Johan Joos

Serie vergeten dichters

Sommigen scholden hem uit, anderen raakten in vervoering. De satanische poëzievoordrachten van de Vlaamse punkdichter leken de literaire eindtijd aan te kondigen. Nu wandelt Johan Joos vooral. Deel elf in de serie over vergeten dichters.

Op een straathoek in Amsterdam-West wacht in de vroegte van een dinsdagmorgen de dichter Bart Brey. Hij stapt de auto in, blaast in zijn verkleumde handen en draait een sjekkie. Twintig jaar geleden reisde hij ook al eens naar Gent om er op zoek te gaan naar Johan Joos, zijn alter ego. Brey woonde toen nog in Haarlem, alwaar hij het eenmansblaadje Rauwkost stencilde. Behalve met gedichten van hemzelf stond het vol met schrijfsels van types als Robert Vernooij, Frans Pointl, René Huigen en Christian Canstadt. Eveneens organiseerde Brey tal van ludieke poëziemanifestaties. Kon het niet in zijn eigen theatertje, dat hij ergens boven een café runde, dan was er elders in de stad wel een gekraakte ruimte voorhanden. Het ging er vaak onstuimig aan toe. Zelfs Simon Vinkenoog, de enige die tot dan toe in Haarlem weleens een poëziefestijn organiseerde, sprak er schande van.

Op een dag, ergens in 1980, kreeg Brey het nieuwste nummer van de Poëziekrant in handen, een door het Gents Poëziecentrum uitgebrachte periodiek die toen nog op grote, dubbelgevouwen lappen papier werd gedrukt. Eén zo’n kant was volledig bedekt met slordig neergekalkte verzen van een zekere Johan Joos. Brey was direct gegrepen door het rauwe van de spreuken: «Zoals de tram de wereld/ in brokken achterlaat/ wil ik door mijn leven snijden.» En: «In de stam van elke boom/ reikt je gerekte hals/ naar verboden plekken/ waar alleen nog God/ staat te vogelpikken.» Eerlijke poëzie was dit, oordeelde Brey die zelf ook verlangde om uit het diepst van de ziel op te kotsen verzen te schrijven. Deze Johan Joos was een geestverwant. Hij kocht een kaartje en spoorde naar Gent.
Hij had horen zeggen dat Joos geregeld in het Poëziecentrum kwam. Directeur Willy Tilbergien vertelde hem dat de geheimzinnige poëet hier inderdaad met regelmaat literaire periodieken kwam doornemen.
De hele dag wachtte Brey, doch verschijnen deed hij niet. ’s Avonds toog hij naar de Amber, een beruchte punktent in die dagen. De barman had nog nooit van Johan Joos gehoord. «Het is een dichter», verduidelijkte Brey. «Die jongen daar», zei de barman, «die schrijft ook gedichten.» De figuur op wie de barman wees, bleek zowaar Johan Joos te zijn! Brey trachtte een conversatie op gang te brengen, maar de dichter leek in andere sferen. Hij liet wel doorschemeren dat hij geen behoefte had aan publicatie in Rauwkost. Voor een optreden was hij wel te porren, waarop Brey hem een act toezegde op het door hemzelf te organiseren New Haarlem Poetry. Brey: «Dat leek dan afgesproken, maar toen het een jaar later zover was, kwam hij niet opdagen.»
Op de Utrechtse Nacht van de Poëzie in het voorjaar van 1981 ontmoette hij Joos pas weer. «Vlak voor hij opging, sprak ik hem. We kwamen overeen dat ik tijdens zijn voordracht een tekst van mij zou projec teren op een muur. Ik voorvoelde dat er iets bijzonders ging gebeuren.» Toen Joos een half uur later van het podium vandaan ging, was de zaal in twee kampen verdeeld. De ene helft scandeerde in woorddronken vervoering om meer en meer, de andere helft maakte loeiend z’n afkeuring kenbaar. «Hippend als een ladderzatte kangoeroe en krijsend als een speenvarken op het hakblok bewoog hij zich heen en weer», schreef een krant daags na het optreden. De organisatie vond de ophef prachtig, en een jaar later stond Joos opnieuw geprogrammeerd, een vergelijkbaar effect sorterend.

