De terugkeer van het Franse lied

Seks, wijn & ’n chanson

Het Franstalige luisterlied leek lang op z’n retour, maar beleeft de laatste tien jaar een opleving. Ook in Nederland begint het zijn stoffige imago te verliezen, en niet alleen dankzij de erotiserende zuchtmeisjes van Serge Gainsbourg.

Zolang Juliette Gréco nog zingt, is ook het Franse chanson niet dood. Haar 85ste verjaardag vierde ze begin februari met een optreden in het Parijse Théâtre du Châtelet. Twee weken eerder verscheen haar nieuwste cd Ça se traverse et c’est beau. Schrijvers Philippe Sollers en Amélie Nothomb schreven er teksten voor, zoals vroeger Jacques Prévert, Françoise Sagan en Jean-Paul Sartre dat deden, naast alle grote chansonniers: Trenet, Brassens, Ferré… La Gréco was in 1952 de eerste die een lied van de eveneens nog altijd actieve Charles Aznavour (87) tot een hit maakte. Twee jaar daarna zong ze Le diable (Ça va) van de nog volkomen onbekende Brusselaar Jacques Brel; eind jaren vijftig was ze een van de ontdekkers van Serge Gainsbourg. Als geen ander belichaamt Gréco de naoorlogse jaren van het existentialisme, toen Parijs en vogue was bij iedereen die zich artistiek en antiburgerlijk voelde. In het bijzonder de wijk Saint-Germain-des-Prés met zijn sfeervolle keldertjes, waar troubadours, schrijvers en jazzmusici elkaar inspireerden. Onder hen ook veel zwarte Amerikanen zoals Miles Davis, met wie Gréco een relatie had.

In die jaren kreeg het Franse chanson de grote internationale reputatie die zeker tot in de jaren zeventig intact bleef. Het bood een alternatief voor de ritmische popmuziek, die zich met haar viriele elektrische gitaren en strakke drumpartijen vooral op het swingende onderlichaam richtte. In het chanson lag de nadruk meer op de poëtische teksten, hoe melodisch en soms ongeremd romantisch de daarop afgestemde muziek ook was. Jammer dat tegenwoordig nog maar zo weinig Nederlanders die teksten kunnen volgen.

De Franse overheid doet wat ze kan om de Anglo-Amerikaanse culturele dominantie tegen te gaan. Al jaren is bij wet bepaald dat in eigen land minstens veertig procent van de op de radio gedraaide muziek Franstalig moet zijn. Wereldwijd moet de Alliance Française haar taal en cultuur verspreiden. De Nederlandse afdeling organiseert jaarlijks het Concours de la Chanson. Momenteel worden her en der in het land de voorrondes gehouden, op 13 mei is de finale in de Schouwburg van Amstelveen. Oud-deelnemers als Wende Snijders, Philippe Elan en de band Alderliefste braken door dankzij dit Concours. Deden in de beginjaren vooral veel leraren Frans mee, tegenwoordig zijn het merendeels jongere artiesten en bandjes. Ze moeten drie Franstalige liedjes zingen. Toch gaat hun voorkeur meestal uit naar chansons uit het klassieke tijdperk, die ze kennen uit de platenkast van hun ouders. Edith Piaf, Brel, Gainsbourg en Yves Duteil. Om ook modern repertoire een kans te geven, is in de wedstrijdvoorwaarden opgenomen dat minstens één van chansonniers wier werk wordt vertolkt na 1970 moet zijn geboren.

Het zal de deelnemers nog niet meevallen aan die laatste voorwaarde te voldoen. In het eind vorig jaar bij De Bezige Bij verschenen Chanson: Een gezongen geschiedenis van Frankrijk komen nauwelijks jongere Franse liedschrijvers voor. De 39-jarige auteur Bart Van Loo verontschuldigt zich voor in zijn boek bijna voor het feit dat hij als tiener gecharmeerd was van eigentijdse Franse zangers als Jean-Jacques Goldman en Francis Cabrel. Vervolgens heeft hij het vooral over de grote namen uit de periode vóór 1980. Het is een onderhoudende potpourri, vol petit histoire en aardige details. Zo memoreert hij dat de klassiekers La mer (Charles Trenet) en Les feuilles mortes (Jacques Prévert/Joseph Kosma) aanvankelijk niks deden in Frankrijk, dat gebeurde pas nadat het hits waren geworden in de Verenigde Staten.

