Ger Groot

Secundair

Een spotprent van de Franse tekenaar Sempé laat de etalage van een boekhandel zien, gevuld met titels als Proust perdu, Flaubert l’inachevé en Balzac inconnu. Literatuur gaat tegenwoordig alleen nog maar over andere literatuur, is de boodschap. Het pessimisme van de titels weerspiegelt de melancholie over zo veel gebrek aan originaliteit. De beschaving is moe geworden, de zon gaat onder en de schaduwen worden langer, schrijft George Steiner in het begin van zijn laatste boek Grammatica van de schepping (uitg. De Bezige Bij).

Zestig jaar geleden beschreef Hermann Hesse die somberheid al in zijn roman Het kralenspel. In een toekomstige samenleving is creativiteit teruggebracht tot het bijeenknutselen van steeds weer nieuwe combinaties wat al geschapen is. De resultaten zijn even bekoorlijk als steriel, totdat de Grootmeester van dit spel opnieuw zelf poëzie gaat schrijven — en zelfmoord pleegt.

Steiner zwelgt graag in doemfantasieën, misschien vanuit het kwade geweten dat ook zijn oeuvre grotendeels secundair is. Voor de verleiding zich als literator te rehabiliteren door zich als romancier op te werpen is ook hij in elk geval niet bezweken. Een echte schrijver word je tenslotte pas als je een roman op je naam hebt, verzuchtte de Franse cultuurtheoreticus Marc Fumaroli tijdens een colloquium in het Collège de France.

Fumaroli was daar niet gelukkig mee. Creativiteit beperkt zich niet tot het scheppen van een wereld «uit niets», zoals een roman voorgeeft te doen. Maar literaire studies mogen alleen nog maar zo heten omdat ze over literatuur gaan; evenmin als essays en geschiedenisboeken mogen ze het zelf nog zijn. Door de roman uit de literatuur verjaagd, worden ze aan de andere kant opgezogen door het academische bedrijf, waarin ze prompt door een totale stijlverwaarlozing moeten bewijzen hoe wetenschappelijk ze wel niet zijn.

Het essayistisch middengebied tussen beide blijft intussen als braakland achter en verdwijnt ten slotte in de kloof tussen de twee culturen waarover C.P. Snow zich ooit beklaagde. En toch is de secundaire literatuur onmisbaar, schrijft Michel Zink in het voorwoord van de bundel L’oeuvre et son ombre (Ed. de Fallois) waarin de bijdragen van het Parijse colloquium zijn gebundeld. Ze is misschien niet meer dan de schaduw van de grote primaire werken waar ze over spreekt. Maar in haar tekenen de contouren daarvan zich wel scherper en naarmate de zon verder daalt steeds eigenzinniger af.

En zo wordt ze vanzelf weer origineel, of beter gezegd, wordt haar de originaliteit teruggegeven die de laatste eeuwen voor de roman was gereserveerd. Ten onrechte, want ook die laatste is nooit oorspronkelijk geweest. De Don Quixote ging al terug op een Arabisch voorbeeld en Cervantes had er geen enkele moeite mee dat te erkennen. Pas toen de schrijver in de Romantiek een God in het diepst van zijn gedachten werd, moesten zijn scheppingen «uit niets» ontspringen. Zo schiep God immers ook zelf.

Steiner lijkt daarvan nog altijd overtuigd te zijn, maar hij zou beter moeten weten. Toen God schiep, was de aarde — zegt de bijbel — woest, «nog niks», maar niet «niets», zoals de theologie ervan gemaakt heeft. De duisternis werd boven de afgrond verjaagd en de chaos geordend; de schepper maakte iets nieuws van wat er al was. Ook hij speelde zijn kralenspel, maar aan zijn creativiteit ontsprong een resultaat dat niet alleen maar wezenloos-bekoorlijk was.

Wat Steiner als de ondergang van de cultuur ziet, is in werkelijkheid die van de schrijver-god die in z’n eentje alles voortbrengt. Onder zijn pretenties splitst de cultuur zich vanzelf in tweeën. Tegenover de scheppers staan de napraters en de eerste eist de primaire plaats op als zijn goddelijk recht. Zo werd mét de geniecultus en na de ornamentele wegdeemstering van de poëzie de roman vanzelf het soevereine literaire genre.

Maar zelfbevruchting wordt gemakkelijk steriel en zelfs genieën zijn voor God niet in de wieg gelegd. Terwijl hun zon daalt, wordt de slagschaduw van de «secundaire» genres steeds groter en eigenzinniger, om opnieuw samen te vallen met de scheppende, in het schemerduister waarin de liefde bloeit. Met een zon is het nu eenmaal lastig vrijen en vruchtbaar is ook een genus nooit alléén. Wie het scheppingsverhaal heeft gelezen, weet dat.