Gloria Wekkers pleidooi voor bondgenootschap

‘Seize the moment’

White Innocence, Gloria Wekkers ‘etnografie’ van Nederland, heeft veel stof doen opwaaien. Er blijkt nog een hoop werk te verzetten, maar zoals je gesocialiseerd kunt worden in witte onschuld, zo kun je er ook vanaf komen.

Medium anp 46384529
Amsterdam, 30 juni. In het Oosterpark wordt het slavernijverleden van Nederland herdacht. © Maarten Brante / ANP

Gloria Wekker, de Utrechtse hoogleraar die dit voorjaar met emeritaat ging en min of meer gelijktijdig haar boek White Innocence publiceerde, vond zichzelf terug in het midden van een orkaan van aandacht en belangstelling. Wanneer we haar spreken in haar woning in Amsterdam-Zuidoost, mijmert ze aan het eind van het gesprek dat ze ergens ook blij is dat de hype rondom haar werk nu plaatsvindt: ‘Dit is waar iedere academicus van droomt, dat je een boek schrijft en iedereen met je wil praten. Maar ik ben blij dat het niet gebeurd is toen ik dertig was. Het is nogal overweldigend.’

Hoewel Wekker al sinds haar promotie aan de University of California Los Angeles (ucla) als antropoloog naam maakte, is ze pas sinds kort bekend bij het grote publiek. De boekpresentatie van White Innocence vond eind mei plaats in een afgeladen Tropenmuseum in Amsterdam, waar de eerste exemplaren werden overhandigd aan Quinsy Gario, Job Cohen en een stoet achterneefjes en -nichtjes in alle kleurschakeringen. Er hing haast een sfeer van opluchting. Mensen zeiden: eindelijk wordt met autoriteit gezegd en voor waar aangenomen wat ik altijd al vermoed, gedacht of gevoeld heb.

Wekker ontvangt ons in haar woonkamer, in een van de nieuwe Bijlmerflats. De grote ramen kijken uit op de oude flats, waar doe-het-zelvers voor een relatieve habbekrats een kluswoning konden kopen. ‘Het is heel leuk wat ze daar gedaan hebben’, zegt Wekker. Verspreid door de woonkamer staan stapels boeken, en tegen de wanden en boekenkasten schilderijen. Op de salontafel een grote verzameling ingelijste foto’s, portretten van familieleden, maar ook van persoonlijke helden. Als Wekker vertelt over hoe ze actief werd in de vrouwen- en lesbische beweging, midden jaren zeventig, wijst ze op het portret van Audre Lorde. ‘Begin jaren tachtig ben ik met drie andere zwarte lesbische vrouwen een literaire salon gaan organiseren: Sister Outsider, naar het boek van Lorde. We lazen werk voor, poëzie en proza, en we hebben Audre ook twee keer in Nederland uitgenodigd, in 1984 en 1986. Vervolgens ben ik naar Amerika gegaan om te promoveren.’

Wekkers keuze om te promoveren in de Verenigde Staten kwam niet uit de lucht vallen. Voordat ze in de jaren tachtig naar Los Angeles verhuisde had ze er al eerder een jaar doorgebracht, aan het eind van de jaren zestig. ‘Ik was zeventien en had het gymnasium in Nijmegen afgerond. Ik had een beurs aangevraagd bij de American Field Service om een jaar naar de VS te gaan. Ik kwam in huis bij een witte methodistische familie in het stadje Normal, Illinois – witte vader en moeder, witte kinderen. Ik ging daar een jaar naar high school om de laatste klas te doen. Het was de eerste keer dat ik naar school ging met jongens. Ik heb altijd op meisjesscholen gezeten, en het was dus een behoorlijke shock. Bovendien was het de eerste keer dat ik met zwarte medestudenten op school zat. Het waren er niet veel, en ook niet op de leerweg waarin ik zat – de meeste zwarte jongens zaten in het deel van het gebouw waar je werd opgeleid tot automonteur of timmerman.

