Sensuele revolutie

In Jaar van het nieuwe verhaal poogt Daan Borrel de oude ‘romantische, monogame, heteroseksuele relatie’ in te wisselen voor het nieuwe luisteren naar het eigen lichaam. Op zoek naar de vrijheid.

Als je denkt dat je geëmancipeerd bent, schreef Germaine Greer in haar feministische klassieker The Female Eunuch (1970), stel je dan eens voor dat je proeft van je menstruatiebloed – ‘if it makes you sick, you’ve a long way to go, baby’.

Al zal menstruatiebloed proeven voor de meesten nog altijd een stap te ver zijn, sommige trends onder jonge vrouwen lijken in de buurt te komen. Zo is sinds een paar jaar free bleeding helemaal terug (er zijn verschillende varianten, maar de gemene deler is dat er geen tampons worden gebruikt tijdens de menstruatie). De populariteit van de pil is dalende, terwijl er een stijgende lijn zit in natuurlijke anticonceptiemethodes – er zijn tientallen apps die je helpen te bepalen waar je zit in je cyclus (alleen even je temperatuur meten en je cervixslijm bestuderen). Met hashtags als #RightToOvulate en boeken als Period Power: Harness Your Hormones and Get Your Cycle Working for You (2019) of V: Van vulva tot vagina (2019) hoeft de vrouwelijke onderbuik niet langer te klagen over een gebrek aan aandacht. ‘Bloed- en bekkenbodemfeminisme’ vatte Marja Pruis deze tendens onlangs samen in De Groene Amsterdammer.

Het is makkelijk om lacherig te doen over al het recente vagijngestaar (inclusief intense hernieuwde interesse in de anatomie van de clitoris) – ik kijk er zelf ook met enige scepsis naar. Er zit een statige gratie in het intiem houden van je intieme delen; als mannen hun ‘mannelijkheid’ zo benadrukken als deze vrouwen hun ‘vrouwelijkheid’, vinden we dat al snel bedreigend of verdacht, en waren we niet juist bezig om voorbij de binaire man-vrouw-tweedeling te gaan?

En toch, toch begrijp ik het ook heel goed, de achterliggende behoefte dan, wat ik denk dat de achterliggende behoefte is: zichtbaar maken wat onzichtbaar was, wat onzichtbaar moest blijven, omdat het vies zou zijn, ongepast, oninteressant, irrelevant. En hoe slechter we onze eigen lichamen kennen, hoe spookachtiger we voor onszelf worden.

Maar kenden ‘we’ die nog niet dan: die lichamen, die vagina’s en hormonen, die verlangens? Daar hadden we toch de seksuele revolutie voor? En waarom zijn juist (relatief) jonge, overwegend heteroseksuele vrouwen hier nu zo mee bezig?

In haar inleiding op De feministische leeslijst beschrijft Marja Pruis hoe zij en haar mede-tweede-golffeministes na hun rebelse studententijd keurig in het productieve gareel van een patriarchaal ingerichte prestatiemaatschappij gingen meelopen. Ze werden ‘weer gewoon hetero’ en wat overbleef van hun feminisme uitte zich in het wegmoffelen van ‘alles wat naar al te uitgesproken vrouwelijkheid zweemde (…): ongesteldheid, zwangerschap, kinderschaar, preutsheid. Wij leerden in staat te zijn om én mannen van ons af te slaan én ze te omhelzen, het spel mee te spelen, werk en moederschap zonder al te veel zeuren te combineren.’ Het spel meespelen, die strategie heb ik nog meegekregen, en met mij talloze vrouwen die nu tussen de dertig en veertig zijn. Zovelen van ons hebben de afgelopen drie decennia braaf meegedaan: mee in het gedachteloos slikken van de pil, mee in het dictaat van de seriële monogamie, mee in de zogenaamd vrije gij-zult-genieten-moraal rond seks, die vooral betekende dat je niet moeilijk moest doen.

