Selderij uit de hemel

De afstudeerklas van de regie-opleiding leverde dit jaar vier getalenteerde vrouwen op. Op het Internationaal Theaterschool Festival presenteren ze zich met hoopgevende produkties. Laat ze nog veel meer spelen, die jonge honden (v)!
ITs loopt nog tot en met 29 juni. Inlichtingen: 020-5277610
STUDENTEN AAN theateropleidingen sluiten ‘het begin van hun loopbaan’ af met voorstellingen, en zo hoort dat ook. Vroeger gebeurde dat in Amsterdam in de Stadsschouwburg, waar de toeschouwers werd bevolen te verschijnen in galakostuum, heb ik me laten vertellen. Artistiek leiders van de gezelschappen kwamen kijken, en kozen hun jeunes premiers en jeunes premières uit, als betrof het de veemarkt te Purmerend. Die eindvoorstellingen (van de ‘toneelacademies’ zoals de acteursopleidingen in de jaren vijftig en zestig nog heetten) waren eenmalige gebeurtenissen. Dat is tegenwoordig anders. Toneelspelers, dansers, mimers studeren af voor een tribune die veel ‘publieker’ is dan die gala’s van indertijd. Ze hebben een eigen festival, dat ITs heet, Internationaal Theaterschool Festival. Het loopt nog tot eind juni, in het eigen huis van De Amsterdamse Theaterschool aan de Jodenbreestraat (tegenover het Rembrandthuis), en in de theaters in de NES-theaterstraat.

Afgezien van het internationale aanbod (waar we het nu even niet over hebben) is er veel opmerkelijks te zien. Was er veel opmerkelijks te zien, moet ik eerlijkheidshalve opschrijven. Er zaten althans voorstellingen tussen die je een langere serie zou gunnen. En ik hoop vurig dat met name een aantal produkties van de regieschool die langere series wordt vergund. Ze zijn zeer de moeite waard. Net als een prachtige Shakespeare van een groep aspirant-acteurs aan de Amsterdamse Toneelschool in de regie van een prachtig acteur die het pad van de regie heeft betreden, Mark Rietman. Hierbij een bescheiden pleidooi voor (waarschijnlijk op voorhand onhaalbare) reprises.
BEGINNEN WE bij het begin. Althans bij mijn begin. Roof van de Britse angry young man Joe Orton (een tekst uit 1964, door Willem Jan Otten jaren geleden briljant vertaald, als ik me goed herinner voor een produktie geregisseerd door Lidwien Roothaan). Roof is een krankzinnige tekst. Het stuk begint in een rouwkamer, ingericht in het huis van de heer en mevrouw Mulder. Mevrouw Mulder is namelijk gestorven, onder omstandigheden die in de loop van de handeling steeds verdachter lijken. De zoon heeft er iets mee te maken, zijn foute vriendje ook, de verpleegster die mevrouw Mulder tot aan haar (misschien te vroege) dood bijstond is vooral niet helemaal pluis. Een detective dringt de rouwkamer binnen en begint ‘de zaak’ te onderzoeken. Meneer Mulder beziet het geheel met een verbazing die doet vermoeden dat hij ook in het komplot zit.
Roof lijkt op de kwadratuur van een aflevering van Fawlty Towers, met dit verschil dat iedereen almaar bezig is zichzelf en anderen af te dekken, terwijl er in de beroemde televisieserie maar één écht slachtoffer bestond, en die heette Basil, de hoteleigenaar (John Cleese). Marije Gubbels heeft Joe Ortons tekst geregisseerd als een zachtjes opstartende maar op den duur volkomen uit de hand lopende komedie - vrijwel alle personages pogen het vege lijf te redden, en allemaal gaan ze kopje onder in een zelf gecreëerde valkuil. Het levert een vakkundig gespeelde komedie op die anderhalf uur verschrikkelijk pijn doet. Je lacht je als toeschouwer tranen met tuiten, en achteraf wandel je verbaasd weg: waarom heb ik eigenlijk zo vreselijk gelachen?
De voor een kleine zaal gemaakte voorstelling spettert van spelplezier. Met in het centrum Koos Elfering (als de naïef om zich heen starende weduwnaar Mulder) en Celia van den Boogert (geweldig op dreef in de rol van de frauduleuze verpleegster). Roof is een mooi geregisseerde komedie, met een als tragedie schroeiende onderkant. Zo'n voorstelling zou ik graag nog eens terugzien.