In Normal had ik één vriendin, Linda, een zwart meisje. Dat was de eerste zwarte vriendin in mijn leven. Ik kwam bij haar thuis en we luisterden naar mooie zwarte muziek – Aretha Franklin en Four Tops, ik vond het geweldig. In het voorjaar van 1969 kwam Jesse Jackson een lezing houden op de lokale universiteit, Bloomington State University. Dat heeft mijn leven veranderd. Er stonden Black Panthers, vooraan in de aula, en die zeiden: “Zwarte mensen moeten vooraan zitten, witte mensen achteraan.” Omdat Linda naar voren ging, heel vanzelfsprekend, ben ik met haar mee gelopen. Op dat moment had ik zelf echter volstrekt geen idee van wat ik was.

Van de enorme politieke onrust in het land kreeg ik wel wat mee, maar ook niet heel veel. Ik was met name voordat ik vertrok bang: er gebeurde daar van alles. Martin Luther King was net vermoord, en in dezelfde periode werd ook Bobby Kennedy neergeschoten. In de krant stonden berichten over rellen, dus ik durfde niet meer te gaan. De American Field Service schreef me echter een brief dat ik moest: ik had me erop vastgelegd, dus ik ging. De overtocht met de boot, de Statendam, was een reis van drie weken. Ik zat er met jonge mensen uit heel Europa. ’s Avonds werden op het schip films vertoond. Een van die films was net uit: In the Heat of the Night, met Sidney Poitier als zwarte detective die een moord moet oplossen in een zuidelijk stadje. Dat maakte mijn vrees haast nog erger’, lacht Wekker.

‘Eenmaal op school in Normal kreeg ik er echter in het dagelijks leven weinig van mee, behalve bij één gebeurtenis: the prom. Het grote bal was een rite de passage, en iedereen was in staat van grote opwinding, want je moet door een jongen gevraagd worden. Nu was het zo dat ik heel lang niet gevraagd werd. Op zich vond ik dat niet zo raar; hoewel ik een heel aantal jongens in mijn omgeving had, gewoon vrienden, trok ik toch vooral op met meisjes. Op zaterdag gingen we toeren in van die grote Amerikaanse auto’s waar je met z’n vieren op de voorbank kon zitten, en dan reden we naar de hamburgertent en draaiden keiharde muziek – een hele stoet achter elkaar, en drinken; Southern Comfort.

Enfin, ik was dus nog steeds niet gevraagd, en daar was enige onrust over, ook bij mijn gastgezin. Ze maakten zich zorgen dat ik helemaal niet naar de prom kon en uiteindelijk is er toen voor mij een jonge man gecharterd – een witte jongen. Pas later, veel later, heb ik kunnen reconstrueren wat er aan de hand was. Er ontstond namelijk een soort crisissfeer, maar op dat moment kon ik niet plaatsen waarom. Ik liep misschien wat achter in mijn ontwikkeling: bewustzijn van de omgangsvormen van gender had ik niet zo, maar het was dus blijkbaar belangrijk dat je als meisje door een jongen gevraagd werd. Wat toen nog erg ongebruikelijk was: ik werd door een witte jongen gevraagd. Er speelden allerlei aspecten van gender, ras, klasse en seksualiteit door elkaar, en het moet ook voor de gastfamilie ongemakkelijk zijn geweest – dat er zo weinig zwarte jongens op school zaten, dat ze niet iemand uit de monteursklas konden vragen, en het dus het een witte jongen werd. Dat is later mijn vak geworden – ik heb me altijd beziggehouden met de assen van verschil die elkaar wederzijds construeren, en elkaar mogelijk maken: gender, klasse, ras, etniciteit en seksualiteit. Die jeugdige ervaring is vormend geweest.’

De beslissing om later in de Verenigde Staten te promoveren nam Wekker vooral vanwege het verschil tussen de promotietrajecten in Nederland en de Verenigde Staten. In Nederland was er geen aanbod of expertise beschikbaar om Wekkers gewenste promotieonderzoek te begeleiden. Ze wilde zich verdiepen in de zwarte, oorspronkelijk uit Afrika afkomstige diaspora. Ze schreef beurzen in de Verenigde Staten aan, en werd prompt aangenomen bij alle drie de universiteiten waar ze zich had gemeld: Berkeley, ucla en Howard University. Na een bezoek in het voorjaar van 1987 aan Berkeley en ucla koos ze voor Los Angeles. ‘Ik vond het een verademing om in Amerika te wonen. Er kon over ras gesproken worden. In Nederland ontbreekt het vaak aan een discours om er überhaupt iets over te zeggen.’