In Gent parkeren we in de buurt van de Rabotstraat. Voor een hoekpand aan het einde van die straat houden we halt. Achter deze gevel moet zich het zwartgeverfde kamertje bevinden waar Joos de reeks gedichten schreef die in 1986 in de bundel Steilte terechtkwam. Voor het omslag van die door Bert Bakker uitgebrachte bundel schilderde Joos met enkele penseelstreken een fier opgerichte fallus. Evenzo kinderlijk, op zes getypte uitzonderingen na, zijn binnenin de gedichten neergekrabbeld. De slordige kalligrafie beoogt aan te sluiten bij de inhoud van de verzen, want in Steilte is een gekweld dichter aan het woord: «wordt ook een hondegestel/ door weemoed overmand.» En: «Ik zal altijd/ bouwwerf blijven.»
Ondanks de ongewone vormgeving bleven reacties op het werkje veelal uit. Alleen de dichter Arthur Lava waagde zich aan een serieuze bespreking. Lava was op dat moment, ondanks fluorescerende hanenkam en leren pak, door K.L. Poll als poëzierecensent bij NRC Handelsblad aangetrokken. Was dat voor de keurig traditionele kunstredactie al even slikken, de jubelende recensie over het kladschrift van een of andere Vlaamse punkdichter die dit sujet waagde af te leveren, stuitte op een daverend veto.
Lava was woest en gaf zijn pas verworven functie eraan. Met hulp van Joost Zwagerman drukte hij zijn recensie vervolgens in Vrij Nederland af. Lava constateerde dat de gedichten van Joos weliswaar iets «onafs» hebben en dat dat onaffe niet altijd mooie «beelden» oplevert, maar dat er vanwege de «ongeparfumeerde directheid» wel «een grote zeggingskracht» van uitgaat. Steeds terugkerend thema was volgens Lava «de overbodigheid van het eigen bestaan».

We bellen aan, maar de deur blijft gesloten. Brey laat de naam van zijn geestverwant een aantal malen door de Rabotstraat schallen. Juist als we weglopen, valt zijn oog op het naambordje op de deur van de buren: Christ Michiels. Van deze Michiels, een lokale kunstenmaker, zijn in de twee latere bundels van Joos prenten afgedrukt. In de deuropening verschijnt de buurman. «Michiels heeft ergens in de stad een huis gekocht», zegt de buurman. «Ik geloof dat Johan gratis bij hem inwoont. Dat bordje zal ik er eerdaags eens afschroeven.» Hij overhandigt een telefoonnummer van iemand die weet waar Michiels woont.
In een naburig etablissement bellen we met de persoon. Michiels en Joos, vertelt deze, wonen tegenwoordig in het Hamkwartier. «Joos was in die jaren dat Steilte uitkwam arm als een kerkrat», zegt Brey terwijl we de op de kaart opgezochte richting uitlopen. «Het verhaal deed de ronde dat hij na sluitingstijd ging bedelen bij de Chinees. Een uitkering weigerde hij toen ook nog. Voor het reguliere arbeidsproces is hij sowieso ongeschikt.» Het zwartgesausde kamertje in de Rabotstraat, waar alleen een matras op de grond lag en niet eens een wasbak was geïnstalleerd, werd Joos indertijd door een Gents kunstenaarscollectief kosteloos ter beschikking gesteld. Iedereen in Gent kende hem als de goedige vagebond die met vereende krachten in leven gehouden moest worden. Eens in de zoveel tijd bedankte Joos voor al die caritas en deed een van z’n vurige optredens.

Officieel debuteerde Johan Joos (1957) reeds in 1981 met de bundel Gedichten (opgedragen «aan de stenen van Gent die mijn voeten en dak zijn»), die verscheen bij de Vlaamse uitgever Halewyn. In de Poëziekrant van juli 1982 wijdde Stefan Hertmans een grote bespreking aan het bundeltje, waarin hij Joos’ levenswandel met diens poëzie in verbinding bracht. «In Joos spreekt niet zozeer een wil tot literariteit, maar een verlangen zich in de kreet te bevrijden. Wat hem biologeert is zijn positie in een wereld waarin hij leeft ‹als een korrel zand/ in een betonmolen›, en de vraag wie in die wereld zijn kreet eigenlijk bereikt.»
In datzelfde jaar nam Tom Lanoye hem voor De Morgen een interview af waarin Joos bezweert nooit deel uit te willen maken van een «literaire groep» omdat je dan «een deel van jezelf (moet) verliezen». Ironisch genoeg kwam het in 1988 toch zo ver. Joos liet zich inlijven door de Maximalen, elf door de eerdergenoemde Arthur Lava bijeengebrachte jonge dichters die door middel van «een maximale tongzoen» de door de hermetische poëzie van C.O. Jellema, Wiel Kusters en Tom van Deel «bedlegerig» geraakte «muze» weer «tot bewustzijn» trachtten te brengen. Gedichten van Joos kwamen terecht in de op 23 mei 1988 in de Amsterdamse discotheek Roxy gepresenteerde bloemlezing Maximaal en diverse malen zou hij op podia in den lande met het bonte gezelschap optreden.
Voor een beweging die zolderkamertjes voorgoed wilde uitroken en straatrumoer welkom heette, was Joos een uiterst bruikbaar attribuut. Met zijn satanische acts, die meestal op het einde van de avond gepland stonden, viel goed te suggereren dat de literaire eindtijd was aangebroken. Brey, die zelf ook deel uitmaakte van de Maximalen, vindt dat de beweging bewust profijt heeft getrokken van Joos. «Hem als attractie op het podium zetten leek een bewust uitgestippelde tactiek.»