DE VOORSTELLINGEN van de afstudeerklas van de regie-opleiding (vier vrouwen, helaas heb ik Hunkering van Femke Janssen moeten missen) lieten me als toeschouwer ook enigszins in verwarring achter. Ambachtelijk zijn ze zeer goed gemaakt - als een meesterproeve binnen de traditie van het middeleeuwse gilde, maar binnen dat kader oogt een enkele voorstelling ook een tikje braaf, keurig binnen de lijnen. Dat viel me met name op in Hysteria, een mij volstrekt onbekend stuk van Terry Johnson, speciaal geschreven voor een van de weinige experimentele podia die er in Londen nog over zijn, het Royal Court Theatre (1993).
Het stuk reconstrueert de laatste dagen uit het leven van Sigmund Freud. In wat een koortsdroom lijkt in het zicht van het sterven aan een zware vorm van kanker (een pijnlijk abces in de slokdarm) wandelt een geheimzinnige vrouwenfiguur Freuds wereld binnen en confronteert de psychiater met opvattingen die hij ooit heeft opgeschreven over het verschijnsel 'hysterie’ bij vrouwen die worden achtervolgd door de herinnering aan een incestueuze verkrachting. Door Freud is die 'hysterie’ afgedaan als verbeelding, een fantasie die zich in het hoofd van het slachtoffer vastzet als een waarheid die vervolgens bijna automatisch de verschijnselen van 'hysterie’ oproepen.
De geheimzinnige vrouw dwingt Freud terug te denken aan een incestueuze ervaring uit zijn eigen leven. Ze ensceneert een complexe (maar verdrongen) herinnering. Daarin spelen zijn behandelend arts Abraham Yehuda en de beeldend kunstenaar Salvador Dali een prominente rol. Freud wordt in het spel van droom en verbeelding tot rechtzetting van zijn eigen opvattingen gedwongen. Hij moet erkennen dat zijn theorieën over hysterie bij verkrachte vrouwen (of seksueel misbruikte kinderen) op zijn minst aan twijfel onderhevig kunnen zijn. Freud wordt als het ware in de klem gezet die vrouwen ooit in zijn eigen praktijk, op de pregnant in het decor van de voorstelling Hysteria aanwezige sofa, moeten hebben ondergaan. Hij krijgt een koekje van eigen deeg.
Hysteria blijft heel erg lang heel erg braaf, het verhaal wordt keurig verteld. De geheimzinnige vrouw die Freud in zijn koortsdromen komt bezoeken (een prachtige rol van Ghislaine Perie), de behandelend arts Yehuda (mooi spel van Guido van Hulzen) houden ons bij de les. Sander Commandeur is een tikje irritant als een ongetwijfeld zeer irritant bedoelde Salvador Dali - wat acteren oplevert waarin rode tulpen rood worden geschilderd - dubbelop dus, niet fraai om naar te kijken. Dan van Steen speelt Sigmund Freud in het begin voorspelbaar. Je ziet de wendingen in zijn rol van kilometers afstand aankomen. Maar hij groeit. En in de slotscènes (als hij de keuze maakt voor de dood door een morfine-injectie) wordt hij groots, stil, kaal, rustig.
Wat aanvankelijk een nogal brave voorstelling leek te zijn, werd in het laatste half uur een emotionerende gebeurtenis. Freuds eenzaamheid, en zijn verlangen te sterven (terwijl hij net zijn ingrijpende koortsdromen achter de rug had) ontroerden intens. Het enige wat de voorstelling tegen had was het decor: een ver-schrik-ke-lijk illustratieve (diagonaal op de speelvloer) geplaatste wand vol met boeken, die af en toe op een vre-se-lijke manier transparant werd, waardoor de droombeelden van Freud op een hinderlijke manier werden ingekleurd. Op die momenten voelde ik me als toeschouwer debiel verklaard: ik mocht zelf niks meer verzinnen, het geheim van de stervende man was al voor mij uitgedacht. Dat is een soort ambachtelijkheid in het jonge regisseren die mij niet bevalt: wanneer mij het vermogen wordt ontnomen om zelf nog iets te bedenken, dan wekt dat slechts agressie op, geen genot. Voor de regie en de vertaling tekende overigens Mariëtte Ciggaar.
LACHEN OM Botho Strauss, het is mij nog niet vaak gebeurd, maar het overkwam me tweeënhalf uur lang (zonder pauze) bij de produktie Trilogie van het weerzien, een stuk dat Strauss schreef voor de Schaubühne in Berlijn, waar hij een tijd dramaturg was. Hij had in de jaren zeventig (voor regisseur Peter Stein) een bewerking gemaakt van Maxim Gorki’s Zomergasten, een wirwar van dialogen en scènes tussen uitgebluste grotestadsyuppen die zich aan het begin van deze eeuw in hun datsja’s hebben teruggetrokken.