‘Al die makkelijk klinkende tegenargumenten werken slechts om het onschuldige zelfbeeld in stand te houden’

Het is, merkt ze op, overigens nog steeds moeilijk in Nederland om ras te bestuderen op de manier die ze graag ziet: ‘Als je ras wil bestuderen, kun je beter naar Amerika gaan. Daar heeft het me nooit moeite gekost om aan fondsen te komen.’

Wekker is een pionier in haar vakgebied. Ze ontving de Ruth Benedict Prize van de American Anthropological Association voor haar monografie The Politics of Passion (2006), over de seksuele cultuur van vrouwen in de Afro-Surinaamse diaspora. Recent nog, vertelt ze, ontving ze op een symposium aan Yale University een hommage van studenten die zonder haar methodologische ideeën hun eigen onderzoek niet hadden kunnen doen. In Nederland is de persoonlijke stijl die ze kiest in haar onderzoek echter vaak punt van kritiek. Wekker wijst erop dat ze een vorm van antropologie bedrijft die, sinds het werk van de Amerikaanse antropoloog Margaret Mead in de jaren twintig, in een lange academische traditie staat. Het gaat erom ‘dat je jezelf als antropoloog niet tussen haakjes zet’.

‘Jij bent zelf het gevoelige instrument dat anderen bestudeert. Het gaat niet aan om te doen alsof je een soort God bent. Je staat midden tussen de mensen. Jij bent het instrument dat kijkt. Voor mensen die meer positivistisch zijn ingesteld kan dat de toets der kritiek niet doorstaan. Maar in de kritische wetenschappen is die positivistische houding nu juist onhoudbaar. Men doet er alsof de persoon van de onderzoeker er niet toe zou doen. Dat het niet uitmaakt of ik er ben, of jij.’ Wekker wijst, en vervolgt: ‘Terwijl – volgens mij gaat het erom dat je jezelf situeert: het gaat om positionaliteit. “Dit ben ik, ik kijk op deze manier, dit is belangrijk voor me.” Positivistische wetenschap kan daar niet mee omgaan. Enerzijds maak je jezelf dus kwetsbaar; anderzijds heeft die methode mij ontzettend veel goeds gebracht. Er is niets dat ik daarin betreur, in die zin.’

De positie van Wekker is niet eenvoudig. Waar houdt wetenschap op en waar beginnen andere genres? Waarin schuilt nog het verschil tussen wetenschap en, bijvoorbeeld, een genre als journalistiek of zelfs de romankunst? ‘Ik vind het belangrijk dat ik mijn ervaringen opschrijf, omdat ik er heilig van overtuigd ben dat die belangrijk zijn. Ervaringen hebben waarde, en die moet je analyseren. Dat is wat je ziet in de kritiek – mensen werpen mij voor de voeten dat ik niet wetenschappelijk zou zijn. Ik waag het daarover van mening te verschillen. Ik heb een andere opvatting over wetenschap, en de kern daarvan is dat ik een andere kijk heb op objectiviteit. Objectiviteit is, geloof ik, niet het buitenspel plaatsen van wie jij bent. Integendeel, het is rekenschap geven van je subjectiviteit en van hoe je kijkt.’

Toch hangt de kwetsbaarheid van die geëngageerde methode voortdurend boven haar werk en is ook zichtbaar in Wekkers beslissing om haar boek in het Engels te schrijven. ‘Ik heb White Innocence geschreven om onderdeel te zijn van een wetenschappelijk debat en om voor een debat in verschillende landen van betekenis te zijn. Dat is een van de redenen om het boek in het Engels te schrijven. Maar ik heb ook gezien wat er met Philomena Essed gebeurd is. Zij publiceerde Alledaags racisme in het Nederlands, en werd neergesabeld. Ik heb geen zin om mijn kop gewillig op het blok te leggen in Nederland. Het komt als een soort verrassing voor me, eerlijk gezegd, dat het zoveel aandacht krijgt. Kennelijk spreekt het een grote groep aan.’

