belangrijk verschil is dat Cosima het lijden aan het leven cultiveert, er zelfs een eredienst van maakt, waar Alma het bestaan meer toegenegen is. Wel denk ik dat bij beiden het antisemitisme een vorm van zelfbevestiging is. De overeenkomst tussen deze vrouwen is dat ze zich leeg, klein en onbelangrijk voelen en dat gebrek aan zelfrespect compenseren door af te geven op een bevolkingsgroep die maatschappelijk nog lager staat dan zij. De parallel is dus dat hun antisemitisme berust op een gestoorde relatie met het ik.’

Oliver Hilmes, Alma Mahler-Werfel: De biografie_, vertaald door Irving Pardoen, De Arbeiderspers, 423 blz._

Oliver Hilmes, Herrin des Hügels: Das Leben der Cosima Wagner, Siedler, 493 blz.