Totdat je het punt bereikt waarop je merkt dat er iets niet klopt. Omdat je de behoefte hebt om met anderen te zoenen en je je afvraagt waarom dat eigenlijk zo’n ramp moet zijn voor een relatie – zie Daan Borrels Soms is liefde dit: Een brief over lichaam, seks en verlangen (2018). Omdat je libido omhoog blijkt te schieten als je van de hormonale anticonceptie afgaat – zie Bregje Hofstede’s ‘Het is tijd om met de pil te stoppen’ in De Correspondent (2015). Omdat je eigenlijk niet geniet van seks en je je daar schuldig over voelt – zie Lize Korpershoeks documentaire Mijn seks is stuk (2019). Omdat je erachter komt dat je verlammende pijn tijdens de menstruatie die dokters jarenlang wegwuifden voortkomt uit de serieuze medische conditie endometriose – zie Abby Normans Ask Me About My Uterus (2018). Omdat je de diagnose baarmoederhalskanker krijgt en je plots een lichaamsdeel kwijtraakt waarvan je het bestaan nauwelijks kende, zoals mij overkwam – zie ‘Het orgaan’ in Wolf: Dertien essays over de vrouw (2019).

(‘Als je toch niet zwanger wilt worden’, zei de mannelijke oncologisch gynaecoloog tegen me, ‘dan kunnen we de hele baarmoeder er ook wel uithalen.’)

(Je wordt niet als feminist geboren, je wordt tot feminist gemaakt.)

We waren nog niet klaar, natuurlijk niet. We hebben onze lichamen te lang genegeerd, onszelf onvruchtbaar slikkende hoofden op stokjes die we waren. En wat we nu delen is het gevoel: dit is mijn lichaam, maar ik heb geen idee wat het wil; laat ik er eens naar gaan luisteren, horen wat het zegt. Zo kan een kleine, persoonlijke handeling als het volgen van je natuurlijke cyclus worden beschouwd als een politieke daad, vertelde Ellen Algera me, die anticonceptie-apps onderzoekt (en zelf gebruikt). ‘Het is een methode om het lichaam te reclaimen, om er contact mee te maken. Het is een zoektocht naar een andere manier van omgaan met het lichaam.’

Ik wil er graag in geloven, in die ritselende, ritsloze revolutie van tederheid

Ook het pas verschenen Jaar van het nieuwe verhaal van seksjournalist Daan Borrel (1990) is zo’n zoektocht. Het is het logische vervolg op Soms is liefde dit, waarin Borrel in de vorm van een lange brief aan haar toenmalige vriend probeerde te verklaren waarom ze met een ander wilde zoenen. In dit eerdere boek zette Borrel al haar vraagtekens bij de conventionele westerse invulling van verlangen en seksualiteit. Ze opperde dat het taoïsme, waarin seksualiteit wordt gezien als een levensenergie die je moet leren controleren, een alternatief zou kunnen zijn (al wil ze ook niet helemaal mee in dit ‘oosterse sprookje’). Ze benadrukte dat seksuele vrijheid niet betekent dat je met iedereen naar bed gaat, maar ‘kiezen wat je doet met je seksualiteit, en dus ook te voelen wanneer iets niet hoeft’ (al betwijfelde ze of ze zelf al zover was). Ook de invloed van hormonen kwam kort voorbij, maar ze wilde daar op dat moment, in die brief aan haar vriend, nog niet dieper op ingaan: ‘(Ik vind het te flauw om simpelweg terug te rekenen op welk moment in de maand ik met mijn Dick kuste.)’

Na de stiekeme zoen uit Soms is liefde dit is het Borrel en haar vriend niet gelukt om binnen hun relatie ruimte te vinden voor haar verlangen naar anderen, zo blijkt uit Jaar van het nieuwe verhaal. Al houdt ze nog van hem, ze voelt zich ongezien, en op 1 augustus 2017 maakt ze het uit, om de vrijheid te zoeken. Vrijheid, maar ook: intimiteit, verbinding; ‘het erotische’. Ze geeft zichzelf een jaar, dat ze ‘het tussenjaar’ noemt: ‘Ik wilde in het tussenjaar niet alleen seks om seksuele bevrediging, ik wilde ook seks en verbinding om te helen, om te helen van hoe mensen verbinding maken.’

