Serene onrust

Serenity & Anxiety. Onder dat alomvattende motto bracht het Holland Festival in 2009 veel goede voorstellingen uit Japan, India, Vietnam, Amerika, Zuid-Afrika, Frankrijk, Duitsland en uit Nederland. Mag je daar nog kritiek op hebben?

Er valt ook wel iets aan te merken op het Holland Festival van 2009. Al het drukwerk is foeilelijk. Nare, rommelige, onleesbare affiches, met halfverstopte doodskoppen, lelijke, flauw geruite programmaboekjes, en aan de theaters wat miezerige versiering, alsof er hier en daar een plakbandje over moest. Vormgevers Maureen Mooren & Daniël van der Velden wonnen een paar jaar geleden nog prijzen voor hun HF-affiches. Van mij mogen ze ze dit jaar teruggeven.
Er is geen enkele festivalsfeer. Het feitelijke festivalcentrum is de Amsterdamse Stadsschouwburg, waar de meeste voorstellingen te zien zijn, maar daar heerst na de verbouwing de horeca. Festivalbezoekers moeten aan de zijkant binnendringen en maar hopen dat ze er bij brand ooit nog uit kunnen komen en dat dan iemand van het personeel zo attent zal zijn al die glazen deuren open te doen.
Wel zijn bij alle voorstellingen interessante en goedbezochte inleidingen. De festivalbezoekers willen blijkbaar meer dan alleen een voorstelling zien. Maar er is geen enkele gelegenheid om achteraf thema’s uit te diepen, kunstenaars met elkaar te confronteren, de visie van de leiding van het festival te leren kennen.
Het motto van dit jaar was Serenity & Anxiety. Serene onrust, zo zou je de muziek van de Franse componist Pascal Dusapin kunnen betitelen, wiens werk dit jaar centraal stond en die voor velen de ontdekking van dit festival is. Misschien dat zijn opera Passion, die nu maar één keer te zien was en waarvan geen enkele opname is gemaakt, door Pierre Audi kan worden teruggehaald in de reguliere programmering van de Nederlandse Opera? Sereen was ook de onrust van sopraan Caroline Stein, in Medea van Dusapin, eigenlijk een grote zangsolo op tekst van Heiner Müller, schitterend verdanst door het gezelschap van Sasha Waltz.
Onrust of niet, het was een festival met veel hoogtepunten en nauwelijks of geen tegenvallers. De voorstellingen waren vaak regelrechte klappers (Hiob, Carmen, Bunraku), meestal behoorlijk interessant (de Zuid-Afrikaanse performancekunstenaar Steve Cohen, Christoph Schlingensief en zijn tegendraadse kerkdienst, Indiase zangers tussen lichtjes uit de Amsterdamse rosse buurt in The Manganiyar Seduction), of ze zetten je in elk geval aan tot gesprek en discussie: Ivo van Hove’s Antonioni-project, de ecologische Woyzeck van Martin Kusej, het adynamische muziektheater van Heiner Goebbels, Adam in ballingschap van Rob Zuidam.
Misschien zou ik het zo kunnen zeggen: het minst interessant vond ik de prachtige, gestileerde Japanse poppentheaterkunst van Bunraku. Heel mooi, subtiel, maar ook een tikje saai, omdat het alleen als museumkunst werd gepresenteerd en geen enkele confrontatie aanging met de rest van de wereld. Maar dat is tegelijk een compliment voor de rest van het programma, waar dat op vaak hartstochtelijke wijze wel gebeurde.