De januskop van Amerika

Self made man op de maan

Amerikanen haten de overheid, maar ze vergeten hoezeer hun samenleving door de overheid is gevormd. Of het nu gaat om wegen, raketten of de economie. Of om de noodhulp na de recente natuurrampen.

Medium anp 52944233
Geëvacueerden wachten na orkaan Harvey op hulp van FEMA, de nooddienst van de federale overheid, Houston, 29 augustus © MARK RALSTON / AFP / ANP

Amerikanen hebben een lastige relatie met hun overheid: ze kunnen niet met en ze kunnen niet zonder. De standaardpositie is dat ze de overheid haten, dat ze haar niet nodig hebben en dat alles wat met overheid heeft te maken zo veel mogelijk moet worden gemeden. Vaak weten ze niet eens wat hun overheid doet, of weigeren ze daarover na te denken. Totdat een of een andere ramp hen treft en ze in Washington aankloppen om directe hulp van nooddiensten en miljarden om weer op de been te komen.

In augustus was deze januskop van Amerika mooi te zien in Houston, waar een stad die dagelijks offert op het altaar van ruig individualisme – ‘don’t tread on me’ – ineens ontdekte dat een effectieve overheid geen overbodige luxe is. Houston is gebouwd zonder bouwvoorschriften of regulering, daar willen Texanen niet mee lastiggevallen worden. Het gevolg was dat de zompige vlakten die bij zware regenval het water absorbeerden volgebouwd waren of bedekt met asfalt. Een langetermijnbeleid om problemen te voorkomen, een investering in de toekomst? Verplichte verzekeringen? Onbespreekbaar.

Toen het misging met orkaan Harvey zag je de andere kant. De nooddienst van de federale overheid, fema, moest te hulp schieten, president Trump maakte direct enige tientallen miljarden vrij om de puinhopen op te ruimen. Het mooiste was nog om de van anti-overheidsretoriek bezielde en van Texaanse arrogantie druipende senator Ted Cruz in zijn schulp te zien kruipen. In 2015 had Cruz nog hulp geblokkeerd aan New Jersey en New York na orkaan Sandy – dat zou allemaal verspilling zijn. Nu hield hij zijn hand op. Cruz vertegenwoordigt in extreme vorm een specifiek Amerikaanse mentaliteit: weg met de overheid, behalve als ik haar nodig heb.

In Florida, twee weken later getroffen door een orkaan en een staat waar een anti-overheidsgouverneur de scepter zwaait, ging het niet anders. Ook hier steden op plekken waar eigenlijk geen steden zouden moeten liggen. Ook hier retoriek tegen de bemoeizuchtige overheid en de leugens van klimaatopwarming. En ook hier de roep om hulp. Het zijn mooie illustraties van de ambigue relatie van Amerikanen met hun overheid.

Misschien komt het doordat Amerika tot stand kwam in een opstand tegen een verre overheid, maar het lijkt wel of Amerikanen worden geboren met een anti-overheidsgen. En dat geldt ook voor mensen die er redelijk progressieve ideeën op nahouden. In een aantal opzichten is het een gemakzuchtige riedel, een steeds herhaald refrein dat in de herhaling zijn kracht krijgt. Dit is de Amerikaanse identiteit, vergelijkbaar met de vermeende tolerantie van Hollanders of de joie de vivre van Fransen. En net zo losgezongen van de werkelijkheid.

Hun hele geschiedenis lang koesterden Amerikanen een mythisch verhaal van individualisme en ondernemerschap. Ze hebben dat verhaal zo geïnternaliseerd dat ze niet meer in staat zijn te onderkennen hoezeer hun samenleving door de overheid is gevormd, hoe belangrijk overheidsprogramma’s waren voor het Amerika dat ze kennen. Amerika is ondenkbaar zonder die sterke overheid.

