Selectief geheugen in Bosnië

Sarajevo – Wie in Prijedor de Bosnische oorlog wil herdenken moet op zijn woorden passen. Letterlijk. Burgemeester Marko Pavic ­verbiedt bijeenkomsten die het woord genocide gebruiken voor de oorlogsmisdaden die in zijn stad in noord-Bosnië zijn gepleegd.

Hij vindt dat slecht voor de reputatie van Prijedor, dat na twintig jaar nog steeds vooral associaties oproept met de drie inter­neringskampen die de gemeente tijdens de oorlog telde.

Geen rechtbank heeft de gebeurtenissen hier genocide genoemd, en dus is het ongepast die term te gebruiken, is zijn argument. Volgens het Joegoslavië-tribunaal dienden de kampen voor moord, marteling en misdaden tegen de menselijkheid, maar genocide is er inderdaad niet bewezen geacht.

Pavic staat niet alleen, hij vertegenwoordigt de Servische versie van de recente geschiedenis. Op alle fronten proberen Servische publieke figuren het inktzwarte beeld van de oorlog iets grijzer te kleuren. Daarbij draait het vooral om het gehate ‘G-woord’. Praten over oorlogsmisdaden wordt een woordenspelletje. De nieuwe Servische president Tomislav Nikolic greep zijn eerste dag in functie aan om te ontkennen dat de massamoord in Srebrenica een genocide was, hoewel twee internationale rechtbanken daar anders over denken.

Toen de Bosnisch-Servische president in oorlogstijd, Radovan Karadžic, vorige week werd vrijgesproken van één aanklacht wegens genocide greep zijn opvolger Milorad Dodik dat aan als bewijs dat het allemaal wel meeviel in steden als Prijedor. ‘Ze proberen ons zwart te maken’, vindt hij. De genocide-­aanklacht wegens de moordpartij in Srebrenica bleef staan, maar daar hoorde je Dodik niet over.

Het raakt onder de slachtoffers een open zenuw. Voor hen is de kruistocht tegen het woord genocide ontkenning van hun leed. En hoe meer bezwaar Serviërs maken, hoe vaker zij het zullen gebruiken. Valentin Inzko, de toezichthouder van de internationale gemeenschap in Bosnië, roept op tot een compromis over de herdenkingen. Het is moeilijk voorstelbaar waar dat zou kunnen liggen. Twintig jaar na het begin van de oorlog is Bosnië tot op het bot verdeeld over welke basale feiten zich in die oorlog afspeelden.

Mocht een oplossing werkelijk voorhanden zijn, dan wacht de herdenkers nog een ­probleem. Het kamp Omarska is inmiddels weer in gebruik als ijzermijn, in handen van het staalbedrijf ArcelorMittal. Dat probeert de ­herdenkingen deze zomer te beperken, tot woede van nabestaanden. Die zijn een petitie begonnen om meer openheid af te dwingen. De smet op het imago van Prijedor zal voorlopig blijven.