Selectie De Groene Amsterdammer

Creatief met klei
Atelier NL

Ontwerpsters Lonny van Ryswyck (Tegelen, 1978) en Nadine Sterk (Gorinchem, 1977) hebben elkaar gevonden op de Design Academy in Eindhoven. Sinds hun afstuderen in 2006 werken de dames samen onder de naam Atelier NL. Eerdere projecten bestonden uit een radio-ontvanger die werkt zolang je aan de hendel draait (Lonny) en een lamp die als-ie aan staat z'n eigen kap breit (Nadine). Maar sinds vier jaar draait hun werk vooral om klei van eigen bodem.
Waarom klei?
‘Omdat er altijd een heel verhaal achter zit. Waar je je schep ook in de grond zet.’
Hoe kwamen jullie daarachter?
'We maakten een reis naar Peru en Brazilië en werkten daar met lokale ambachtsmensen aan een serie vazen. We verbaasden ons over hun proces: ze groeven gewoon een gat naast hun huis en hadden vervolgens klei waarmee ze aan de slag gingen. Zo simpel. Waarom doen we dat in Nederland eigenlijk niet? vroegen we ons af.’
Aan de slag dus.
'We zaten een jaar op uitnodiging van ontwerpstudio Makkink en Bey in hun atelier in de Noordoostpolder, als een soort designers in residence. We zijn daar naar de grond gaan kijken, hebben plattegronden gekocht en gingen met onze achterbak vol emmers rondrijden en op bezoek bij boeren. Die Noordoostpolder is opgedeeld in ruim tweeduizend kavels van ieder 24 hectare, wij hebben van elke kavel wat klei gehaald en daarvan een tegeltje van drie bij acht centimeter gemaakt met de herkomst erin gegraveerd en een gaatje erin om ’m aan op te hangen. Zo is er een letterlijke bodemkaart ontstaan die laat zien hoe ontzettend veel diversiteit er zit in de grond van zo'n klein stukje Nederland, elke paar honderd meter krijg je wat anders.’
Grond in soorten.
'Echt gigantisch verrassend hoe je daaraan bijvoorbeeld kunt aflezen wat de bodemsamenstelling is en welke invloed ijstijden hebben gehad. Geologen kunnen er hele verhalen over vertellen, maar als leek verdwaal je dan al snel in de wetenschappelijke taal over mineralen en andere stoffen. Al die kennis kun je in zekere zin aanschouwelijk en inzichtelijk maken door die tegeltjes te tonen. We exposeren ze met een aantal foto’s van de boeren ernaast, want ook zij dragen bij aan de identiteit van de klei.’
Een tegelwand als kunst.
'We hebben lichte tegels van het gebied in het noordwesten, bij de kust, waar de grond schraal en zanderig is. In het midden vind je zware akkerbouw, die tegels werden donkerbruin. En waar bossen geplant zijn zit veel keileem, dat werd na het bakken rood. Normaal koop je ergens klei en dat heeft een constante kwaliteit en geeft een min of meer vergelijkbaar resultaat, nu was elke emmer anders.’
Behalve een bodemkaart bakten jullie servies van eigen bodem.
'Het leek ons mooi om aardappelen te kunnen serveren in een schaal die gemaakt is van dezelfde grond als waarin die knollen groeiden. Dat leidde tot Polderceramics. Daarna maakten we Clay Service; een servies op basis van zes verschillende lokale Nederlandse kleien.’
En nu?
'We vinden klei nog steeds interessant. Het is zo locatiegebonden, elk gebied vertelt iets anders. Over de vroegste huizen, de vegetatie, het bodemgebruik, enzovoort. Alles is te herleiden tot de grond. We doen ook wel andere dingen, maar met klei zijn we zeker nog niet klaar.’
ANGELA VAN DER ELST
www.ateliernl.com