Small opening 20gloria 20wekker 20010616 20lenny 20oosterwijk 20 c2 a9 20k4b5114
Gloria Wekker – ‘Ik vond het een verademing om in Amerika te wonen. Er kon over ras gesproken worden’ © Lenny Oosterwijk

Met White Innocence schreef Wekker een ‘etnografie’ van Nederland. Ze is daarin bewust eclectisch en interdisciplinair. Haar methode is intersectioneel: in haar analyse betrekt ze ras, gender, klasse en seksualiteit. Ze doet studies naar het westelijke en oostelijke deel van het voormalige koninkrijk en toont het belang van zowel het centrum als de marge voor een juiste analyse van de hedendaagse Nederlandse identiteit. Wekker gebruikt verschillende methoden, van de psychoanalyse tot de sociologie, gepresenteerd door haar eigen, observerende blik. Dat maakt het een complex, maar toch toegankelijk boek.

Centraal in White Innocence staat de term ‘cultureel archief’, die Wekker overneemt van Edward Said. ‘Said schreef, toen hij die term muntte, over West-Europa. Hij heeft het over westerse naties en de literaire cultuur van de negentiende eeuw, en over hoe die de geesten rijp maakt om kolonisator te worden. Wat ik daarmee doe, is dat ik zeg dat het culturele archief een bewaarplaats is van referentiekaders die gedurende vierhonderd jaar tot stand gekomen zijn, vierhonderd jaar kolonialisme.

De oorspronkelijke groep waar dat archief betrekking op had, waren mensen uit de kolonies, en met name zwarte mensen. Maar het wil er bij mij niet in dat het culturele archief een heel scherp onderscheid maakt dat zegt: dit zijn zwarte mensen, en dan heb je ook nog Indo’s, en Turken en Marokkanen. Mijn studie gaat niet specifiek over Turken en Marokkanen, maar het zou me verbazen als het culturele archief daar niet op van toepassing zou zijn. Dat moet meer bestudeerd worden. Deels zal het een ander beeld geven: zwarten worden veel meer geassocieerd met seksualiteit, kracht en domheid. Terwijl Turken en Marokkanen geassocieerd worden met redeloosheid, barbaarsheid, dat soort begrippen. Maar ik zie het niet als waterdichte schotten die er tussen die vooroordelen zitten.’

‘De dominante manier om met raciale verschillen binnen relaties om te gaan, is het er niet over te hebben’

Gloria Wekker werd gevormd door schrijvers uit de Verenigde Staten: van James Baldwin tot en met Nikki Giovanni en Audre Lorde. Net zoals de nieuwe generatie antiracisme-activisten, waar Atlantic-journalist en schrijver Ta-Nehisi Coates op veel aandacht kan rekenen. Een van de steeds terugkerende kritiekpunten op de anti-racismebeweging in Nederland is dat men te veel door een Amerikaans prisma zou kijken. Wekker stelt dat ze er niet per definitie bezwaar tegen heeft om de helden uit de Verenigde Staten ook tot ‘onze’ helden te maken, maar dat het ook belangrijk is te kijken naar de geschiedenis van zwarten die in Nederland vooropliepen.

‘Laat me een voorbeeld geven: iemand als Otto Huiswoud, van wie nooit iemand heeft gehoord, een zwarte communist die op en neer reisde tussen de VS en Nederland. Hij is ook erg betrokken geweest bij de Vereniging Ons Suriname. Waarom nemen we hem niet als voorbeeld? En zo zijn er meer zwarte Nederlanders die een belangrijke rol in de geschiedenis van Nederland gespeeld hebben. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, bijvoorbeeld, had de Universiteit Leiden een zwarte rector magnificus, Paul Christiaan Flu.’

Paul Christiaan Flu werd in 1938 rector magnificus. Hij verzette zich tegen de steeds verdere inperking van de onafhankelijkheid van de universiteit door de nationaal-socialisten. In 1942 werd hij onder huisarrest geplaatst en in 1944 werd hij naar een concentratiekamp gedeporteerd. Hij overleefde het kamp, maar stierf een paar maanden na de oorlog alsnog.

