Sentimenteel verleden

Opgepoetste beelden van vroeger raken ons diepste sentiment: ze bieden ons het troostrijke besef dat ook wij, nu, vandaag, er maar amper toe doen. Dat we nietig zijn. Net als alle anderen.

Ik zit op de rand van mijn bed en ik luister naar The Beatles Live at the BBC. Ik ben elf jaar en ik draai het dubbelalbum vrijwel onafgebroken op het goedkope stereotorentje dat bij het hoofdeinde staat. Het is niet dat ik Beatles-fan ben, geloof ik, maar ik luister naar de twee cd’s totdat mijn Engelse vocabulaire zich kan meten met dat van Lennon en McCartney en al mijn onbegrepen verlangens volledig samenvallen met de begeerte waarover de twee in nummer na nummer zingen. Ik luister naar ‘I saw her standing there’ alsof ik binnenkort over ten minste drie verborgen betekenislagen moet kunnen uitweiden tijdens een toelatingsexamen op de leerschool der liefde.

Geen zorgen, dit gaat verder niet over mijn éducation sentimentale of The Beatles. Ik zag toevallig een fragment van een documentaire over de band waaraan Peter Jackson op dit moment de laatste hand legt en het beeld van dat kind dat van alles voelde en niets begreep verscheen zo kraakhelder voor mijn geestesoog dat ik het niet kon negeren.

Jackson kan putten uit een grote berg ongepubliceerd materiaal en, afgaande op dat wat hij alvast met de wereld deelde, heeft hij van alle moderne technieken gebruik gemaakt om dat wat inmiddels een halve eeuw oud is van nieuwe glans te voorzien.

Zijn They Shall Not Grow Old werd een paar jaar geleden enthousiast ontvangen. De zorgvuldig opgepoetste beelden van Britse jongens die haast zorgeloos naar de Vlaamse velden marcheerden waren onweerstaanbaar. Toch was niet iedereen te spreken over het project. Luke McKernan, een curator van de British Library, ergerde zich dood aan Jacksons sentimentele verhaal over de betekenis van de film. Het verleden laat zich niet dichterbij brengen door technische foefjes, schreef hij. Het inkleuren van filmbeelden biedt weliswaar de illusie van zulke nabijheid, maar wat het in feite doet is ons op grotere afstand plaatsen van het daadwerkelijk overgeleverde historische materiaal.

We zitten op de rand van ons bed en verlangen van alles en begrijpen niets

Jackson kleurde niet alleen beelden in. Hij liet de computer ook nieuwe frames genereren die hij tussen het bestaande materiaal kon monteren. Hierdoor werden de bewegingen van de gefilmde soldaten plotseling vloeiend. Maar een film die eruitziet alsof hij twee weken eerder is geschoten, behoort toe aan onze eigen tijd, vond McKernan, niet aan die waarin we zogenaamd geïnteresseerd zijn: ‘It’s the effort that creates the understanding. Without that there is no true sympathy, only false sentiment.’

De briljante biograaf, te zien via de filmspeler van EYE, is een lange compilatie van beelden die rond de voorlaatste eeuwwisseling door heel Europa zijn gemaakt met de Biograph, een uitvinding van de Schot William Kennedy-Laurie Dickson. Er zit veel materiaal uit Nederland tussen. Een menigte in Amsterdam die staat te wachten op een tram, volwassen mannen in gestreepte badpakken die in de branding in Scheveningen elkaar nat spetteren als een stel kleine kinderen, kinderen in klederdracht in een bootje op Marken en nog zo wat van die dingen. De moderne filmtechnologie werd ook vaak ingezet om andere moderne zaken over het voetlicht te brengen. Een auto die in Zwitserland off road over een treinspoor een berg afdaalt bijvoorbeeld, of sir Hiram Maxim die glunderend van trots de werking van zijn automatische machinegeweren demonstreert.

De Biograph gebruikte uitzonderlijk groot filmmateriaal en dat resulteert in heldere en haarscherpe beelden. De mensen die in beeld komen zijn niet minder werkelijk dan alle collega’s, familieleden en vrienden die deze dagen via schermen in mijn leven aanwezig zijn. Toch is het niet alsof de deelnemers aan een rouwprocessie in Rome of die aan de optocht van de minderbroeders kapucijnen nabij het Vaticaan deel lijken uit te maken van onze eigen tijd. Het is in hun geval eerder alsof ze naar het heden reiken vanuit een veel dieper verleden dan de schamele 120 jaar die hen en ons scheidt.

Vorige week deed een korte tekst van Iggy Pop uit 1995 de ronde op internet. Het was een bijdrage getiteld ‘Caesar Lives’ aan Classics Ireland, een peer-reviewed wetenschappelijk tijdschrift. Iggy zocht woorden voor zijn grote liefde voor Edward Gibbons The History of the Decline and Fall of the Roman Empire en vertelt hoe hij ooit in een opwelling een ingekorte versie kocht en hoe hij op tour in een prettige roes van drank en drugs wegzonk in de wondere wereld der Romeinen. Het was niet alleen dat het boek zo mooi geschreven was of dat het hem hielp de politiek van zijn eigen tijd beter te doorgronden. Wat Gibbon hem vooral bood was troost, denk ik. Hij schrijft ergens: ‘I feel great comfort and relief knowing that there were others who lived and died and fought so long ago; I feel less tyrannized by the present day.’

Onze bewondering voor opgepoetste beelden uit het verleden is ten diepste sentimenteel. Maar hoe erg is het dat we er ademloos naar kijken niet omdat ze ons iets over ‘toen’ vertellen, of omdat ze mensen die al zo lang dood en vergeten zijn even aan die dood en vergetelheid lijken te ontrukken? Niet heel erg, denk ik. Wat ze ons bieden is iets anders. Wat ze ons bieden is het troostrijke besef dat ook wij er maar amper toe doen. Dat we op de rand van ons bed zitten en van alles verlangen en niets begrijpen. Dat we nietig zijn. Wat werkelijk wordt in onze confrontatie met het verre verleden is ons hier en nu.