Zoektocht naar de essentie Awoiska van der Molen
Als je alleen bent kun je jezelf beter horen en voelen, zo heeft fotograaf Awoiska van der Molen (Groningen, 1972) al vaak ervaren. Je zonder enige afleiding verhouden tot jezelf en je plaats op de aarde en ervaren wat er overblijft, of juist bijkomt. Een mens en een berg. En dan?
Van der Molen gaat regelmatig in haar eentje op reis. Naar Noorwegen, Spanje, Lanzarote, Polen. Op zoek naar kale gebieden, plekken die er veel eerder waren dan wij en er ook nog veel langer zullen zijn. Waar je niet iets hoeft te zijn of ergens op moet reageren. Het begin der dingen? Misschien ook het eind. Vulkanen. Bergen. Het licht op haar foto’s komt van de maan, het verre schijnsel van een dorpje, de streep die een rij wandelaars met hun zaklantaarns trekt.
Van der Molen betrapt plekken op iets van formaat waar zij vervolgens getuige van is. Het liefst wil ze doordringen tot de gesloten oppervlaktes van de locaties die ze fotografeert, erin verdwijnen, onzichtbaar worden. En in zekere zin gebeurt dat soms ook als ze zich erop concentreert en er langdurig verblijft. Maar toch. De mens blijft uiteindelijk een toeschouwer van zoiets groots.
Bang als ze is voor vage taal of stichtelijke woorden vindt Van der Molen het lastig om de wereld achter haar zwart-witte foto’s verbaal te vangen. Dat was al zo toen ze huizen, flats, bomen en hun schaduw fotografeerde. Geleidelijk verschoof de focus naar de grond, de aarde. Hoewel voor Van der Molen een foto van een oeroud gemetseld muurtje, een huis achter een schutting naast een ogenschijnlijke afgrond, of een kale berg over hetzelfde gaan, hetzelfde verhaal vertellen: over het teruggaan naar een, zo niet dé, essentie.
Van der Molen werkt ’s avonds en ’s nachts. Omdat dan de afzondering makkelijker te vinden is. Daglicht brengt een soort zorgeloosheid met zich mee die ze niet kan gebruiken. Zoals het gebruik van kleur te veel afleidt, de aandacht trekt naar andere zaken dan die welke Van der Molen wil ervaren, meer leidt tot het beschouwen van een landschap dan erin op te gaan.
Van der Molen wacht. Naast haar camera op statief staat ze twintig minuten, een half uur, zo lang als de sluitertijd duurt. Maakt twee foto’s op een avond, misschien drie. Trekt zich dan weer terug, ergens in het gebied waarvan ze de tijdloosheid probeert te vangen, geladen met iets van een oergevoel.
Thuis ontwikkelt Van der Molen haar films zelf, in een lokaal van een voormalige school in Amsterdam, waar de bomen op de stoep breisels rond hun basten dragen. Ook drukt ze alles zelf af, op forse formaten. Een meter bij één-twintig, soms groter. Ook weer een traag werkproces dat zich in afzondering voltrekt.
Haar foto’s hebben zelden titels. Die sturen te veel, geven een richting aan terwijl Van der Molen zou willen dat ieder voor zich kijkt, zo kaal mogelijk. Voelt wat-ie zelf waarneemt, idealiter op een afstand van een meter of drie van het getoonde. Bij voorkeur hangt ze haar werk onder ooghoogte, eerder in de buurt van beschouwende buiken. Want daarmee kijken mensen minder rationeel, horen ze beter. Zichzelf. En de ander.
ANGELA VAN DER ELST
www.awoiska.nl