‘Die figuren zijn nauwelijks onderdeel van ons collectieve geheugen. Ik vind het niet per se erg dat die Amerikaanse helden tot voorbeeld gesteld worden, maar het is niet zo dat we niet onze eigen helden zouden kunnen hebben. En de kritiek dat het idioom niet toepasbaar is in Nederland, omdat zij een heel andere geschiedenis hebben, van slavernij tot Jim Crow en politiegeweld – I’m not too impressed. Het verraadt precies de witte onschuld waarover ik schrijf. Mijn punt is juist – of slavernij nu in het binnenland plaatsvond of ver van hier – het heeft sporen achtergelaten. En er zullen verschillen zijn, net als overeenkomsten, in de vormen van slavernij en kolonialisme, maar zullen we dat dan uitzoeken, in plaats van vooraf als axioma te hanteren dat er überhaupt geen probleem is? Dus daar word ik een beetje chagrijnig van; dat het kan staan als argument zonder dat het bestudeerd is. Al die makkelijk klinkende tegenargumenten werken slechts om het onschuldige zelfbeeld in stand te houden. We moeten kijken naar de bereidheid om dat zelfbeeld kritisch te bevragen, en niet van tevoren allerlei dingen in stelling brengen waardoor we toch wel vrijgepleit worden.’

Ze merkt ook op dat de progressieve witte onschuld misschien nog wel hardnekkiger is dan the garden variety. ‘Het is meer zelf-feliciterend, en draait om de gedachte: wij doen niet aan racisme. Als er feiten aangetroffen worden die op het tegendeel wijzen, dan is de reactie nog schriller.’

Wekker betwijfelt of het mogelijk is te ontsnappen aan witte onschuld. Zelfs voor de mensen die oprecht, na enig zelfonderzoek, tot de conclusie komen dat ze alleen maar goede intenties hebben en het gevoel hebben dat ze het linksom of rechtsom alleen maar verkeerd kunnen doen. ‘Ik begrijp dat mensen ermee worstelen en zeggen: damned if you do and damned if you don’t. Maar ik vraag dan: wie is degene die het kan beoordelen? Er is een parallel met de vrouwenbeweging. Kun je als man tegen een vrouw zeggen: “De rest allemaal wel, maar ik ben niet seksistisch”? Mijn punt is: is hij degene die mag oordelen? Als je werkelijk te goeder trouw bent, dan leg je dat voor. Uiteindelijk gaat het daarom, dat we het gesprek aangaan. Ik vind het onvoldoende te zeggen: “Maar ik lijd niet aan witte onschuld.” Want hoe zou je daar aan ontkomen zijn? Welk wonder Gods heeft zich aan jou voltrokken? Je moet daar toch voor vechten, je moet daar je best voor doen, dat komt je niet zomaar aangewaaid. Ik heb dat toch ook niet op een dienblad aangereikt gekregen? Ik word er ook beroerd van als ik daar lang over nadenk, dus ik vind het een beetje te gemakkelijk om dat zo van jezelf vast te stellen.

Maar witte onschuld is natuurlijk niet onoverkomelijk. Ik denk dat zoals je gesocialiseerd kunt worden in witte onschuld je er zo ook vanaf kunt komen. Dat moet ik denken. Anders leg ik het liefst mijn hoofd nu neer. Je kunt een bondgenoot zijn, maar dat moet je ook leren. Ik geloof overigens ook niet dat als je toevallig een zwarte huidskleur hebt je niet aan witte onschuld lijdt. Je lijdt eraan, totdat je er iets aan gaat doen. Die huidskleur is niet iets wat dingen naar binnen projecteert, witte onschuld loopt dwars door alle bevolkingsgroepen heen. We moeten er allemaal aan werken; iedereen moet zich afvragen: welk rugzakje met privileges heb ik en wat ga ik ermee doen?’

Wat wellicht ongemakkelijk blijft aan het ideaal van bondgenootschappen is dat het de universalistische positie opgeeft; er lijkt geen laag boven te zitten, waar een nieuwe eenheid is. Bondgenootschap impliceert, uiteindelijk, ook onverenigbaar onderscheid. Voor Wekker is dat echter de kern van de zaak. ‘Ik ben niet voor kleurenblindheid. Dat is het Franse model: we doen net alsof we geen kleur zien, we doen net alsof we geen verschil zien tussen genders, homo’s en hetero’s. Ik denk dat het er juist om gaat dat je dat verschil ziet en dat je niet doet alsof het er niet toe doet terwijl het dan onderaards zijn werk kan doen. Ik ben ervoor dat we die verschillen onder ogen zien en dat we ras-specifiek en gender-specifiek zijn, maar niet racistisch en niet seksistisch. Ik vind niet dat we die verschillen moeten uitwissen, die verschillen zijn er en die hebben waarde. Het moet alleen niet zo zijn dat verschil uitsluitend gevat kan worden in hiërarchische positioneringen.’