Twee jaar later was het alweer gedaan met de Maximalen. Op 30 september 1989 vond in Vredenburg, waar ze samen met de Nieuwe Wilden — een radicaal feministisch dichteressengezelschap onder leiding van Elly de Waard — een pacificerend optreden zouden verzorgen, het opheffingsgala plaats. Joos stond, wederom, als laatste geprogrammeerd. Toen hij eenmaal zijn opwachting maakte, was het programma flink uitgelopen, de aanwezigen wisten nauwelijks nog geduld op te brengen voor het gekrijs en geklauter. Arthur Lava, die samen met Peter Giele de avond verzorgde, zag vanuit de geluidscabine hoe een on gedurige Nieuwe Wilde Joos van het podium tilde. Een Maximalen-groupie greep daarop de microfoon en brulde dat Elly de Waard een «kutwijf» was. Een potige Nieuwe Wilde ontfutselde haar weer de microfoon om haar «plok, plok, plok» op het hoofd te slaan. Joos stond ontredderd toe te kijken.
Datzelfde jaar had Bert Bakker zijn bundel Stil de grain jaune uitgebracht. Daarin zette Joos zijn ongepolijste existentiële geschreeuw voort, hier en daar afgewisseld met een anti-academische uithaal: «vergeef mij, Spinoza en Heidegger/ maar ik hoor liever proza/ van een wauwelende kasseilegger.» Hoewel er volgens Maarten Doorman in NRC Handelsblad wel «iets» in deze gedichten bleef «intrigeren», «iets dat het leven van een gekwelde, een rusteloze gek verraadt», was het toch ook «een beetje veel het lawaai van het holle vat», met een overmaat aan «schroeien, zwalpen, krijsen».

Na lang bellen gaat in het Hamkwartier een deur open. In een verfbespatte overal doet Christ Michiels open. We mogen even in de hal komen staan. Aan de helwitte muur hangt een ingelijst vers van Joos. Onder de trap ligt een hoop zand over de vloer uitgestort waarin, artistiek bedoeld, kreten zijn getekend. Michiels steekt zijn hoofd om een deur en roept een paar keer: «Johan.» «Hij is er niet», zegt hij dan. «Vaak gaat hij wandelen, uren achtereen. Hij komt rond zevenen meestal terug om te eten.»
Michiels vertelt dat hij ongeveer de laatste mens op aarde is in wie Johan nog vertrouwen stelt. «In de Rabotstraat leefde hij van de goot», zegt Michiels. «Ik kon dat niet langer aanzien. Toen ik dit pand betrok, heb ik hem een kamer aangeboden. Ik ben een soort vaderfiguur voor hem.» Michiels weet zeker dat Joos niet «met de pers» wil praten, maar hij zal allicht zijn goede vriend Bart Brey willen zien. Brey schrijft een kort briefje, dat we tussen acht en tien in café Dambert aan de Korenmarkt zullen wachten, en Michiels legt dat voor de kamerdeur.
Om de tijd te doden begeven we ons naar het poëziecentrum waar Brey, net als twintig jaar geleden, door directeur Willy Tilbergien vriendelijk wordt ontvangen. Tilbergien heeft de afgelopen jaren weinig van Joos gehoord. Hij weet te melden dat Joos schuwer leeft dan ooit en dat hij onlangs door een fietser is aangereden. «Een interview voor de Poëziekrant sloeg hij een tijd geleden ook al af», zegt Tilbergien.