Gek op wallen en rimpels
Gijs Kwast

Elke tekening van Gijs Kast (Weert, 1983) heeft humor. Die kan zitten in iemands blik, de houding waarin een forse dame de poten van haar dito hond in showpose zet, een kale vogelkop.
Kast heet eigenlijk Huijgen. 'Maar dat onthoudt niemand, bovendien schrijft iedereen het verkeerd.’ Hij studeerde in 2008 af aan de Design Academy in Eindhoven met zijn alternatieve gouden gids Böhnhase, waarin zwartwerkers uit een zogeheten prachtwijk zich aanbieden. De tekeningen, typografie en opmaak komen allemaal van Kasts hand. Letterlijk: Kast tekent en schrijft met potlood op papier, pas daarna gaan zijn creaties in de computer. 'Ik hou van oorspronkelijk werk, van originaliteit. Aan de meeste affiches zie je direct met welke elektronische trukendoos het in elkaar gezet is. Ook knap, soms, maar ik doe het liever anders.’
Het werd gezien; Kast won de Dutch Design Award voor zijn zwarte gids die sindsdien fungeert als staalkaart van zijn kunnen. 'Een tekening maken is snel werk, als ik een idee heb staat er in een paar uur iets goeds op papier. Zo'n boekje in elkaar zetten is diepgaander en veelkantiger, daarbij gaat het ook over zaken als ritme en spanning.’
Sinds hij zich professioneel illustrator mag noemen is Kast aan het werk. Voor opdrachtgevers als Volkskrant Magazine, psy en Hollands Diep tekent hij mensen en zo nu en dan een hond. Daarnaast ontwerpt hij flyers, maakt hij filmpjes en collages, en bezoekt Kast met een fotograferende vriend evenementen als hondenshows, tractortrekken en sterkste-manwedstrijden. 'Van die niet-gelikte dingen waar niemand op zit te wachten, maar die door de mensen die eraan deelnemen bloedserieus genomen worden. Daarover wil ik m'n volgende boek maken.’
Bewondering boven veroordeling, onder dat motto gaat Kast aan de slag: 'Ik hou van het volkse en alledaagse, en leg graag de nadruk op elementen waar mensen niet blij mee zijn. Niet om te pesten of een karikatuur te maken; ik vind wallen, rimpels en littekens juist mooi om te gebruiken. Liever teken ik een oude opa dan een prachtige vrouw. Hoewel het ook de kunst is om juist van een mooie meid een goede tekening te maken.’ Als Kast al commentaar krijgt op ingeleverd werk, gaat het meestal over dat wat zijn handelsmerk lijkt: iemand is te lelijk geworden. 'Dan gum ik een paar lijntjes weg waarna het wel goed gevonden wordt.’
Kast gaat nooit van huis zonder potlood en papier, en zelden zonder fototoestel. 'Ik ben niet altijd aan het tekenen, maar wel altijd aan het kijken. Naar doorleefde koppen, tafereeltjes op straat. Een oma met een rollator die haar tasje laat vallen, een kromgetrokken chihuahua. Ik zou willen dat ik een fotografisch geheugen had.’
In een museum hing zijn werk niet eerder, wel in een paar galeries. 'Ik voel me vereerd, het is fijn om erkenning te krijgen. Maar museaal werk maken is niet mijn doel; mensen die waarderend knikkend langs een wand lopen en beschouwingen krijgen van kunstcritici die het eigenlijk vooral over zichzelf willen hebben. Liever maak ik boekjes die ik voor een prikkie kan verkopen. Dan is mijn werk ook bereikbaar voor de zogenaamde gewone man, wie of wat dat dan ook is.’
ANGELA VAN DER ELST
www.gijskast.com