In Trilogie van het weerzien paste Botho Strauss dezelfde techniek toe: een groep sufgelulde kleinburgers, allemaal lid van een kunstkring, bezoekt de opening van de tentoonstelling 'Kapitalistisch realisme’, door één van hen ingericht. Via flarden dialogen maken we langzaam kennis met een stel dolgedraaide mafkezen, vol vastgelopen liefdesaffaires, ontkende of geheimgehouden fatale ziektes.
De opening van de tentoonstelling staat onder cultuurpolitieke druk: Kiepert, een prominent lid van de grootstedelijke 'cultuur-scene’, staat op het punt de keuze van kunstkringdirecteur Moritz te verbieden, op basis van één schilderij, waarop een karikatuur van hemzelf zou voorkomen. Als dat verbod ook daadwerkelijk wordt afgekondigd, laten vrijwel alle leden van de kunstkring de overspannen Moritz als een baksteen vallen. Ze gaan de tentoonstelling opnieuw inrichten, Kiepert keurt de herinrichting in de slotscène goed, Moritz heeft dan allang besloten dat hij niks meer met het eindeloze en hypocriete gejojo met concessies in de zogenaamde kunstwereld te maken wil hebben.
Trilogie van het weerzien is een mooi gecomponeerd, knap stukje tekstuele montagetechniek. Maar bij herlezing vond ik het stuk ook gedateerd. De afstuderende regisseur Maaike van Langen heeft me uit die droom geholpen. Ze heeft het stuk op een verbazingwekkend frisse manier 'herlezen’. En er een memorabele voorstelling van gemaakt, een meesterproeve. De grote zaal van de Theaterschool was nagenoeg leeggeruimd. Er waren wat stalen trappen, er stond een viertal Albert Heijn-karren die op postmoderne wijze waren verbouwd tot verrijdbare zetels. Achterin was een projectie van een gigantisch schilderij van een vuurtoren. Aan de muur hingen lichtobjecten. De tentoonstelling bevond zich in de gangen rondom de zaal, waarvan door de talloze open deuren fragmenten zichbaar waren. De personages dwaalden door die gangen en kwamen op het weidse, kale speelvlak hun verhaal doen, hun conflicten uitvechten, hun gektes demonstreren. Maaike van Langen moet een zeldzaam goed gevoel voor muzikaliteit, ritme, timing hebben, en ze is voorts voorzien van een groot vertrouwen in haar spelers, die ze zo te zien alle ruimte heeft gelaten om zelf hun weg te zoeken. Je kon aan de voorstelling afzien dat ze een gouden tijd met elkaar gehad moeten hebben.
Volgens de zogenaamd moderne codes van het pr-beleid rond voorstellingen vermeldt het programma wel keurig de namen van de spelers, maar niet wie wie speelt - een erg vervelende gewoonte, waar maar eens een eind aan moet komen. Ik volsta dus met de mededeling dat Maaike van Langen een geweldig ensemble bij elkaar heeft geregisseerd. En ik maak (met een diepe buiging) een paar uitzonderingen voor de acteurs die ik toevallig wel herkende. Allereerst voor Arend de Geus, die een in feite kleine rol speelde, die van de suppoost. Hij maakte van die rol een wereldnummer, slapstick in het kwadraat. De arme man wordt in het stuk gillend gek van de ellende die de bezoekers van deze opening aanrichten in zijn heilige tempel van de kunsten (die voor hem verder gewoon een kantoorbaan van negen tot vijf is). Maar van hemzelf mág hij niet gillend gek worden. Dat staat zijn beroep (suppoost zijn betekent: rustig zijn) namelijk niet toe.
Arend de Geus speelde dat innerlijke conflict met een souplesse, een raffinement en een timing van uitzonderlijke klasse. Op een bepaald moment is hij alleen maar bezig de restanten van een wat slordig verorberd broodje selderijsalade op te ruimen. Ik heb zelden een acteur mooier omhoog zien kijken: of de selderijsalade misschien ergens uit de hemel was gevallen. De veroorzaker van deze ellende heet Felix, een min of meer toevallig op deze tentoonstelling verzeild geraakte jongen, gespeeld door Frances van Broekhuyzen (ik hoop dat ik zijn naam goed schrijf, want in het programma komt hij in het geheel niet voor). Een acteur om in de gaten te houden, eerder dit seizoen speelde hij een prachtige rol in Titus Andronicus bij Het Nationale Toneel. Hij deed in deze voorstelling een simpel lijkende maar o zo moeilijke act: hoe eet ik een broodje selderijsalade zónder op de vloer van een museum te morsen? Ondertussen moet hij luisteren naar een krankzinnig verhaal over een of ander maf boek, verteld door de volledig doorgedraaide drukker Richard (een meesterwerk van acteur Herman Egbers).
