Commentaar: Netelenbos

Seksisme volgens Tineke

Naar aanleiding van haar politieke rampweek (geen commissaris van de koningin in Noord-Holland, haar vervoersplan waar ze jaren aan had gewerkt werd afgeserveerd) gaf minister Tineke Netelenbos in een televisiegesprek te kennen dat haar carrière is gestokt omdat ze een vrouw is. «Als ik een man was geweest, had iedereen gezegd: dat is een goede minister. Ik ben zelfverzekerd en ambitieus en dat pikken mensen niet van een vrouw.» Het hoge woord was eruit. Tegenover Sonja Barend nog wel, die niet bepaald een voorbeeld is van de vrouw die zich heeft laten dwarsbomen door dat «eeuwige gesloten mannenbolwerk». Barend en Netelenbos begonnen beiden hun lange loopbaan in een tijd dat ze op de werkvloer vaak een novum waren en wisten zich als pure professionals naar de top te werken.

En nu zegt Netelenbos opeens, na decennia van voorspoed, dat haar neergang ligt aan seksisme: als het erop aankomt, word je als vrouw nooit echt serieus genomen, moet je beter zijn dan de mannelijke collega’s en dien je je te gedragen naar de maatstaven van de masculiene werkvloer. Je bent bloedmooi, óf je bent een soort manwijf dat zich gedraagt als one of the boys, zoals bijvoorbeeld Annemarie Jorritsma en haar illustere voorgangster Ien Dales (die een keer met haar handtas een brutale mannelijke journalist van zich af mepte met de woorden: «Opzij, ik wil erlangs»).

Waarom had Netelenbos nooit eerder last van tegenwerkende mannen, of durfde ze op haar tocht naar de top niet te spreken over al die beren op haar weg?

Het lastige van Tinekes verklaring is dat die ongrijpbaar blijft. Gebruikt ze het als een superexcuus voor haar eigen bestuurlijke falen — ze kreeg al jaren forse inhoudelijke kritiek — of heeft ze als elegant geklede, niet onknappe vrouw, ja zelfs sexy volgens sommigen, met een zekere intellectuele uitstraling wel degelijk last gehad van haar sekse in een mannenwereld van ingenieurs, bouwmacho’s en politieke haantjes?

De statistieken laten zien dat de vrouwenemancipatie zich beperkt tot de subtop. Vrouwen zijn sinds de jaren zestig massaal ingestroomd in het academisch onderwijs en aan het werk gegaan, maar de groeicurve schiet omlaag zodra het gaat om leidinggevende posities in de hoogste gelederen (raden van bestuur, hoogleraarschappen et cetera).

Ligt dat niet eerder aan de normen en eisen van de top zelf: totale overgave en keihard werken om net iets beter te zijn dan die andere collega met ambitie, talent, kennis, kunde en contacten? Vrouwen geven zelf vaak aan dat ze in die marathon geen zin hebben, want ze hebben dan geen tijd meer voor kinderen, sociale contacten of een boek.

De echte top vergt kennelijk per definitie een onverenigbaar afzien — anders komen er geen grote dingen tot stand — en is alleen weggelegd voor een bepaald type (m/v). Of die man of vrouw nu Sylvia Tóth of Cor Boonstra heet, het is op het hoogste niveau om het even.

In dezelfde «week van Tineke» liet ook een politica aan de andere kant van de oceaan zien dat ze om die reden afhaakt. Bush’ tweede man en hoogste vrouw in het Witte Huis ooit, Karen Hughes (niet onknap, goed gekleed, 45 jaar), besloot onverwacht te stoppen met haar baan «omdat ze meer tijd aan haar gezin wilde besteden». Hoon viel haar — terecht — ten deel: wat slap! Een man in haar positie zou dat nooit doen.

De grote vraag is: wie bepaalt het glazen plafond, Tinekes mannen of Karen Hughes?

Misschien is de tijd rijp voor een derde emancipatiegolf, voor vrouwen én mannen, zodat er een andere, meer feminiene werkvloer komt. Want ook mannen branden voortijdig op; of ze komen na hun pensioen, of bij een nieuwe, jonge partner en de «tweede leg», pas tot het inzicht dat al dat gejakker het uiteindelijk allemaal niet waard is geweest.