Een jurk als een warm bad Iris van Herpen
Wanneer wordt mode kunst? Iris van Herpen (Wamel, 1984) vindt het een interessante vraag: 'Als honderd mensen vinden dat het kunst is? Maar dan nog.’ Woorden zijn handig als je het ergens over wilt hebben, maar ze zeggen niks over de dingen zelf. Dus waar kunst begint en wie dat bepaalt, Van Herpen weet het niet. Liever dan zich daarmee bezig te houden, gaat ze aan de slag. Zet ze de ideeën in haar hoofd om in kleding. Een jurk bestaand uit honderden in reepjes gesneden leer of met als basis de baleinen van kinderparapluutjes. Een creatie van geweven metaalgaas of een korset van motorkettingen. 'Sommige stukken zijn heel zwaar ja.’
In Van Herpens fantasie kan alles. Je hullen in rook. Water dragen. Haar inspiratie is verwondering over de wereld om haar heen, waarin veel dingen veel minder gewoon zijn dan je geneigd bent te denken. Van Herpens collecties hebben thema’s als mummificatie, synesthesie, onzichtbare straling en fabrieksrook. 'Mode loopt achter bij de technologische ontwikkelingen die zich bijvoorbeeld wel in design en architectuur vertalen. Een broek is de ene keer korter, de andere keer langer, maar je blijft bezig met een lap stof waar je de schaar in zet. Ik raakte uitgekeken op de mogelijkheden.’
Van Herpen experimenteert met materiaal dat haar uitdaagt. Dát, en haar originele, futuristische kijk, maken dat Van Herpens collecties opvallen op de catwalk, bekroond worden in de kunstwereld en tentoongesteld in musea.
Haar atelier zit verstopt in een woonwijk aan de rand van Arnhem, de stad waar ze in 2006 haar opleiding fashion design aan de Hogeschool voor de Kunsten ArtEZ afrondde. Hier kan Van Herpen zo ongehinderd mogelijk werken. Dat doet ze dag en nacht, want haar werk en leven zijn één. Afhankelijk van de drukte lopen er meer of minder stagiaires rond tussen de rekken met kleding en tafels met naaimachines. Van Herpens werk was de afgelopen jaren te zien op de Fashion Week in Londen, Amsterdam en Tokio. De extravagante Amerikaanse zangeres Lady Gaga heeft een originele Van Herpen in de kast hangen, frontvrouw Skin van de Britse band Skunk Anansie wacht op haar bestelling. 'Met sommige jurken zijn we met een paar mensen zeker een maand bezig. Dat is onbetaalbaar, dus wat ik maak blijft exclusief. Vroeger was het heel normaal om zoveel tijd aan het maken van kleding te besteden. Die aandacht van toen combineer ik met de techniek van nu om mijn fantasieën te realiseren.’
Bij Recht voor zijn raap, Stip 2010 en kunst nu zijn twee stukken te zien uit de Mummificatie-serie die ze vorig jaar maakte, ondertussen werkt Van Herpen aan een nieuwe lijn die water verbeeldt. 'In z'n twee meest uiterste verschijningsvormen, dus zacht en vloeibaar als een warm bad om je heen, en zo hard en gestructureerd als ijskristallen.’ De stromende versie wordt verbeeld door een jurk van opspattend water, gemaakt van plexiglas. Naar een stoffelijke vertaling van de driedimensionale computerbeelden van geometrisch verantwoorde kledingstukken zoekt Van Herpen nog. Op de materie is ze in elk geval nog lang niet uitgekeken: 'Hoe langer ik me in water verdiep, hoe wonderbaarlijker het wordt.’
ANGELA VAN DER ELST
www.irisvanherpen.com

