Interview - Benjamin ‘Jihad vs McWorld’ Barber

Sektarische fundamentalisten tegen fundamentalistische kapitalisten

Zes jaar geleden schreef de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber het inmiddels profetisch gebleken ‹Jihad vs McWorld›. Enkele dagen na «nine-eleven» stond het boek plotseling nummer één in de non-fictie toptien van de New York Times.

Medium barber

«Terrorisme is jiujitsu», zegt Benjamin Barber (62) in een kantoor in het gehavende Manhattan. «Als je klein bent, moet je de kracht van je tegenstander gebruiken. Japanse jiujitsuworstelaars benutten de spierkracht en energie van hun opponent om hem over de rug te kunnen gooien. Het is de ironie van elf september dat Amerika niet werd vernederd door zijn zwakheid, maar door zijn kracht. De aanslagen op de temple of free enterprise en de cathedral of American military might zijn mogelijk gemaakt door commerciële luchtvaart, modernistische architectuur, internationale geldstructuren, autoverhuurbedrijven, luchtvaartscholen, flexibele immigratiewetten, en ga zo maar door. Daarmee schakelde een handvol terroristen de grootmacht tijdelijk uit: Amerika sloot het luchtruim en stopte alle financiële transacties.»

Barber doet nu wat zijn landgenoten vóór elf september deden. Hij benadrukt de zwakte van de terroristen. «Terreur is per definitie het wapen van de onmachtigen.» Maar anders dan zijn landgenoten voorspelde hij jaren geleden al een enorme escalatie van het geweld in de strijd tussen «Jihad» en «McWorld». «Jihads oorlogen zullen tot ver in de volgende eeuw de krantenkoppen beheersen, waarmee ze voorspellingen over het einde van de geschiedenis volstrekt belachelijk maken», schreef Barber in Jihad vs McWorld, een boek dat verscheen in 1995.

Eerder dan andere politieke wetenschappers en zeker eerder dan politici, nam Barber wereldwijd een strijd waar tussen «sektarische fundamentalisten» en «fundamentalistische kapitalisten». De fundamentalisten pogen de wereld te verscheuren in naam van traditie, stam, religie of etnische afkomst; de kapitalisten transformeren de wereld tot één grote (afzet)markt in naam van de vrije markt. Barber: «Op de voorpagina van de krant valt de wereld dagelijks uit elkaar, om zich in het economiekatern dagelijks meer te verenigen.»

Nog voordat Bush het «kwaad» het gezicht van Bin Laden had gegeven, bestelden de Amerikaanse boekwinkels duizenden extra exemplaren van Jihad vs McWorld. In een hernieuwde versie veranderde de ondertitel How Globalism and Tribalism are Reshaping the World in Terrorism’s Challenge to Democracy en schreef Barber een nieuwe introductie. Sindsdien wordt hij door alle grote Amerikaanse dag- en weekbladen gevraagd om interviews en opiniestukken.

Daarin betoont Barber zich, niet anders dan voor de aanslagen, als een liberal in de Amerikaanse zin van het woord. Zelf verkiest de hoogleraar politicologie, met een PhD van Harvard, de omschrijving «gepassioneerd democraat», waarvan boektitels als A Passion for Democracy en An Aristocracy for Everyone getuigen. Constante in Barbers politicologisch werk (hij schreef ook verscheidene opera libretti en een roman) is de zorg om de verdwijning van de bijkans onvertaalbare civic virtues; van aan democratie verbonden noties van burgerschap. Hij toont zich daarbij weinig optimistisch. In het verloederende onderwijs, de groeiende macht van steeds stompzinniger televisieprogramma’s en de hardnekkigheid van het volgens Barber bizarre, bijna obscurantistische geloof in de onmacht van de overheid, ziet hij verontrustende tekenen des tijds. Ze zetten hem aan tot felle, in rechts-Amerikaanse kringen slecht besproken boeken.