In het tussenjaar blijkt die helende verbinding niet zo gemakkelijk te vinden binnen losse seksuele contacten, hoe aandachtig ze die ook probeert aan te gaan. Met ene Lasse heeft ze aanvankelijk leuke speelse seks, maar gaandeweg valt ze terug in het aloude patroon van de afhankelijke, hunkerende geliefde (‘een vervelend mens dat alleen maar zat te wachten op een goedkeurend sms’je van hem’). Een van de redenen dat dit gebeurt, constateert ze, is een behoefte aan ‘de oude regels’: ‘Ik moest Lasse hebben omdat ik heb geleerd dat je als vrouw alleen échte intimiteit kan ervaren binnen een romantische, monogame relatie.’ Het loopt stuk. Ook met andere mannen is de verbinding ver te zoeken, telkens heeft minstens een van beiden moeite om echt aanwezig te zijn bij de ander, zonder verwachtingen voor de toekomst. Borrel heeft meer aan de liefde van haar vriendinnen, de wijze adviezen van haar homoseksuele vriend Laurent, haar masturbatiesessies (zij geeft de voorkeur aan de term ‘zelfbeminning’) en haar therapeut Trees, die haar met zachte aanrakingen en kalme vragen helpt om haar verdriet te voelen.

Aan het einde van het jaar (het begin van het boek) concludeert Borrel: ‘Ik ervaar nog steeds dezelfde eenzaamheid, schaamte en onzekerheid als in de periode samen met de Ex. Ik voel nog steeds dat ik veel intiemer zou kunnen leven.’ Ze legt zichzelf (opnieuw) een doel met een tijdslimiet op: gedurende één cyclus moet ze schrijvend terugblikken op het afgelopen jaar, bijhouden hoe haar cyclus haar stemming en gedrag beïnvloedt. Zo moet ze komen tot een verklaring voor haar onvermogen om uit het oude verhaal te breken, het verhaal van de ‘romantische, monogame, heteroseksuele relatie’ waar de Ex voor staat. En ook meteen tot ‘een nieuw verhaal’.

Spoiler: Borrel komt niet tot een sluitende verklaring en ook niet tot een nieuw verhaal. Ze blijft – heel menselijk – schipperen tussen de drang naar controle en het verlangen naar zelfverlies. De cyclus blijkt uiteindelijk van beperkte invloed. Heeft ze het in het begin nog over haar hormonen alsof ze een marionet is die bespeeld wordt (‘Het voelt alsof ik nu niet verantwoordelijk ben voor mijn daden. (…) Dat ik deze dagen iemand mag aanranden, iemand kan verplichten mij te strelen – want mijn hormoonspiegel schreeuwt daar nu eenmaal om’), tegen het einde is het beeld genuanceerder: ‘Alles wat ik in die tussenmaand voelde en opgeschreven heb; de hitsigheid, het verdriet, de honger: ik weet niet of de emoties en lichaamsveranderingen wel precies bij dat moment van de cyclus hoorden (…). Ik geloof niet meer dat enkel hormonen bepalen hoe ik mij verbind en met wie, hoe chagrijnig, knap of hongerig ik ben. Dat gaat ook over hoe uitgeslapen ik ben. Over mijn lichaamshouding, over hoeveel bevredigende seks ik heb, welke verhalen ik deel.’

Het gevaar van het zoeken naar een nieuw verhaal: voor je het weet zit je daar weer aan vast. Zoals Ellen Algera tegen me zei: ‘Het bijhouden van de cyclus wordt soms een soort lifestyle voor mensen. Het geeft een kader. Maar je bent niet alleen je lijf, en zeker niet alleen je cyclus.’ Dit beseft Borrel ook – tegen het einde van Jaar van het nieuwe verhaal benadrukt ze dat één duidelijk verhaal altijd te simplistisch is. (Dat wist ze natuurlijk al: in Soms is liefde dit haalde ze uitgebreid Foucault aan, om te concluderen dat we nooit werkelijk seksueel bevrijd kunnen raken, omdat met het verdwijnen van het ene dominante discours weer een nieuw dominant discours verschijnt dat tot nieuwe geboden leidt.)