Verpletterend zinloos Jonas Staal
Jonas Staal werd drie jaar lang vervolgd door het Openbaar Ministerie wegens bedreiging met de dood van een lid van de Staten-Generaal der Nederlanden, i.c. Geert Wilders. Dat is een zeer ernstig misdrijf. Staal had een werk vervaardigd, bestaande uit een foto van de politicus, omringd door waxinelichtjes, een vijftal witte rozen en een teddybeertje, alles geplaatst in de buitenlucht, in de berm van een weg. Het wekte de indruk dat de Venloënaar bij een ongeluk om het leven was gekomen. Wilders deed aangifte: het kunstwerk zou iemand op het idee kunnen brengen hem, een lid van het parlement, te vermoorden. Wilders’ aanname was dat de kunstenaar met zijn werk de werkelijkheid wilde beïnvloeden. Hij beoordeelde het niet in de afgebakende esthetische omgeving, de naar zichzelf verwijzende fictie van het kunstwerk, maar in zijn sociale context. Hij had een punt: als een kunstwerk meer wil zijn dan een autonoom verschijnsel en zichzelf een sociale betekenis aanmeet, dan mag het ook in die context beoordeeld worden. Staal werd vrijgesproken, overigens, maar omdat de rechter meende dat van bedreiging geen sprake was - niet omdat hij vond dat het kunstwerk als zodanig niet als 'bedreigend’ kon worden gezien.
Het is een onplezierige situatie, zo'n vervolging, maar het is misschien wel precies waar Staals werk om draait: de stelling dat vrijheid een volstrekt onhoudbaar begrip is. In het tijdschrift 609 schreef hij onlangs: ’(…) dat wij eigenlijk allereerst vooral angst kennen voor vrijheid en dat dit volstrekt terecht is. Ik geloof dat wanneer wij het woord “vrijheid” in de mond nemen, wij dit alleen doen om onze of andermans “onvrijheid” zichtbaar te maken. Zoals wij ook over de dood spreken, als een volstrekt beangstigend en enig referentiekader om het “levend-zijn” te kunnen definiëren. Vrij zijn zou voor mij in absolute zin betekenen te leven zonder opgelegde betekenis. Dat betekent dat wij het leven zouden verduren in zijn absolute en verpletterende zinloosheid.’
Hij is kunstenaar, geen politicus of advocaat. Zijn handelingen zijn kunstwerken; zelfs zijn aanwezigheid is een kunstwerk. 'De positie van beeldend kunstenaar veronderstelt per definitie een kritische houding ten opzichte van de wereld’, zegt Staal: 'De constante in de beeldende kunst is het ter discussie stellen van de gebeurtenis van het “verschijnen” van de kunstenaar, de context waarin dit gebeurt en de belangen die ermee gepaard gaan. De beeldende kunst is daarmee de steeds aanwezige correctie op het idee dat de wereld is zoals die is simpelweg omdat die als zodanig aan ons verschijnt.’
KOEN KLEIJN
www.jonasstaal.nl