«Net als de Duitsers Max Horkheimer en Theodor Adorno voel ik me aangetrokken tot de culturele kritiek van antidemocraten als Nietzsche, Walter Lippmann en Ortega y Gasset. Het is aantrekkelijk te denken dat democratie de consumptiemaatschappij nodig heeft, en dat die massacultuur op haar beurt onlosmakelijk verbonden is met de vervlakking van idealen en de nivellering van talent. Maar het grootste deel van mijn carrière heeft er juist toe gediend om te laten zien dat een aristocratie van iedereen wél mogelijk is. Ik deel hun afkeer van een gemakzuchtige massa s maak, maar samen met denkers als Stuart Mill, Dewey en Rousseau geloof ik in onderwijs dat ons boven de massacultuur verheft, zonder afstand te hoeven doen van de democratische rechten en vrijheden die zo’n massacultuur nodig heeft. Een redacteur van Newsweek schreef ooit: ‹Barber is helemaal geen democraat. Hij houdt van Franse wijn en gaat naar de opera. Hij is een snob. Daarom houdt hij niet van McDonald’s.› Maar dan verwar je mijn verheven opvattingen van een burgerdemocratie met consumentendemocratie. Terwijl het hele punt van het democratische ideaal de vorming is van burgerschap en van een ontwikkelde publieke smaak.»

In Jihad vs McWorld gaat het Barber om de zorg dat «de wereld op den duur niet alleen postmodern, postnationaal en postindustrieel zal zijn, maar ook postdemocratisch». Want slechts op één punt zijn McWorld en Jihad niet elkaars tegenpool: beide vormen een bedreiging voor de democratie.

Barber: «De wereld wordt al meer dan tien jaar beheerst door de strijd tussen twee weliswaar tegenovergestelde, maar tevens met elkaar verbonden ontwikkelingen: één ondemocratisch, de ander antidemocratisch.»

Ondemocratisch is McWorld, de commerciële globalisering geleid door de grote multinationale ondernemingen, die menen met het streven naar winstmaximalisatie het algemeen belang te dienen. Zij behoeven daartoe carte blanche van een plaatselijke, nationale of internationale overheid. Maar hoe die overheid is georganiseerd, interesseert hen niet.

Barber: «Kapitalisten mogen vaak democraten zijn, het kapitalisme heeft de democratie niet nodig. Sterker, democratie en kapitalisme staan met elkaar op gespannen voet. Chili, Panama, Singapore en China bewijzen dat vrije markten prima kunnen functioneren zonder democratische instellingen en instituties.»

De tweede, antidemocratische ontwikkeling bestaat uit de versplintering of «tribalisering» van de wereld door een reactionair fundamentalisme van dogmatisch-traditionele groepen, die zich beroepen op hun identiteit en particuliere geschiedenis. Barber noemt deze ontwikkeling «Jihad». Daarbij gebruikt hij het woord niet in de eigenlijke Arabische betekenis, maar retorisch; als een aanduiding van een ontwikkeling, ingezet en geleid door de meest fervente tegenstanders van het commercieel geïnspireerde, mondiale netwerk dat McWorld creëert. Daarin prediken de «drie M’s» (McDonald’s, Microsoft, MTV) en andere «instituties van globaal kapitalisme» een materialistisch consumentisme en een «relativistisch secularisme» die het beperkte wereldbeeld vormen van de laissez-fairekosmopoliet. Ze voeden de haat van de Jihad, dat de tegenbeweging van de moderniteit is in haar meest extreme vorm: orthodox, hypernationalistisch, manicheïstisch en gegrond in een idee van exclusiviteit: etnische zuiveringen en het virtueel laten verdwijnen van vrouwen zijn daarvan spectaculaire illustraties.

Barber ziet de Jihad overal in de wereld, en toen hij zijn theorie uitwerkte vooral op de Balkan. Maar ook in Amerika. In de eerste week na de aanslagen legden christenen als Jerry Falwell en voormalig presidentskandidaat Pat Robertson via de hightech communicatiemiddelen van McWorld hun volgelingen uit dat God Amerikanen strafte om hun homoseksualiteit, feminisme en burgerrechtenbeweging. Anti-abortusstrijder Randall Terry herhaalde zelfs zijn oproep aan alle gelovigen «om een golf van intolerantie en haat over ons te laten komen». Want «haat is goed… Ons doel is een christelijke staat.»