We hoeven niet de hele geschiedenis door te ploegen om dat te zien. Terug naar de Tweede Wereldoorlog is voldoende. Om de Duitsers en de Japanners te verslaan ging Amerika over op een gestuurde economie die zonder oorlogsomstandigheden nooit mogelijk was geweest. Was die inspanning nog noodzakelijk of onontkoombaar, dat gold niet voor het opvangprogramma voor terugkerende veteranen. Met de Servicemen’s Readjustment Act van 1944, beter bekend als de GI Bill (GI staat voor de Amerikaanse soldaat, een gewone General Issue Joe), creëerden de politici min of meer onbedoeld het meest succesvolle social engineering-project dat de Verenigde Staten ooit uitvoerden. Zelfs de zuidelijke racisten, die liever geen hulp gaven aan zwarten, stemden ermee in. In plaats van de standaardbonus voor soldaten besloot het Congres, na furieus lobbyen van de American Legion, de grootste veteranenorganisatie, om niet een vast bedrag te geven maar geld beschikbaar te stellen voor het bereiken van specifieke doelen: onderwijs, het opzetten van een eigen bedrijf, hulp bij het kopen van een huis. Bijna acht miljoen veteranen profiteerden van gesubsidieerd onderwijs. De overgrote meerderheid werd opgeleid in technische scholen of binnen banen, 2,2 miljoen veteranen gingen naar universiteiten, veel meer dan verwacht en veel meer dan gegaan zouden zijn zonder de GI Bill. In totaal werd 14,5 miljard dollar besteed aan onderwijs en training, minder dan een bonus had gekost en van veel grotere waarde. Tot ver in de twintigste eeuw zou de hoge opleiding van de gemiddelde Amerikaan het land een enorm voordeel verschaffen.

Daar bleef het niet bij. De Veteran’s Administration stond garant voor bijna 16,5 miljard in leningen voor huizen, boerderijen en ondernemingen. Huizenbouwers realiseerden zich dat hier een enorme markt lag als de prijzen laag gehouden konden worden. Een van die bouwers was William Levitt, die wijken aan ging leggen met geprefabriceerde huizen, al snel Levitt Towns genaamd. De rest van het land volgde met het aanleggen van wijken met gelijke huizen in uitgestrekte suburbs. De GI Bill maakte de overgang van een oorlogseconomie naar een consumenteneconomie vloeiend en vormde de inleiding tot een lange periode van groei van de middenklasse.

De Amerikaanse overheid nam negentig procent van de kosten van het autowegennet voor haar rekening

Een ander voorbeeld zijn de autowegen. Iedereen die in Amerika heeft gereisd kent het systeem van de Interstate Highways, de genummerde freeways. Ze hebben even nummers van oost naar west, oneven van noord naar zuid. We danken het aan een gigantisch overheidsproject opgezet door president Dwight Eisenhower. Natuurlijk waren er altijd al allerlei doorgaande wegen, zoals de mythische Route 66 van Chicago naar Santa Monica, maar het ontbrak nog aan de verbinding en de landelijke dekking. Tijdens de oorlog was Eisenhower als opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten onder de indruk geraakt van de Duitse Autobahn, waar hij met zijn troepen lekker door kon rijden. Dat was nog eens wat anders dan wat hij in 1919 als jonge officier had ervaren toen een troepentransport er 62 dagen over deed om van de oostkust naar de westkust te komen.

In 1956 tekende Eisenhower de Federal Aid Highway Act die voorzag in 67.000 kilometer snelweg. In de Koude Oorlog kon het gemakkelijk verkocht worden als cruciaal voor de nationale veiligheid. Het prijskaartje was 25 miljard dollar en het systeem zou in 1969 klaar moeten zijn. De federale overheid nam negentig procent van de kosten voor haar rekening, staten de rest. Een Highway Trust Fund zorgde voor onderhoud, met inkomsten uit een belasting op benzine. In 1972 was het netwerk grotendeels klaar op een aantal resterende flessenhalzen na. De I-10, van Jacksonville, Florida, naar Santa Monica, Californië, werd pas in 1990 voltooid.

Eisenhower was een sluwe president, iemand die veel meer krediet verdient dan hij indertijd kreeg. Hij was een Republikein, maar niet een van het dogmatische of obstructionistische soort. Een ander voorbeeld van zijn pragmatisch doelgericht beleid is te zien toen de Sovjet-Unie op 4 oktober 1957 de eerste satelliet lanceerde. De Spoetnik zorgde voor blinde paniek onder de Amerikaanse bevolking. De blinkende bol in de ruimte sloeg een bres in hun idee van militaire onkwetsbaarheid: wie een satelliet kan lanceren kan ook een bom sturen. Bovendien ‘wonnen’ de Russen op een terrein waarop Amerika voor dacht te liggen: wetenschap en technologie.

