De tranen kwamen zomaar. Het ene moment zat ik weliswaar met bewondering maar toch ook enige afstand naar het schouwspel te kijken, het volgende moment stroomde ik over. Het kwam door die blote rug, of beter gezegd, die blote rug als accumulatie van al het voorgaande. Daar zat ik, compleet overweldigd, te kijken naar een blote rug. Ik durfde in het geheel niet te bewegen, niet weg te kijken, niet te ademen.

Een paar uur eerder had ik de baby achtergelaten bij zijn vader. Alles geregeld: gekolfde melk, testen voor toegang, strak pak om niet-zo-erg-strak lijf (aanval is de beste verdediging). Op de fiets naar het theater, gewoon, alsof alles niet was veranderd. Alsof de wereld zichzelf nog was, alsof ik nog bestond als eerste persoon enkelvoud, niet lichtjaren was verwijderd van het meisje op de fiets met een gigantische stadsplattegrond op zoek naar een kamer (berghok, bezemkast).

Dat alles had ermee te maken, en ook weer helemaal niet. De afgelopen anderhalf uur had uit niets anders bestaan dan de dansende vrouw en de pianist, dat was het juist, alle ruis van de wereld teruggebracht tot de mathematische precisie van deze choreografie, de muziek, de concentratie van die twee mensen op het podium. Ik had in mijn leven te weinig dans gezien, dacht ik. Ik vroeg me af op welk niveau van fictie de dans en de danser zich bevonden. Was de danser zichzelf, was ze een personage, iemand die een versie van zichzelf speelde? Moest ik haar bewegingen letterlijk nemen, waren ze symbolisch? Keek ik naar iemand die een dans uitvoerde, iemand die leefde in een universum waar dans de enige expressie was en dus naar een mensenleven? En toen dus: die rug.

In zijn essay Geschonden door het weten (opgenomen in de pas verschenen bundel Is dit alles?), gaat Jan Postma (ja, die van De Groene Amsterdammer) op zoek naar een definitie van sentimentaliteit die het begrip meer recht doet dan het ‘overdreven gevoelig’ dat hij aantreft in zijn woordenboek. ‘Is sentimentaliteit emotie zonder oorzaak?’ vraagt hij zich af. ‘Komt het verwijt neer op het idee dat bepaalde emoties niet helemaal oprecht zijn omdat ze geen verband houden met een onderliggende werkelijkheid? Of draait het net zo vaak om emoties die wel aan iets reëels raken, maar die niet in verhouding lijken te staan tot dat waarop ze betrekking hebben?’

Die tranen moesten wel over iets anders gaan, het kon niet zomaar die dans zijn, het is nooit zomaar die dans

Ik was nog niet klaar met voelen, daar in die schouwburg, of ik zag mezelf al zitten: jonge moeder met overschot aan emoties barst in tranen uit zodra ze in aanraking komt met zoiets als schone kunsten. Het summum van sentimentaliteit! Die tranen moesten wel over iets anders gaan, het kon niet zomaar die dans zijn, het is nooit zomaar die dans.

Met mijn ogen naar de vloer gericht schuifelde ik de zaal uit. Mijn gezelschap stond in een kringetje in de foyer. Iemand praatte over zijn dieet, mijn tepel begon te lekken, het elastiek dat me aan mijn leven bond stond strak, ik moest aftaaien.

Thuis werd ik boos om niets (een flessendop om precies te zijn, de vader van het kind had vergeten de flessendop terug te doen op de fles en nu lekte er melk in de tas). Was je avond niet goed, vroeg hij, de voorstelling niet mooi? Het was godverdomme prachtig, die voorstelling, hartverscheurend mooi. Ik kon er alleen niets over zeggen, het viel niet te zeggen en bovendien was het ondraaglijk om op dit moment in gezelschap te verkeren, welk gezelschap dan ook. Mijn eigenlijke leven was zowel te veel als te weinig, ik wilde erboven blijven zweven, woordeloos, of eronder, een ongewervelde op de bodem van de oceaan.

De dagen erna bleef ik zo’n beetje uit het lood geslagen. Het was geen onprettige toestand: ik deed alles wat ik de weken daarvoor ook deed, ik leefde, kortom, mijn banale en wonderbaarlijke nieuwe leven met de baby. Het enige verschil was dat ik óók ergens anders leefde: een plek die even helder en onbegrijpelijk was als een peilloos diep en ijskoud bergmeer.

Ik geloof dat het uiteindelijk toch niet om iets anders ging dan die dans. Misschien waren mijn tranen kitscherig, ze waren tegelijk zeldzaam oprecht – waarmee ik vooral bedoel: van toepassing op precies hetgeen waarop ik ze van toepassing achtte. ‘Sentimenteel’, concludeert Jan Postma, ‘is de verstrengeling van gevoelens en ideeën, het is niet dat de gevoelens overdreven zijn maar dat de ideeën tekortschieten.’