Barber is van mening dat het de taak van een intellectueel is een publiek te bereiken. Ongewoon voor een politicoloog verwoordde Barber zijn pleidooi voor democratisering op mondiale schaal in een weldadig bloemrijke stijl en in treffende, vaak beeldende zinnen, waardoor Jihad vs McWorld een genot is om te lezen. In een piepklein kantoorkamertje blijkt Barber niet alleen in geschreven, maar ook in gesproken woord de barokke retoriek niet te schuwen. Bin Laden noemt hij de «perverse pathological hyperextension of the ongoing struggle between Jihad en McWorld» en de tegenstellingen en overeenkomsten tussen de strijdende partijen vat hij samen in klinkende oneliners als: «Jihad pursues a bloody politics of identity, McWorld a bloodless economics of profit». Barber verkneukelt zich over het succes van zijn boek en vermeldt niet zonder trots dat hij sinds kort ook in Los Angeles nummer één staat op de bestsellerlijsten.

Medium barber2

Maar elf september heeft niet alleen Benjamin Barber persoonlijk geholpen. Ook de wereld ligt er volgens hem beter bij. «Op 11 september is er een deur geopend waarvan ik dacht dat het slot was dichtgeroest. Op tien september praatte ik op een congres over internationale samenwerking en het exporteren van democratie en burgerschap. Het publiek vond het een zaak voor romantisch utopisten. Op twaalf september was ik in hun ogen plots een realist! Internationale, democratische samenwerking was nu opeens de eerste vereiste voor nationale veiligheid en politiek realisme.

Toen ik nog adviseur was van Clinton en als intellectueel in zijn hofhouding rondscharrelde, was de tijd nog niet rijp voor de veranderingen waar ik — en Clinton ook — op hoopte. Nu zien we een conservatieve, Republikeinse regering met een unilaterale, tot op zekere hoogte zelfs isolationistische geschiedenis veranderen in een op samenwerking gerichte, coalitiebouwende lidstaat van de Verenigde Naties. Slechts een week later is 582 miljoen dollar aan achterstallige contributie betaald. Bij de WTO-topconferentie in Qatar waren we voor het eerst de grote verzoener. We offerden het eigenbelang om de integriteit van de Wereldbank te redden. Toegegeven, het gaat allemaal nog niet erg ver, maar vanuit het gezichtspunt van conservatieve Republikeinen handelt een man als Colin Powell uiterst radicaal. Ze waren woedend op Bush voor het betalen van de VN-contributie. De VN is voor hen de vijand.

Natuurlijk staat daar de vreselijke retoriek van deze regering tegenover. Om de militaire campagne een ‹moral crusade› te noemen, is niet slim. Te zeggen ‹je bent met Amerika, of je bent met de terroristen› vind ik evenmin de juiste manier om over de strijd tegen het terrorisme te praten als je internationaal coalities wilt sluiten. We moeten niet de spiegel zijn van Bin Laden. De nadruk moet liggen op Amerika'’s betrokkenheid bij de wereld, niet op de noodzaak voor de wereld zich achter Amerika te scharen. Dat lijkt een klein retorisch verschil, maar het is uiterst belangrijk.»

In New York is Barber werkzaam bij het zogenoemde Democracy Collaborative. De kleurrijke, van oorsprong Hongaarse speculant George Soros financiert dit instituut, dat onlangs is opgericht ter promotie van een ethische globalisering en de creatie van een mondiale civil society.

Barber: «We moeten niet alleen frisdrank en gymschoenen exporteren, maar ook een notie van burgerschap. Dat is broodnodig in beginnende democratieën. Er moet een democratisch alternatief worden geboden voor McWorld. We kunnen niet volstaan met het liberaliseren van markten, dat is in Rusland wel gebleken. Momenteel voert Amerika alleen het slechtste uit wat het bezit. Daardoor weet men in de rest van de wereld nauwelijks dat de meeste Amerikanen vrijwilligerswerk verrichten, dat Amerika een kerkgaande natie is, en dat er op radio en televisie als je goed zoekt meer is te vinden dan Sex-Court en Beavis and Butthead.»