Tegelijkertijd lijkt Borrel het verhaal waaraan ze nu is begonnen, het verhaal van het luisteren naar haar lichaam, nog niet te willen opgeven. Op sociale media is ze moedig tot in detail blijven rapporteren over haar cyclus (‘Ik geloof dat iedere menstruatie je iets kan vertellen’), met geregelde bijval van met name vrouwelijke volgers (‘Amen!’). Ze sprak er ook van een ‘sensuele revolutie’ waar ze volgens collega Stella Bergsma (schrijver van Pussy Album) deel van uitmaakt: ‘Seksualiteit zonder de male gaze.’ Uit Borrels boeken en posts maak ik op dat de hoop van zo’n sensuele revolutie vergelijkbaar is met die van de eerdere seksuele revolutie: dat we, door onze lichamen en verlangens beter te leren kennen, rijkere levens gaan leiden, waarin we ook meer kunnen betekenen voor anderen, voor de wereld. Uiteindelijk zou het zelfs de klimaatproblematiek moeten tegengaan.

Als de verwachtingen van de aandacht voor de vrouwelijke onderbuik zo ver worden doorgetrokken, slaat bij mij de scepsis weer toe. Omdat we hebben gezien hoe het verder ging met onze hippiemoeders en de wereld die zij achterlieten. Omdat het richten van de blik op de eigen clit en cyclus me al te veel doet denken aan yoga, meditatie en mindfulness: potentieel goede principes die wanstaltige trekjes gaan vertonen in de maag van onze individualistische, kapitalistische cultuur (zie: zorgverzekeraars die mindfulnesstrainingen vergoeden, zodat je na je burn-out weer lekker snel kunt meedraaien). Omdat ik de radicale potentie betwijfel van alles wat verwordt tot een trend of een lifestyle, tot plaatjes voor op je Instagram. Omdat het Borrel ondanks alle mooie woorden over verbinding in Jaar van het nieuwe verhaal toch vooral gaat om hoe die verbinding háár kan helen. Omdat ik me afvraag of ‘verbinding’ in praktijk toch weer een eufemisme wordt voor ‘rondneuken’, wat niet alleen in tijden van corona ongewenste gevolgen heeft.

Ik wil het feestje niet bederven, ik wil niet altijd maar sceptisch zijn. Ik wil er graag in geloven, Daan, in die ritselende, ritsloze revolutie van tederheid; met of zonder speekseloverdracht (nu in elk geval even zonder). Jouw ambivalenties zijn de mijne. We zitten allebei vast in onze tijd, in structuren die we niet hebben bedacht maar waar we ons toch aan hebben gehecht; in ons gebrekkige vertrouwen in grote verhalen, onze prestatiedrang, onze behoefte aan controle en veiligheid, onze eigenwijze lichamen. Net als jij wil ik het niet van tevoren al opgeven.

Het geeft ook niet als het nieuwe luisteren naar het lichaam geen blijvende alles-veranderende omwenteling wordt. Je schreef het zelf al in Soms is liefde dit, dat volgens het taoïsme het leven in golven komt, in seizoenen; ‘het kan niet altijd zomer zijn’. En Marja Pruis schreef het al in De feministische leeslijst: ‘Zwijgen wordt altijd opnieuw verbroken. Er is altijd wel iets ongezegd dat nog gezegd moet worden, of op een andere manier gezegd moet worden.’ Na ons komen weer nieuwe generaties, nieuwe golven, nieuwe verhalen.

Zovelen van ons zijn zoekende; laten we zoeken dan, naar ons tijdelijke nieuwe verhaal, naar een manier om uit het huidige spel te breken, naar een samenleving waarin we sterker met elkaar verbonden zijn, meer aandacht hebben voor elkaar, waarin onze lichamen en onze verlangens gehoord worden, zonder dat we per se moeten toegeven aan al die verlangens. Een samenleving waarin we onszelf niet langer klein maken en niet langer tekort voelen schieten. Zonder onze hoofden te vergeten, zonder zelfgenoegzaam te worden, en zonder de mannen buiten te sluiten (god weet dat zij het ook nodig hebben).

We kunnen het op z’n minst proberen. We zijn het al aan het proberen.