Toch blijft de discussie ingewikkeld. Waar het bondgenootschap uitblijft, kan ook iets ontstaan wat neerkomt op een strijd om invloed tussen minderheden, of zelfs sektarisme. Het gesprek komt op het verwijt dat Tofik Dibi maakte aan sommige van zijn moslimbroeders na de terreuraanslag op een gay-club in Orlando, dat zij geen steun uitspraken aan de slachtoffers. Hij kreeg teruggekaatst dat hij zich gedroeg als een ‘huismoslim’: de in gif gedoopte term voor slaven op de plantages uit de achttiende en negentiende eeuw die onder het dak van hun eigenaar werkten, en soms hielpen om de slaven op het veld eronder te houden.

Aiaiai’, zegt Wekker, ‘dus het komt erop neer dat het hun zaak niet is, omdat het morele appèl deel te nemen aan een herdenking voor de vermoorde homo’s alleen een manoeuvre is om moslims verder te marginaliseren, en dat moslims daar dus niet aan mee zouden moeten doen? Lastig. Ik blijf erbij dat het aangaan van bondgenootschappen de weg voorwaarts is. Ik vind het belangrijk dat groepen van kleur in Nederland zich sterk maken. Ik denk echter ook, alleen getalsmatig is dat al zo, dat je bondgenootschappen met witte Nederlanders nodig hebt om verder te kunnen komen en een beweging te vormen die echt verandering teweeg zal brengen. Dat is ook kwalitatief. Pas als verandering in bredere kring noodzakelijk geacht wordt, komt er beweging. Het feit, als je kijkt naar het Zwarte-Pietdebat, dat zwarte mensen het afwijzen brengt nog niet zo veel in beweging. Het is pas als witten het ook gaan zien, dan veroorzaakt die steen echt rimpelingen in de vijver. Dat klinkt pragmatisch en het veegt zeker niet weg dat er aan de kant van de witte bondgenoten zwaar werk aan de winkel is. Het gaat ook over mijn eigen familie: ik heb witte familieleden. Ik kan mij dus geen houding voorstellen waarin ik zeg: “Nee dit is ons ding en wij willen met jullie niets te maken hebben.” We zijn ertoe gehouden om met elkaar samen te leven, dus we moeten dat doen op een manier die zo goed mogelijk is.’

Die worsteling kan ook zeer persoonlijk zijn. Wekker verwijst naar het proefschrift van Dienke Hondius, die heeft geschreven over gemengde relaties. ‘Ik vind dat machtig interessant. De dominante manier om met raciale verschillen binnen relaties om te gaan, is het er niet over te hebben. We doen net of het er niet is. Ik vind dat echt onthutsend. Thuis is toch waar je veilig zou moeten kunnen zijn? Waar iemand zijn wapenen aflegt? Dus ja, bondgenootschap, maar als je het er niet over hebt, hoe dan? Ik vraag me af of het mogelijk is om op persoonlijk niveau met elkaar in het reine te komen, wat al die geschiedenissen betreft, zonder dat er maatschappelijk ook pogingen worden gedaan tot heling te komen. Maar we zijn er niet in getraind om dat soort gesprekken te voeren.’

Toch is Wekker, uiteindelijk, optimistisch. Ze droeg White Innocence op aan een nieuwe generatie antiracisme-activisten. De jaren sinds de multiculturele samenleving werd doodverklaard, waren zwaar. ‘Het is lang bijna onmogelijk geweest in het verbale geweld van “zeggen wat je denkt” om racisme aan de orde te stellen. In het multiculturalisme-debat was dat nauwelijks een standpunt dat je met enige legitimiteit kon innemen. Maar nu zitten we in een moment waarin het weer mogelijk is. Ik ben blij met die jongerenbewegingen die vinden dat het debat te eenzijdig geweest is – dat het een soort schijndiscussie geweest is waarin alleen maar heel extreme standpunten ingenomen zijn en waar uiteindelijk het rechts-populistische standpunt zich als een inktvlek over links heeft uitgebreid. Nu is er weer ruimte, maar er is nog een lange weg te gaan. Seize the moment, zoals Amerikanen zeggen. Ik hoop dat het mogelijk is dat er meer stemmen gehoord kunnen worden. Dit moment kan ons in ieder geval niet meer afgenomen worden.’