De vraag is of Bin Laden met zijn honderdduizendguldenhorloge inderdaad vecht tegen McWorld, of dat zijn haat eerder is gekant tegen het Amerikaanse imperium, verantwoordelijk voor de permanente aanwezigheid van zijn legers in het heilige land en een onverzettelijke miljoenenlobby voor Israël.

Barber: «Het is alles tegelijk. De aanslagen van elf september zijn een protest tegen moderniteit, tegen secularisatie, tegen de permanente aanwezigheid van Amerikaanse troepen in grote delen van de wereld. Het is een protest tegen de Israël-lobby en tegen de erosie van de islam in een seculariserende samenleving — alles tegelijk. Bin Laden is een opportunist van de haat, hij kiest zijn argumenten zoals het hem uitkomt. In de afgelopen jaren heeft hij, afhankelijk van zijn gesprekspartner, alle argumenten gebruikt. Religieuze, culturele én uiterst praktisch-politieke. Laten we dus niet naar hém luisteren. Bin Laden en al-Qaeda moeten gewoon worden ontdekt, opgejaagd, veroordeeld en vernietigd. Maar als we dat doen zonder de onvolmaaktheden en gruwelijkheden van McWorld in te zien, namelijk dat het een klimaat creëert waarin terrorisme groeit, dan zal het terrorisme altijd terugkeren. Onder andere namen wellicht, en op andere plaatsen, maar met dezelfde haat, hetzelfde fanatisme en met dezelfde vijanden.

Het is in dit opzicht bemoedigend dat niemand na de aanslagen de hulp van Bill Gates of Rubert Murdoch inriep. En dat niemand Michael Eisner vroeg wat Disney zou kunnen doen. Elf september herinnerde mensen eraan dat er dingen zijn die alleen kunnen worden gedaan door de ‹werkelijke wij›, door de publieke sector, door de staat. Dat is een belangrijke verandering. Sinds Thatcher en Reagan spreken mensen van ‹marktdemocratie›, zelfs in de regering Clinton was dat gebruik. Dat maakt me razend. Een vrije markt genereert niet automatisch democratie. Het is de mythe van de markt te denken dat de voorkeuren van consumenten hetzelfde zijn als ‹civic choices›. Dat is een essentiële fout en wel een heel dure.

Jammer genoeg zijn de argumenten tegen mondiale commercialisering vaak erg zwak. Neem de antiglobalisten die elke topconferentie van de Wereldbank of de G8 onveilig maken. Ze lopen over van goede bedoelingen en maatschappelijk bewustzijn, maar ze zijn dom en ongeletterd. Weet je: ze lezen niet. Tijdens de top in Porto Alegre hebben ze Soros bijna doodgeslagen, terwijl hij een van de belangrijkste verdedigers en verspreiders van de wereldwijde democratie is geworden. En James Wolfensohn, hij leidt momenteel de Wereldbank, is hét doelwit van de demonstranten. Ze begrijpen maar niet dat hij een goody is, geen slechterik. Onlangs benadrukte hij nog dat twee miljard mensen leven van minder dan twee dollar per dag en dat het met de dag erger wordt. Antiglobalisten hebben een sterk hart, maar een zwak hoofd.»

Barber gaat zelfs zo ver dat hij meent dat «Bin Laden meer voor de democratie heeft gedaan dan al die Genua-demonstranten bij elkaar». Vindt hij dat geen ondraaglijke gedachte? «Nee, absoluut niet! Zou het geen prachtige ironie zijn als de aanslag van Osama bin Laden, die duidelijk niet alleen was bedoeld om het kapitalisme te ondermijnen maar ook de democratie, dé prikkel werd om de democratie wereldwijd nieuw leven in te blazen? Dat juist hetgeen hij wilde vernietigen, door die daad werd versterkt? Dat zou al-Qaeda’s grootste nachtmerrie zijn — een prachtige straf voor de terroristen! Dit zei ik al twee dagen na de gebeurtenis. En de strijd is nog lang niet afgelopen. Daarbij is de militaire campagne minder belangrijk dan de campagne voor de versterking en verspreiding van burgerschap en democratie. Want of Bin Laden nu wel of niet wordt gevangen, de campagne voor mondiale democratie maakt hem irrelevant.»

