MEDIA

Sentimenten

Waar het EK voetbal en de Tour de France deze ‘sportzomer’ faalden, daar slaagden de Olympische Spelen ruimschoots: ons nationaal gevoel te strelen, om niet te zeggen op te pompen.

Zwemmers, wielrenners, hockeyers, watersporters en gymnasten zetten mooie resultaten neer. Bijna dagelijks konden de media successen melden – en ondertussen is een heel nieuwe generatie opgezadeld met nationale sentimenten die weliswaar natuurlijk lijken maar in feite zijn aangeleerd, opgedrongen en ingeplant. Hoe valt anders te verklaren dat we, telkens weer bij het horen van het volkslied, tijdens een huldiging of een andere ceremonie, worden bevangen door vage emoties, dat we kippenvel krijgen of een brok in de keel – zelfs de verstokte republikein of de overtuigde wereldburger, wars van het nationalisme dat de wereld de afgelopen eeuwen zoveel rampspoed heeft bezorgd.

Aanhangers van datzelfde nationalisme willen ons maar al te graag doen geloven dat onze aard als Nederlander zich op dergelijke momenten niet verloochent en dat het bloed nu eenmaal kruipt waar het niet gaan kan. Anders gezegd: de onberedeneerde emoties bij het horen van het volkslied zouden diepere gevoelslagen aanspreken, gebaseerd op een natuurlijke verbondenheid met het vaderland. Onzin natuurlijk, maar het knaagt wel: dat zulke sentimenten op dat soort momenten opkomen, voelt toch een beetje als betrapt worden – alsof we mét die gevoelens onze principes verraden en het Wilhelmus voldoende is om een pantser van hoogmoedig kosmopolitisme te kraken.

Goed beschouwd is er evenwel geen aanleiding onszelf uit te leveren aan half mystieke theorieën over een natuurlijke, nationale verbondenheid en de waarde van het wereldburgerschap in twijfel te trekken. Zo verbazingwekkend is het goed beschouwd allemaal niet. Het volkslied en de bijbehorende ceremonies zijn immers beladen met herinneringen: herinneringen die we bewust of onbewust koesteren en terugvoeren naar feestelijke en plechtige momenten die we, vaak nog als kinderen, hebben ondergaan. Herinneringen aan indrukwekkende overwinningen in de sport, die mensen bij elkaar bracht. Maar ook herinneringen die te maken hebben met herdenkingen van slachtoffers, te beginnen met de doden van de Tweede Wereldoorlog. Indrukwekkende en dierbare momenten, die diep in ons geheugen gegrift staan. Niet de ‘verbondenheid met de Nederlandse natie’ – wat dat ook moge zijn – maar de sentimenten, verbonden met dergelijke herinneringen, worden bij het horen van het volkslied als het ware gemobiliseerd.

De media – zo goed als schoolboeken, politici en andere gezagsdragers – willen ons in meerderheid iets anders doen geloven. Deze Spelen vormen daarvan een levend bewijs. Net als bij eerdere sportevenementen werden de verwachtingen in de aanloop naar het toernooi torenhoog opgeschroefd. ‘Nederland hunkert naar succes’, zo heette het in een sterk staaltje van chauvinistische projectie. Wat volgde was een vergaande selectiviteit in de verslaggeving, een systematische eenzijdigheid en oeverloze zelfbewieroking, die een atmosfeer creëerden waarin nauwelijks ruimte was voor een professionele, meer afstandelijke benadering. Niet alleen Hans van Zetten, commentator bij de turnoefening van Epke Zonderland, huldigde het beginsel van ‘een positieve invalshoek van de waarheid’ – vrijwel alle media deden dat, zo goed als ze zich, mét Van Zetten, opstelden als ‘de verkenners van het leger supporters’.

Wie tijdens de Spelen voor de aardigheid eens op een buitenlandse televisiezender overschakelde of een internationale krant opensloeg, zou allicht hebben kunnen denken dat er in Londen meerdere toernooien tegelijk plaatsvonden, met slechts een paar gemeenschappelijke deelnemers, in tennis en atletiek bijvoorbeeld. Nu wordt de berichtgeving natuurlijk voor een belangrijk deel gestuurd door commerciële belangen, maar los daarvan had ze veel weg van vroegere propagandaoorlogen, waarin ieder land zijn recht op ‘een positieve invalshoek van de waarheid’ kon botvieren.

De toon die veel verslaggevers tijdens de Spelen aansloegen, was vrijwel zonder uitzondering über-Nederlands. Neem de manier waarop het succes van Ranomi Kromowidjojo werd geannexeerd. In hun ijver Kromo­widjojo en haar prestaties te nationaliseren – tenslotte heeft ze toch een beetje een vreemde naam – wordt ze bestempeld als exponent van een ‘typisch Groningse nuchterheid’. Een enorm cliché, dat met evenveel recht zou kunnen worden ingeruild voor een ander: waarom zouden we haar niet kunnen zien als toonbeeld van een ‘typisch Javaanse ingetogenheid’? Die vraag stellen is natuurlijk vloeken in de kerk van het nationalisme, en nog wel tijdens de hoogmis. En zo creëren de Spelen een nieuwe voedingsbodem voor nationalistische sentimenten: over een kwart eeuw pinkt de twaalfjarige van nu een traantje weg wanneer het Wilhelmus weerklinkt bij een gouden medaille op de vlinderslag.