Eisenhower wist wel beter. Hij verbaasde zich vooral over de onvolwassen reacties van zijn eigen bevolking. Al eerder had hij gewaarschuwd dat de Koude Oorlog een andere dimensie zou krijgen met de onvermijdelijke intercontinentale raketten. Maar geen Amerikaan had gedacht dat de onder het communisme zuchtende wetenschappers de eerste slag zouden winnen. Eisenhower kreeg de gebruikelijke vragen: hoe had dit kunnen gebeuren? Was er sprake van verraad? Wie was verantwoordelijk? En hoe te reageren? De Democratische oppositie riep dat de president het land had laten versukkelen.

Eisenhower wist dat de Amerikaanse satelliet was vertraagd door gekibbel tussen marine en luchtmacht en dat Amerika op andere terreinen, zoals de miniaturisering van kernwapens zodat er verscheidene op één raket gezet konden worden (mirv-technologie), al veel verder was dan de sovjets. Liever dan overbodige en nutteloze geruststellingen greep Eisenhower de gelegenheid aan om een wet door het Congres te rammen die middelen vrijmaakte voor wetenschap, taalbeheersing en regionale studies in het kader van de Koude Oorlog. Zijn National Defense Education Act was verregaande onderwijswetgeving die onder andere omstandigheden geen kans had gehad. Hij zou de fundamenten leggen voor de hightech-ontwikkeling. Soms komt er iets goeds van onzinnige paniek. En Republikeinen zoals Eisenhower, die maken ze niet meer.

Medium anp 53030413
Senator Ted Cruz in het evacuatiecentrum, Houston, 4 september © Justin Sullivan / AFP / ANP

Het nasa-ruimtevaartprogramma sloot hier meteen op aan. Opnieuw was er sprake van een gigantisch overheidsprogramma en opnieuw werd het gerechtvaardigd als een noodzakelijke uitgave in de concurrentiestrijd met de Sovjet-Unie. In 1961 kondigde president Kennedy een miljardeninvestering aan in bemande ruimtevaart, met als doelstelling uiterlijk in 1969 een man op de maan. De belangrijkste drijfveer was het aftroeven van de Sovjet-Unie, want achterstand of verlies van deze race zou slecht uitpakken voor Amerikaans prestige en moraal. Sterker nog, het zou het kapitalisme ondermijnen en de Sovjet-Unie op voorsprong zetten. Om het programma brede steun te geven werden in het hele land delen van het ruimtevaartprogramma opgezet: daarom zat mission control in Houston, vonden lanceringen plaats in Florida en zat het algemene management in Virginia.

Dit ultieme overheidsprogramma boekte succes op 20 juli 1969: gadegeslagen door honderden miljoenen televisiekijkers landde een Amerikaan op de maan. Het getuigde van de energie, de investeringen en de vindingrijkheid van Amerika dat slechts acht jaar nadat president Kennedy een landing op de maan als doelstelling had geformuleerd, die ook werd verwezenlijkt. Het werd ervaren als een overwinning op de sovjets, ook door henzelf. Belangrijker was dat dit investeringsprogramma een enorme impuls gaf aan praktisch toepasbaar wetenschappelijk onderzoek. De digitalisering van de samenleving begon bij de nasa en het Pentagon.

Volgens Ronald Reagan waren de meest afschrikwekkende woorden: ‘Ik ben van de overheid; ik kom u helpen’

Zonder deze investeringen had de hightech-industrie die vanaf de jaren tachtig opkwam zich niet zo snel kunnen ontwikkelen. De ruimtevaart hielp daarbij, maar cruciaal daarvoor was het Defense Advance Research Projects Agency (darpa), ook door Eisenhower opgezet als reactie op de Spoetnik (als arpa). Begin jaren zestig werkte darpa al met een Global Positioning System (gps). Het internet, oorspronkelijk arpanet, werd opgezet door dit defensiebureau als middel om computers met elkaar te laten communiceren. Infraroodtechnologie, lasers en andere technologie kwam uit hun researchlaboratoria, vaak in samenwerking met grote technische bedrijven die profiteerden van miljarden dollars aan research and development.

Elektronische post werd vanaf eind jaren zestig gebruikt in samenhang met de ontwikkeling van het internet. In 1973 al publiceerde darpa een handboek met de standaarden voor e-mailgebruik. De universiteiten waren de eersten die e-mail op grote schaal gebruikten. Creatieve ondernemers en zakenlui verdienen alle krediet voor hun slimheid en marktbewustzijn om hier een miljardenindustrie van te maken, maar ze vergeten vaak de stimulerende rol van de overheid te vermelden. De gemiddelde Amerikaan heeft er al helemaal geen idee van. Die denkt dat die slimme jongens het allemaal zelf bedacht hebben.