Stad gebouwd op basis van wc-hokjes
Jeroen van Bergen

Zoals elk kind speelde Jeroen van Bergen (Heythuysen, 1979) vanaf z'n tweede met lego. Alleen hield bij hem het plezier in het bouwen met de steentjes niet op. Dus wilde hij architect worden, maar na vier jaar mts-bouwkunde wist Van Bergen dat hij meer vrijheid nodig had voor zijn creativiteit. Het was in de loop van zijn studie aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Maastricht dat Van Bergen op een nacht wakker schrok. Met in zijn hoofd de gedachte aan het standaardtoilet.
'Volgens het Nederlands Bouwbesluit is het standaardtoilet minimaal 110 centimeter breed, 90 centimeter lang en 260 centimeter hoog. Kennelijk wordt dat gezien als de kleinst mogelijke ruimte die nog leefbaar is, onder die maten krijg je geen bouwvergunning. Een absurd idee dat me niet meer losliet.’
Sindsdien, een jaar of zes geleden, bouwt Van Bergen met als constante factor en voortdurend begin der dingen met die kleinst toegestane ruimtemaat. Kerken, torens, flats, wolkenkrabbers. Een dorp, een stad, een sloppenwijk. Meestal op schaal, soms 1 op 1, zoals zijn zogeheten frituur: een ruimte die suggereerde iets te zijn, maar het niet was. Want patat werd er niet gebakken in de witte kraam. 'Van werken op ware grootte ben ik inmiddels een beetje teruggekomen, daar is de mystiek bij weg. Ik wil liever de verbeelding laten spreken, niet iets voorkauwen. Wat is ruimte en hoe ervaar je dat? Schaalmodellen lokken meer het gebruik van de eigen fantasie van de toeschouwer uit. Want wat is het nu waar ze naar staan te kijken?’
Van Bergen gebruikt onder meer karton, hout, beton, zelfgemaakte bakstenen en gips voor zijn (witte) projecten. Zijn bouwsels zijn op tentoonstellingen in België, Nederland en Frankrijk te zien geweest; inspiratie deed Van Bergen op in Moskou, Sint-Petersburg en alle grote Europese steden die hij bezocht. 'Structuren en grootsheid tegenover rommeligheid vind ik fantastisch.’
Zijn werk noemt hij een onderzoek dat langzaam groeit: 'Het wordt steeds groter en gevarieerder, het is een proces dat ik zelf niet helemaal kan controleren. Ik ga bouwen, er komt iets op, dat maak ik dan. Vroeger ging ik uit van tekeningen, nu laat ik het vaker zijn wat het wordt. Op dit moment zijn dat steden. Een complex gegeven, daar kan ik voorlopig mee vooruit.’
Juist de beperking die Van Bergen zichzelf heeft opgelegd - alles wat hij bouwt vanuit die ene maat maken - ontsluit een wereld aan mogelijkheden en creëert maximale vrijheid, zo is zijn ervaring: 'Als je alles kunt doen, uit alles kunt kiezen, weet ik niet waar ik zou moeten beginnen. Nu wel. De rest zal volgen, blijkt stap voor stap.’ Het strakke systeem waarmee Van Bergen bouwt, voorkomt chaos. Zelfs zijn omvangrijke sloppenwijk Barrio de chabolas - 'ontstaan vanuit één gebouwtje zonder plan vooraf, een verfrissende ervaring’ - blijft netjes.
Behalve tekeningen vormen de houten kisten waarin Van Bergen zijn kunst opslaat en vervoert onderdeel van het uiteindelijke resultaat. Niet elk gebouwtje komt echter uit de kist. 'Het is niet belangrijk of alles te zien is. De overdracht van m'n ideeën over ruimte en het gebruik daarvan, daar gaat het om.’
ANGELA VAN DER ELST
www.jeroenvanbergen.com

Mensen als kleurenpixels
Reineke Otten

Nog steeds zal de wereldkaart van National Geographic een van de best verkochte posters in het land zijn. Verkoopcijfers heb ik niet, maar al bijna een halve eeuw verschijnt er elk jaar een nieuwe editie. Heel goed voor aan de wand van kinderkamers, voor jongens en meisjes die de wereld nog gaan ontdekken.
Zo'n kaart is onmiskenbaar mysterieus: je ziet de landen, waar ze beginnen en waar ze ophouden, en tegelijk zegt het niets over wat zich in de landen afspeelt. Wat voor mensen wonen er? Hoe zien ze eruit? Het meest fascinerend vond ik altijd de kleine lettertjes. Die stonden bij Israël (een voetnoot over de bezette Golan-hoogvlakte), bij India en Pakistan (over het conflict rond de grens van Kasjmir) en bij Taiwan (nu wel of geen autonome staat?). Tussen alle landen zit een verhaal verstopt.
Of Reineke Otten zo'n kaart aan de muur van haar meisjeskamer had, moet nog blijken. Maar het werk dat van haar tentoongesteld wordt op Recht voor zijn raap speelt in alles met de onvolkomenheid van een wereldkaart. Het werk heet 42 World Skin Colors: op de ene wand hangt een wereldkaart, 'ingekleurd’ met de huidskleurverhoudingen per land. Op de wand ernaast hangen vierkante uitsneden, waar de huidskleur per land in gekleurde stippen is aangeduid.
Ze baseerde het werk grotendeels op statistische feiten en interviews met dermatologen en andere experts.
Van een afstandje ziet het er fraai uit, de zachte kleuren lopen in elkaar over. Maar hoe dichter je erop staat, hoe meer je je vragen gaat stellen. Zwitserland is zo wit (als een alpentop) dat het bijna verdwijnt op de muur (wat nou verbod op de bouw van moskeeën?), grote delen van Europa verlopen bijna in de zee. Nederland, daarentegen, is opvallend gekleurd vergeleken met zijn buurlanden. Wat zegt dat?
Op haar website schrijft Otten: 'Stel je mensen voor als kleurenpixels. Je vliegt over de wereld en ziet wat? Door migratie, gemengde huwelijken, oorlogen, treinen, vliegtuigen, auto’s veranderen de kleuren van de wereld. Looking at them you can see history.’
Zelf weerhoudt Otten, die van de Design Academy in Eindhoven komt, zich verder van commentaar. Ze toont de gegevens en verder niets.
Op haar website, urban daily life, staan vooral foto’s. Series van huizen in België, waslijnen in China, hotels aan de Middellandse Zee. Geen mens is erop te zien. De uniformiteit kriebelt als die wereldkaart aan de wand; wat zeggen ze over de bewoners? Kunst die geen vragen oproept is geen kunst.
JOOST DE VRIES
www.urbandailylife.com