Amerika was van het begin af aan een belangrijke inspiratiebron voor de Fransen. Charles Trenet gaf het traditionele chanson in de jaren dertig een flinke opfrisbeurt door met jazzy swingende melodieën te komen, Jacques Brel dweepte met het Wilde Westen, en voor zangers als Renaud en Francis Cabrel is Bob Dylan minstens zo’n belangrijke inspiratiebron geweest als Georges Brassens. De ‘oer-Franse’ zwijmel-zomerhit Une belle histoire was door Michel Fugain gecomponeerd met in het achterhoofd een liefdesgeschiedenis op de legendarische Route 66. Groot was zijn ontgoocheling toen tekstschrijver Pierre Delanoë de plaats van handeling bleek te hebben verplaatst naar de Autoroute du Soleil.

Op de achterflap staat dat Van Loo zijn boek wilde schrijven over de Franse geschiedenis aan de hand van bekende chansons. Die opzet is niet helemaal geslaagd. Het gaat toch in de eerste plaats om de liedschrijvers, al worden hun chansons in een maatschappelijke context geplaatst. Wel wordt duidelijk dat de teksten over meer gaan dan alleen l’amour en het oh-la-la van Serge Gainsbourg. Diens roemruchte hijgplaatje Je t’aime moi non plus mocht in 1969 alleen in de avonduren gedraaid worden. Vijftien jaar eerder was de censuur nog heel wat strenger, zo ondervond meer dan eens Georges Brassens, die met Charles Trenet geldt als de aartsvader van het naoorlogse chanson, dat zijn wortels had in het oeuvre van Aristide Bruant (1851-1925) – al kun je ook teruggaan tot de middeleeuwse dichter François Villon. Met zijn allereerste succesnummer Le gorille had Brassens al meteen de poppen aan het dansen. Het ging over een maagdelijke gorilla, die uitbrak en toen eindelijk eens gebruik wilde maken van het geslachtsorgaan waar alle nette vrouwelijke bezoekers van de dierentuin altijd zo geïnteresseerd naar keken. Hij besprong de eerste de beste persoon in een jurk, maar dat bleek de toga van een rechter. Die schreeuwde vervolgens net zo hard als de man die hij eerder die dag ter dood had veroordeeld.

Een lied tegen de doodstraf dus, zoals Brassens in zijn ondeugende repertoire ook nogal eens tegen de oorlog contesteerde. Gevoelige onderwerpen medio jaren vijftig, toen Frankrijk een uitzichtloze koloniale oorlog uitvocht in Indochina. Het bekendste verboden anti-­oorlogslied uit die jaren is ongetwijfeld Le déserteur van Boris Vian: de open brief van een dienstweigeraar aan de president, die zelf het vuile werk maar moet opknappen als er zo nodig weer bloed vergoten moet worden.

Nee, politieke kwesties werden zeker niet geschuwd in het Franse chanson. Léo Ferré kwam met een meeslepende ode aan het anarchisme, Jean Ferrat zong een loflied op de guerrillastrijd van Che Guevara, maar protesteerde ook tegen het neerslaan van de Praagse lente. Ter rechterzijde adviseerde Gilbert Bécaud op De Gaulle te stemmen tijdens de presidents­verkiezingen van 1965 (Tu le regretteras; een tekst van Pierre Delanoë), bracht Michel Sardou een ode aan de Amerikanen (Les Ricains) en verklaarde hij zich onverbloemd voorstander van de doodstraf: Je suis pour.

Maar de echt geëngageerde chansons waren toch ver in de minderheid. Over het algemeen waren het gevoelskwesties die werden uitgediept – al gebeurde dat meestal op een originelere manier dan in het gemiddelde popliedje.