Tussen acht en tien in café Dambert. «De meeste dichters durven maar tot een bepaalde grens te gaan», zegt Brey vanachter een schuimende pils. «Joos gaat over die grens heen, zoals Antonin Artaud ook ver over die grens heenging, niet voor niets zat die dertien jaar in een gekkenhuis. Als andere dichters met zijn puurheid geconfronteerd worden, schrikken ze daar enorm van. De poëzie van Joos refereert aan het geweten van iedere dichter. Want voor de meesten is het toch maar een spel, bij tijd en wijle een beetje de romantiek bedrijven. Om een stap verder te gaan moet je heel sterk zijn, je vervreemdt erdoor, zoals dat bij Joos is gebeurd.»
Het lijkt of na het avontuur met de Maximalen Joos het laatste restje vertrouwen in de mensheid is kwijtgeraakt. «Degenen die destijds de mooiste babbeltjes hadden, die journalisten bij de deur op zich lieten wachten, kunnen zichzelf nu het best verkopen», zegt Brey. «Het gemak waarmee zij nu hun tekstjes schrijven, uitgegeven worden, prijsjes winnen. Terwijl hij die het werkelijk doorleeft, aan de rand blijft.» Brey neemt een grote slok. «Die verdomde schijnwereld ook. Ik hoop dat de tijd zal uitwijzen dat Johan Joos sterker en groter was.»

Om tien uur is Joos nog altijd niet verschenen. Brey vertelt over de bijzondere band die na de Maximalen tussen hen groeide. Steeds frequenter reisde hij naar Gent, waarbij hij zich altijd afvroeg of zijn vriend nog wel in leven zou zijn. Hij wist Joos op een goed moment zover te krijgen dat deze weer poëzie afstond. Taboes bleven echter bestaan. «Hij wilde nooit praten over waar hij vandaan komt. Vaststaat dat hij geen makkelijke jeugd heeft gehad. Als je goed leest, zie je dat het wees-element veelvuldig voorkomt in zijn werk.»
In 1992 lokte Brey hem met succes naar Amsterdam voor een performance in een kraakpand aan de Prinsengracht, hoewel hij laat arriveerde omdat hij pas op het rangeer terrein uit de trein was gestapt. Ontzet zagen de aanwezigen hoe Joos het binnenwerk van een piano kort en klein sloeg. Brey maakte Joos ook nog mee bij een poëziemanifestatie in een landhuis, even buiten Gent. «De eigenaar had een groots buffet aangelegd, met fakkels en al. Joos zei toen hij opkwam: ‹Is er nog een troubadour in de zaal? Want een kasteel zonder troubadour is als een bordeel zonder hoer.› Al die chique gasten wendden beschaamd het gezicht af.
Daarna gingen we naar een tent in Gent. Er stond daar toevallig een complete installatie klaar, waardoor ik op het idee kwam een optreden te doen. Ik vroeg de eigenaar of Joos ook even mocht. Mocht niet. Joos bleek een paar jaar ervoor in datzelfde café tijdens een optreden met zijn kop tot bloedens toe tegen de muur te hebben geslagen.»
In 1996 had Brey zo veel nieuwe gedichten verzameld dat bij uitgeverij Voetnoot de bundel Chanson inutile gedrukt kon worden. In november van dat jaar volgde in De Balie de presentatie, samen met Breys dichtbundel-met-cd Vers van het vuur. Het was de laatste keer dat Brey zijn Vlaamse vriend zou ontmoeten. «Dat hij nu niet komt opdagen, bewijst waarschijnlijk dat ik bij het foute kamp ben ingedeeld», zegt Brey als we nogmaals laten inschenken. «Over Chanson inutile is hij zeer ontevreden geweest. Niet alleen vanwege de lelijke vormgeving, ook vanwege die ene verdomde fout.» In een van de gedichten werd gerept van «een vrachtwagen vol biggen» terwijl het «vrachtwagon» had moeten zijn.

Om elf uur claxonneren we voor de deur in het Hamkwartier. Boven wordt een licht ontstoken en komt Michiels uit het raam leunen. «Hij is er op het moment niet, maar het briefje heeft hij wel gepakt», zegt hij met een mach teloos gebaar. Op de terugweg piekert Brey zich suf. «Waarschijnlijk liegt die man.» Uiteindelijk is hij toch gerustgesteld: «Vermoedelijk is het goed bedoeld, om Johan te beschermen.» Wel doet hij de volgende dag een boos briefje op de bus.