Hopen op dreiging of gevaar
Wikke van Houwelingen

'Duizendpoot zijn is hoe onmogelijk ook een mooi gegeven’, schrijft theaterontwerper Wikke van Houwelingen op zijn website. Van Houwelingen heeft het opgeschreven met witregels ertussen, alsof het een gedicht is. De woorden 'hoe onmogelijk ook’ staan apart en zijn misschien wel het meest veelbetekenend.
We leven in een tijd van multimediale kruisbestuiving. Zoveel is duidelijk. Alles kan met alles gemengd worden, door nieuwe technieken, door het wegvallen van strikte kunstdisciplines. Dat is een Luilekkerland en een gevarenzone, want als alles mag, wat heeft dan prioriteit? Een gevecht om de aandacht begint. Voor een ontwerper van decors voor theaterstukken is dat een ernstige vraag, die een fijne balans vereist.
Van Houwelingen studeerde aan het Frank Mohr-instituut in Groningen, aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam, en aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. De afgelopen jaren heeft hij naam gemaakt in de theatervormgeving, precies zo'n discipline die een steeds belangrijkere rol is gaan spelen - en in sommige gevallen het werk van de acteurs, regisseurs en schrijvers bijna naar de achtergrond kan verdrukken. Van Houwelingen schrijft: 'In mijn artistieke opvatting is een vormgeving niet enkel dienend aan tekst en regieconcept, maar ook sturend en dwingend. Een goede vormgeving wordt vanaf het begin van het maakproces mee-ontwikkeld om zodoende een optimale integratie van decor en de andere disciplines te verkrijgen. Een goed decor is streng en specifiek en getuigt, net als de voorstelling in zijn totaliteit, van een noodzaak. Een goede vormgeving brengt een extra laag aan in de voorstelling, zonder dit specifieke ontwerp kan de voorstelling als totaal niet gespeeld worden.’
Voor verschillende producties - vorig jaar voor Hond van theatergroep Het Volk, en De weerzinwekkende van MoMo - verzorgde Van Houwelingen de decors. De ontwerpen zijn allerminst statisch, beelden worden geprojecteerd, onbestemde geluiden klinken. Niet zelden is het omineus, of misschien is het wel omineus omdat veel onbestemd blijft. Van Houwelingen geeft in zijn ontwerp liever zijn publiek een gevoel dan een beeld. Van Houwelingen schrijft dat hij altijd hoopt dat er 'een dreiging of gevaar aanwezig is’: 'Dat kan een geheim zijn dat het decor met zich meedraagt, iets wat broeit onder de oppervlakte. Theater in het luchtige genre heeft niet mijn voorkeur, ik zie het podium als een plek waar de driften uitgeleefd kunnen worden, de angsten, de waanzin, de overdaad, ongetemperde passie, alles kan onderzocht worden in dit fictief universum, dus doe dat dan ook.’
JOOST DE VRIES
www.wikke.nu