Sinds de jaren tachtig, sinds Ronald Reagans presidentschap, domineert een anti-overheids- en anti-belastingentoon de Amerikaanse politiek. Die was deels ideologisch bepaald door de neoliberale denkwijze die terrein won, deels het gevolg van een belastingopstand in de jaren zeventig. Door de inflatie in die jaren kwamen burgers zonder dat ze er feitelijk op vooruitgingen in hogere belastingschijven terecht, zowel qua inkomensbelasting als voor onroerendgoedbelasting. Het leidde tot verzet in Californië waar door middel van een referendum de inkomsten van de overheid aan banden werden gelegd. In Washington heerst sindsdien een permanente anti-overheidskramp.

Met name de Republikeinen hebben het onderwerp eindeloos uitgemolken. Ze claimen, zonder bewijs, dat lagere inkomstenbelastingen leiden tot grotere economische groei en proberen stelselmatig de overheid financieel de nek om te draaien. In de woorden van de onverbeterlijke lobbyist Grover Norquist: ‘Ik wil de overheid niet afschaffen. Ik wil haar enkel zo klein maken dat ik haar de badkamer in kan slepen en kan verdrinken in de badkuip.’ Republikeinse politici staan in de rij om de door Norquist vereiste no new taxes-verklaring te ondertekenen. Maar ook de Democraten speelden mee. In 1996 verklaarde Bill Clinton dat ‘de tijd van big government’ voorbij is. Ondertussen maakten de lobby’s de miljardenverspilling in subsidies voor ondernemingen en in de landbouw onaantastbaar.

Zo heeft de geschiedenis Amerika opgezadeld met een anti-overheidstraditie en tegelijkertijd een traditie van een actieve overheid. Wat de feiten ook mogen zijn, afkeer van de overheid als politieke slogan is al zo oud als de republiek en werkt bijna altijd. Thomas Jefferson voerde al campagne tegen Washington DC. Er zit een rare schizofrenie in. In welk ander land zou je bumperstickers tegenkomen met de tekst: ‘I love my country but I hate my government’?

Door de louter negatieve benadering van de overheid is het vertrouwen van de burger in zijn overheid sterk gedaald. Het had zijn toppunt in de late jaren vijftig. Het disfunctionele Congres dat niets gedaan krijgt en louter obstructie oplevert als de Republikeinen de meerderheid hebben, helpt niet dat vertrouwen terug te winnen. Het probleem is dat het geleidelijk aan élk vertrouwen ondermijnt, ook in de gewone overheidstaken waar de meeste Amerikanen geen twijfel over hebben.

Het gevolg is dat beleid dat echt nodig is, zoals onderhoud en verbetering van de infrastructuur en herziening van een absurd duur gezondheidsstelsel, laat staan armoedebestrijding en goed onderwijs, niet van de grond komt. Een land dat zo rijk, zo creatief en zo ondernemend is als de Verenigde Staten, zou toch in staat moeten zijn structurele armoede en achterstand meer te verminderen dan het daadwerkelijk doet. Daarvoor zijn compromissen nodig die in het gepolariseerde klimaat van de afgelopen dertig jaar vrijwel onmogelijk zijn. Het resultaat is stagnatie, wat gegeven de noodzaak van maatregelen neerkomt op achteruitgang.

In de jaren tachtig maakte Ronald Reagan goede sier met een gemakzuchtige riedel. Volgens hem waren de meest afschrikwekkende woorden in de Engelse taal: ‘Ik ben van de overheid; ik kom u helpen.’ In de komende maanden zullen dit in Texas en Florida de meest hoopgevende woorden zijn. Zo lang als het duurt. Want ondertussen zullen de Republikeinen de overheid verder uitkleden. En als iedereen in Texas en Florida weer zit te wachten op de volgende storm zullen ze de overheid weer vervloeken alsof er niets gebeurd is. Het wachten is op een politicus die de rol van de overheid in de Amerikaanse samenleving op een positieve manier over het voetlicht kan brengen. Die kan uitleggen dat Amerika bestaat bij de gratie van een robuuste overheid. Het alternatief is Amerika verder zien eroderen.


Dit artikel is gebaseerd op Frans Verhagens boek Geschiedenis van de Verenigde Staten dat eind deze maand verschijnt bij uitgeverij Boom