Serge van duijnhoven dichter-performer / ‘obiit in orbit’

‘DIT BOEK STOND niet gepland. Ik werkte aan een roman over een oorlogscorrespondent in Sarajevo; die was bijna af. Tot ik op 4 juni 1997 hoorde dat mijn vader een hersentumor had en razendsnel aftakelde. Het aftakelingsproces was gruwelijk: voor mijn ogen zag ik de vernietiging van een man die vitaal was, en zachtaardig. Tot een levend skelet overbleef.

Mijn vader had in zijn hoofd een tumor van de meest agressieve soort. Een astrocytoom, graad vier. Hij bestond uit stervormige cellen, waarvan de punten afbraken en nieuwe cellen vormden zodat ze exponentieel groeiden. Mijn vader had nog maar een paar maanden te leven. Hij werd bestraald in een stralingscapsule die Saturnus 41 heette. Juist toen was dagelijks het bevroren Mir-ruimtestation in het nieuws. En dat wagentje op Mars: de Pathfinder. Ondertussen ging mijn vader in de Saturnus 41, als een astronaut in een capsule. Vanwege de sterren in zijn hoofd. Toen heb ik het gedicht ‘Astronaut’ geschreven. Over “een ster die zwelt en uiteenspat met geweld”. De artsen hadden hem al opgegeven, maar opeens herstelde hij. Miraculeus. Ik kon me weer zetten aan het afmaken van mijn boek. Ter voorbereiding ging ik naar Sarajevo. Joris wilde heel graag mee. Het was heel leuk. We logeerden bij moslims. En we gingen skiën in Pale, waar Radovan Karadzic zou zitten. We dachten dat daar een verhaal in zat; konden we onze reis terugbetalen. Door Hongarije reden we naar huis, toen - Pang! - de dood er weer flink inhakte. Een boer - hij was stomdronken - draaide plotseling de weg op vanaf zijn land. Ik gooide het stuur om en we schoten erlangs maar knalden boven op een tegenligger. Precies op de plek waar Joris zat. We sloegen over de kop, kwamen neer op de kant van Joris en eindigden tegen een boom. Weer aan de kant van Joris. Hij heeft alle klappen opgevangen, ik leef nog - als dat geen vriendschap is. Ik kwam bij toen brandweermannen bezig waren ons uit het wrak te zagen. Ik keek naar Joris en zag dat hij zijn ogen open had. Hij was al dood. Toen ze me uit het wrak hadden gehesen, ben ik er gelijk omheen gaan lopen. Ik moet zoveel adrenaline in mijn bloed hebben gehad: mijn knie was helemaal kapot maar ik voelde niets. Toen ik Joris zag, ben ik aan hem gaan trekken: Joris! Kom mee, we moeten weg. Eruit! Uiteindelijk heeft een brandweerman me van achteren beetgepakt en vastgehouden. “Dein Freund ist Tod”, zei hij. Het herstel van mijn geheugen heeft drie maanden geduurd. In het begin probeerde ik in godsnaam maar grip op de werkelijkheid te krijgen. Ik had een zware hersenschudding en er was een hap uit mijn leven genomen. Ik heb het teruggekregen door me zo gedetailleerd mogelijk te herinneren wat in die hele vakantie gebeurd is. Maar iets in mijn geheugen mist, het cruciale moment waarop mijn dierbaarste vriend weg is en waar de vernielingen plaatsvinden, is weg. Het voelt alsof ik ben uitgegleden van de werkelijkheid. Thuis in Gent, op krukken, kon ik niet zomaar doorgaan met mijn roman. Als je van schrijven je beroep maakt en je beslommeringen wilt omzetten in literatuur, dan zou het wel heel cru zijn om wanneer er écht iets dramatisch en ingrijpends gebeurt, gewoon verder te gaan met je fictie. Ik móest deze bundel maken, het is mijn wraak op de vernielingen. Zin geven? Je kunt geen zin geven aan dingen die geen zin hebben. Dat Joris op zo'n kloterige manier is omgekomen en dat mijn vader op zo'n afgrijselijke manier moest aftakelen tot-ie dood was, dat heeft geen zin. En je kunt er ook geen zin aan geven door erover te schrijven.’ 'IK KON MIJN tanden zetten in deze bundel. Niet alleen in het schrijven van de teksten, ook in het maken van muziek. Dus ja, het is dan toch een vorm-geven aan iets wat je niet kunt vatten, wat je niet begrijpt en wat je niet kunt beetpakken. Een deel heet niet voor niets Wij Doen Verder. Die kreet staat om de hoek bij mijn huis op de muur. Ik moet er elke dag langs als ik naar de supermarkt ga. Er zijn meer kerken en punten in Gent die me regelmatig herinneren aan… gewoon, aan Joris. Je hebt een Sint-Jorishof, een Sint-Jorishotel. Midden op de Michielshelling staat een schitterend bronzen beeld van Sint-Joris. Hij heeft zijn voet op de hals