Begin jaren zestig werd Frankrijk veroverd door de yéyé – zoals de vroege popmuziek daar werd genoemd. De nog altijd immens populaire Johnny Hallyday werd groot met vertalingen van hits uit de Billboard Hot 100 en in zijn kielzog volgde een hele rits nieuwe jeugdidolen. Seks, drugs en rock-’n-roll op z’n Frans, het had zo zijn charme – en nog steeds. De laatste jaren is deze meer oppervlakkige popvariant van het chanson in Nederland herontdekt, waardoor het genre zijn stoffige imago een beetje aan het kwijtraken is. ‘Seks, wijn en ’n Frans chanson’, het heeft dat je ne sais quoi, al is het maar door de taal, zelfs wanneer je die niet verstaat. De van oorsprong Canadese Natasha Cloutier organiseert in Amsterdam regelmatig hippe party’s met Franstalige liedjes uit les sixties, repertoire dat ook via haar webradiostation Oh-la-la.nl is te horen. Soms werkt ze samen met Guuz Hoogaerts, alias D.J. Guuzbourg van het blog Filles Sourires. Die bracht de afgelopen jaren een aantal verzamel-cd’s uit met frisse jonge artiesten die geïnspireerd zijn door de zwoele manier van zingen van zijn idool Serge Gainsbourg (1929-1991). De term ‘zuchtmeisjesmuziek’ is inmiddels een begrip geworden, maar doet te weinig recht aan de kwaliteiten van Gainsbourg, die niet alleen dubbelzinnige liedjes schreef als Les sucettes (de lollies), maar ook het concept-album Histoire de Melody Nelson (1971), dat met zijn literaire referenties een bron van inspiratie was voor onder meer Beck, Lenny Kravitz en Placebo. Ook de excentrieke cult-chansonnière Brigitte Fontaine had in de jaren tachtig invloed in de popwereld, met name op Sonic Youth.

Gainsbourg zelf verklaarde dat hij het chanson maar een art mineur vond, een minderwaardige vorm van kunst. Hij was liever een groot schilder geworden, maar achtte zich niet begaafd genoeg. Hoewel er altijd een zweem van intellectualisme bleef hangen rond het ‘betere’ chanson wordt dat in Franse platenwinkels over het algemeen gewoon verkocht op de afdeling variété (lichte muziek), waar alles is te vinden van Adamo en Hallyday tot Vian en Zebda. Die laatste band is een belangrijke vertegenwoordiger van de nouvelle scène in het Franse chanson. Na de magere jaren tachtig ontstond begin jaren negentig een nieuwe stroming, die invloeden uit de wereldmuziek en alternatieve popmuziek combineerde met die van het naoorlogse chanson. Dat leverde leuke bands op als Têtes Raides, Tryo, Les Ogres de Barback en Debout sur le Zinc, maar ook individueel opererende artiesten als Thomas Fersen met zijn absurdistische, sprookjesachtige teksten. Daarnaast heb je de meer poppy Cali, Raphaël en Benjamin Biolay, naar het klassieke chanson neigende zangers als de immens populaire Bénabar en Vincent Delerm, rappers (MC Solaar, Diam’s) en slammers (Grand Corps Malade).

In de Franse albumhitparade is de meer tekstgerichte muziek in eigen taal goed vertegenwoordigd. Beter in ieder geval dan in ons land. Net als bij ons bieden de media in Frankrijk voornamelijk conventionele ritmische muziek, dus daar kan het niet aan liggen. Maar via het internet en optredens slagen de grote talenten er daar toch beter in een groot publiek te bereiken, al was het maar omdat hun taalgebied vele malen groter is.

Zangers mengen zich in Frankrijk ook weer regelmatig in het maatschappelijk debat, zeker in dit verkiezingsjaar. Juliette Gréco heeft laten weten op François Hollande te stemmen en ze was bepaald niet de enige. Ook Johnny Hallyday leek overstag te gaan. Begin dit jaar dineerde hij met de linkse presidentskandidaat – groot nieuws! – maar uiteindelijk steunt hij toch weer zijn oude vriend Sarkozy. En over een paar weken komt de populaire zanger Ridan met een nieuw, geëngageerd album, en als voorproefje is er op zijn Facebook-pagina al een track te downloaden: Ah! Les salauds!, een pittige aanval op de haatzaaicampagnes van het Front National. Zebda mengt zich met haar nieuwe cd Second tour eveneens in de verkiezingsstrijd. In het lied Les deux mondes wordt een belangrijke levensvraag aangekaart voor veel jongeren: ga ik mijn hersens vullen, of mijn zakken? Het existentialisme is nooit ver weg in chansonland.