ER IS IETS fundamenteel mis met de pr-afdeling van dat Internationaal Theaterschool Festival ITs: er hangt in de NES-theaterstraat (en overal in Amsterdam) een serie afschuwelijke affiches (waar heel veel geld in is gestoken), maar het is voor de simpele toneelverslaggever die ik ben vrijwel onmogelijk om aan goede scènefoto’s van de voorstellingen te komen. Dat feit staat ook een beetje voor de misverstanden in dit festival: de buitenkant oogt heel duur en chic, maar voor de binnenkant, de ruimte voor de aspirant-kunstenaars (waar het toch allemaal om begonnen is, lijkt mij) wordt volgens mij slecht gezorgd. De toneelschooljongens bijvoorbeeld, die hun geweldige versie van Hamlet (samen met regisseur Ivar van Urk) hebben gemaakt (onlangs in De Groene besproken), zijn het afgelopen festivalweekend weggedrukt in Frascati 3, de bezemkast van het margetoneel, waar deze voorstelling volgens mij niet tot zijn recht komt. En over een van de openingsvoorstellingen van ITs, Shakespeares Midzomernachtsdroom, was in het geheel geen materiaal beschikbaar - geen foto’s, voor informatie was ik aangewezen op een flauw stukje in de tamelijk zouteloze festivalkrant. Door slecht voor de participerende aspirant-kunstenaars op te komen, dreigt dit festival zichzelf te marginaliseren.
GOEDE WIJN behoeft overigens geen krans: de voorstelling van Shakespeares Midzomernachtsdroom is bij uitstek een produktie die op een mooie locatie (De Utrechtse School, of Frascati 1, of het Bossche theater Bis) een serie vervolgvoorstellingen verdient. Ze is gemaakt met studenten van de Amsterdamse Toneelschool en regisseur Mark Rietman. De zaal in de Jodenbreestraat werd over de volle lengte bespeeld. Vlak voor onze toeschouwersneus was bij aanvang een zeer lang gordijn opgehangen, in een diagonaal. In de kleine ruimte voor dit gordijn werd het voorspel in Athene gespeeld, de opzetjes voor de eindeloze ruzies en verwarringen die verderop in het bos worden uitgewerkt. Toen het gordijn werd geopend bleek de rest van het speelvlak nagenoeg kaal. Het bos werd verbeeld middels een stapel stukgezaagde boomstammen, en door een bank. Verder was de speelvloer voor de acteurs. En wàt voor een acteurs (ik kan opnieuw geen namen noemen). De derde klas van de Amsterdamse acteursopleiding speelde bij wijze van spreken de spots uit het lichtplafond.
Puck, de eigenlijke held van het stuk, de bosgeest, de slaaf van de elfenkoning Oberon, werd vermenigvuldigd tot allemaal kleine mannetjes en vrouwtjes met pruikjes en vuile gebitten. De aan alle kanten bedrogen en besodemieterde Helena werd geweldig gespeeld door een kleine actrice met een punkachtig uiterlijk. En Spoel, de amateurtoneelspeler die in het dagelijks leven een wever is, en die in het sprookjesbos wordt omgebouwd tot ezel, was (als zo vaak in een voorstelling van Midsummernight’s Dream) de held van de avond. Het was ooit een gelegenheidsstuk, geschreven voor een royale bruiloft en duidelijk bedoeld om erg veel plezier aan te beleven. Dat hebben Mark Rietman en zijn acteurs en actrices goed begrepen. De produktie was een waar feest. En hij zou nog een tijd een feest moeten kunnen blijven.
Dat is mijn slotadvies: wanneer je zoveel theatraal goud in je handen hebt, steek dan energie in zo'n groep acteurs - laat ze even ruiken aan hoe het is om een 'voorstellingsritme’ op te bouwen, laat ze voelen hoe het is om een produktie in een kleine serie op het niveau te houden waar ik die ene avond in de Jodenbreestraat zo mateloos om heb zitten lachen en waarvan ik zo mateloos heb genoten. Het bewaken en bewaren van een eenmaal verworven kwaliteit hoort per slot van rekening tot het vak dat ze op die scholen leren, althans wat de studenten er in beginsel móeten kunnen leren. Iets minder festival-poeha en fanfare en tralala, en iets meer liefde voor het vak, dat zal die opleidingen (en de daar studerende aspirant-theatermakers) volgens mij geen kwaad doen.