Barbers optimisme betreft de democratie op mondiale schaal. Binnenslands gaat het momenteel helemaal niet goed met de democratie. In Amerika worden burgerrechten opgeschort in naam van de nationale veiligheid: duizenden vreemdelingen zitten voor onbepaalde tijd vast; verdachten kunnen worden berecht door geheime militaire tribunalen en inlichtingendiensten hebben het recht de gesprekken tussen advocaten en hun cliënten af te luisteren. Intellectuelen van elke politieke geaardheid maken zich zorgen. Barber daarentegen heeft in veel van zijn dertien boeken benadrukt dat het juist de Amerikaanse «obsessie met de bescherming van individuele vrijheid» is die de samenleving verlamt.

«In Amerika heeft het rechtsdenken wel heel nadrukkelijk het primaat boven het utiliteitsdenken. Mensen weigeren het kleinste beetje vrijheid op te geven, zelfs als ze weten dat dit de samenleving als geheel ten goede zou komen», schrijft Barber in het essay Liberal Democracy and the Costs of Consent. Dezer dagen komt nut, in termen van nationale veiligheid, plotseling wel boven recht. Maar krijgt Barber zijn zin niet om de verkeerde redenen? En hoe verontrustend zijn de laatste ontwikkelingen?

Barber: «Daarop heb ik twee antwoorden. Een als burger en een als sociaal wetenschapper, waarbij ik voor een Amerikaanse krant overigens alleen mijn antwoord als burger zou geven. Als burger acht ik het beknotten van burgerlijke vrijheden in naam van diezelfde vrijheden een onverdedigbare contradictie. Maar als wetenschapper zie ik dat grote democratieën in tijden van heftige crises altijd de regels hebben opgerekt. Ook hier. In de Tweede Wereldoorlog interneerden de VS simpelweg alle Japanners die er op het grondgebied rondliepen; tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de persvrijheid drastisch ingeperkt en in de Burgeroorlog schortte Lincoln ‹habeus corpus› op om mensen zonder reden de gevangenis in te krijgen. Maar de robuustheid en de kracht van de Amerikaanse democratie zijn groot genoeg om zo’n tijdelijke inkrimping van vrijheden te kunnen dragen. Het is als met de python en het konijn. Nadat de python het konijn heeft verorberd, lijkt hij er een tijdje op. Als sociaal wetenschapper zie ik waarom het gebeurt en denk ik dat we er wel uitkomen, als burger maak ik me zorgen, maar sta ik gelukkig niet alleen.

Veel belangrijker vind ik dat de aanslagen onder Amerikanen een hernieuwde interesse in de wereld in gang hebben gezet, simpelweg door de vraag hoe dit heeft kunnen gebeuren. Veel Amerikanen begrijpen dat je niet kunt volstaan met Bush’ verklaring ‹dat de duivel ons heeft aangevallen›. Daaruit verklaar ik de grote belangstelling voor mijn boek. Niet uit een intellectuele interesse, maar uit angst en bezorgdheid. Daaruit ontstaat momenteel een nieuw besef van wat ‹wij› eigenlijk betekent. Men realiseert zich eindelijk dat het exporteren van kapitalisme zonder democratie een voedingsbodem kweekt voor anarchie en terrorisme. Met het succes van McWorld hebben de agressievere kernen binnen de Jihad aan kracht gewonnen. Nu maar hopen dat Amerikanen zullen inzien dat McWorld de belichaming is van het slechtste in de westerse massacultuur. Dat het ontwrichtend is en destructief voor de democratie, en dat het daar zeker niet de constructie van is, maar de vijand. Als we ons niet alleen tegen Jihad maar ook tegen McWorld richten, is het mogelijk de strijd voor de democratie te winnen.»

In april verschijnt bij uitgeverij Lemniscaat een eerste Nederlandse vertaling van Jihad vs McWorld. Voor het januarinummer van tijdschrift Nexus schreef Barber een essay.