van een draak gezet en hoeft hem alleen nog maar te doden. Ik kom er zo'n drie keer per dag langs. Ik steek mijn vuist op en zeg: “Miss you, brotherman.” Op een keer stak ik in de Sint-Nicolaaskerk een kaars op voor Joris, toen ik op een familieheraldiek zag staan: natus 1510-obiit 1540. Ik dacht: Shit, de titel moet Obiit in Orbit worden! Want dat woord orbit, daar zat ik al mee sinds het gedicht 'Astronaut’. Filologisch klopt het niet helemaal, orbit is Engels en geen latijn. De bundel bestaat uit zes cycli van gedichten en een cd. Poëzie en muziek zijn voor mij natuurlijke partners. Het bedrijven van poëzie stopt niet met het schrijven van de tekst. In de volgende fase ga ik me de tekst eigen maken. Teksten waar je echt je ziel in steekt, moet je uit het hoofd kennen. Dan ga ik een vorm zoeken om ze naar het publiek toe te brengen. Muziek is daarbij voor mij een heel natuurlijk vehikel. In 1995 heb ik de band Dichters Dansen Niet opgericht. Met DJ Dano, DJ Fat, DJ @ Random, VJ Gabriël Kousbroek en celliste Antonia Libert. We geven optredens gericht op een dans- en op een meer literair publiek. Ook dan kan het gebruik van samplers en elektronische apparatuur de moeite waard zijn. Er zijn fascinerende poëtische collages van geluid, stemmen en teksten te maken. Ik heb het gevoel dat we pas aan een begin staan. De nummers op de cd zijn soms spoken-word-achtig, met donkere geluiden eronder van Miss Djax. Soms neigen ze naar het gesproken chanson. Soms zijn ze bijna hiphop. Met elektronische muziek kun je de duistere sfeer maken die ik graag wilde hebben.’ 'TWEE DAGEN nadat mijn vader overleed, was het album klaar. Mijn vader overleed tijdens de lancering van John Glenn. Om tien over half tien. Discovery Channel vertoonde de documentaire The Astronaut. Dat is… tja, Van der Heijden heeft me geschreven: “Synchroniciteiten hebben de neiging om zich samen te clusteren rond de dood.” Ook rondom de dood van Joris heeft zich synchroniciteit samengeclusterd. Hij las op weg naar het ongeluk voor uit Among the Thugs van Bill Buford, een boek over voetbalvandalisme. En hij had net geprobeerd een documentaire over Carlo Picornie te maken. Nu ligt hij begraven op de Oosterbegraafplaats náást Picornie. Waarom? Omdat er miezers in de lucht zitten, zou Hugo Claus zeggen. Serieus hoor. In Het verdriet van België heeft het twaalfjarige jongetje Louis Seynhaeve het daarover. Als er iets magisch is, dan vliegen miezers door de lucht of klonteren zich samen in de asbak. De orbit - ja. Ik ben geen magiër, maar er is natuurlijk meer tussen hemel en aarde. Ik noem het maar miezers, want ik heb geen sluitende filosofische of religieuze verklaring. Dat ze rond de dood samenklonteren, heeft met de alchemie te maken. Er gebeurt iets. Er verandert iets. En dan zal er veel aanwezig zijn. Maar ja: wat? Er ver-vliedt iets. Dat gevoel had ik heel sterk bij de dood van mijn vader. Ik heb zijn laatste adem op cassette opgenomen. Dat is heel eng, je voelt heel duidelijk dat iets ver-vliedt. Ik besefte plotseling: dadelijk is hij er niet meer. Ik heb foto’s gemaakt. Ik wilde iets béhouden. Het had iets heel magisch. Hij heeft echt tot de allerlaatste snik gevochten om in leven te blijven. Twee uur nadat hij was afgelegd - door onszelf - was hij op zijn rug nog gloeiend heet. Je hoort een marathonloper… iuuh-fwoe… iuuh-fwoe… De intervallen worden langer, iets korter. Dan weer langer. Elke keer denk je: oké dit is het dan. En dan toch weer… tot, op een gegeven moment, de laatste, ja: reutel. Maar Joris heb ik niet zien doodgaan, zien vervlieden. Hij was levend toen ik in zwijm raakte, hij was dood toen ik bij bewustzijn kwam. Hij las uit een boek, lachte, riep: kijk uit! En was weg. Wat vervliedt en hoe? Mijn interpretatie, of verwerking, staat in Obiit in Orbit. Wat heeft de dierbare voor me betekend? Waar is-ie? Kameraad: waar ben je nou? In het gedicht 'Zo Komt Het’ staan 223 manieren om de dood te omschrijven. Het einde: “Hoe het ook komt, het blijft een gok: wat je wint, wat je verliest als ons leven zich in nevel aan ons netvlies vastvriest.” Van Joris herinner ik me heel duidelijk wat in de laatste regel van het gedicht 'Joris Drakendoder’ staat: “eeuwige staar”. Tjak! Het wordt star als iemand dood is.’