Er moest een nieuwe auto komen. Moest ja. De oude kwam niet meer op tegen wat zich ook maar in de verste verte dreigde te ontpoppen als een curve op het wegdek. Niet heel handig om dat echt niet meer te kunnen ontkennen in het Frans-Italiaanse grensgebied ook bekend als ‘de Alpen’.

Naast de visboer is de autoverkoper misschien wel de meest karaktervaste middenstander die je op gezette momenten in je leven tegenover je treft. Het is het pak, het is het maniakale vertoon van wereldwijsheid, het zijn vooral de praatjes die maar deels te verstaan dan wel te volgen zijn. Komt het erop aan, en het komt er altijd op zeker moment op aan, dan komt er een vettig notitieboekje uit de binnenzak tevoorschijn waarin al menig duizelingwekkende berekening heeft plaatsgevonden, maar waaraan nu nog een paar duizelingwekkende worden toegevoegd.

Ik hou van het woord duizelingwekkend, zeker als het op rekenen aankomt.

Misschien moet dit eerst ook maar duidelijk zijn: ieder bedrag dat verder reikt dan mijn maandsalaris kan ik eigenlijk al niet meer bevatten. Niet wezenlijk. Het zou zelfbescherming kunnen zijn, het zou de uitkomst kunnen zijn van een langzaam gegaard taoïsme, of gewoon verwend wijvengedrag. Want natuurlijk staat er een man naast me, bij die autoverkoper met z’n notitieboekje. Een man die wél emoties heeft bij de keuze voor een nieuwe auto. En wél verder denkt dan zijn maandsalaris.

Toch ook nog even dit: dat iedereen het zich maar kan veroorloven, een auto. Net als met de bedragen die over een virtuele toonbank gaan als het op huizen aankomt: niets, maar dan ook helemaal niets hebben die te maken met de hoeveelheid geld die een willekeurig mens in concreto bijeen kan verdienen. Ik maak geen grappen over Sywert van Lienden, nog niet.

Toen ik op zeker moment in mijn leven angst kreeg om auto te rijden, werd er ter geruststelling tegen me gezegd: iedere boerenlul kan rijden. Niet beter had mijn angst gefundeerd kunnen worden. Inderdaad, en ik moet die boerenlullen als medeweggebruikers erkennen. Nu kan ik geen auto meer in zo’n toonzaal van een dealer zien staan zonder dat woord in mijn hoofd: boerenlul.

Wandelingetje met een collega. Hij vertelt over zijn huizenjacht, en dat bij een bepaald huis twee Bentleys voor de deur stonden. ‘Ik wil dat ook’, zei hij. ‘Dat huis, die auto’s.’ Zo onthield ik het tenminste, dat hij dat zei. Een dag later zeurde het nog door in mij. Was dat nou wat hij wilde in het leven? Ging het hem daarom? Kenden wij elkaar?

Ik informeerde er nog maar eens naar, mezelf kennende met pokerface en op volstrekt neutrale, gewoon geïnteresseerde toon. Wat ook niet meehielp was dat hij me net had verteld dat in de intercollegiale appgroep waarvan ik geen deel uitmaak – ik snap dat, ik maak deel uit van een heel andere intercollegiale appgroep – de kwestie was gerezen: stel, ik heb een deal met de overheid waarbij ik vijf à negen miljoen kan overhouden, doe je mee?

Kennelijk heb ik collega’s die toch ook op een andere manier getriggerd raken door Van Lienden-gate. Het verschijnsel had weliswaar niet beter geanalyseerd kunnen worden dan door mijn collega Casper Thomas enkele weken geleden als zijnde het gevolg van ‘de millennial-moraal’ van een generatie die is grootgebracht met marktdenken, feit is dat ik op ‘mijn’ redactievloer word omringd door millennials. Wie zegt dat zij niet ook zijn aangeraakt door marktdenken en verdienzucht? En moet ik dan ook hier gewoon maar denken volgens het oud-Chinese gezegde: laat honderd bloemen bloeien?

Overigens heb ik het volgens die collega die die Bentleys zag staan verkeerd onthouden wat hij zei. Het ging hem om financiële vrijheid, en niet om dat huis en die auto’s. Hij zou genoeg geld willen hebben om te kunnen beslissen of hij dat wilde, en het vervolgens af te wijzen. Misschien. En het had iets met esthetica te maken. ‘Het is alsof je een sculptuur ziet, een Bernini’, zei hij. ‘A Thing of Beauty. Iets wat je zou willen kunnen hebben.’

Willen.

Kunnen.

Hebben.

Een van de dingen die ik ongeveer tien keer per dag doe, is het saldo op mijn rekening bekijken. Het is niet zozeer een automatisme, het is een genot dat ik mezelf toesta sinds ik mijn financiën op orde heb. Gedurende een langere periode van mijn leven was er in plaats van een saldo een put, en hoe meer plastic betaalmiddelen ik toeliet in mijn portemonnee, hoe dieper de put werd. Ik durfde het ding niet meer in ogenschouw te nemen, ik kan ook niet goed verklaren hoe die was ontstaan, behalve dat het met hoogmoed te maken gehad moet hebben, met een hang naar vaagheid die werd gevoed door de tijd waarin ik opgroeide – ik kan hier ook de moraal van míjn generatie erin gooien, iets met no future – en die ik mezelf kennelijk kon permitteren. Ik had goedbetaald werk waarvan ik net zo makkelijk afstand deed om minder goedbetaald werk te doen, maar ik vergat mijn bestedingspatroon aan te passen. Ik denk dat het daarmee begon. En met vergeten dat ik ook nog belasting moest betalen. Ik heb mezelf eruit weten te trekken, maar het heeft lang geduurd. Lang genoeg om mijn kinderen ervan te doen doordringen dat geld op zich niet iets verkeerds is. Om het te hebben.

Zou ik vijf à negen miljoen willen verdienen aan een handel met wie of wat dan ook? Ik heb ieder jaar een eindejaarslot, dat is het enige zicht op rijkdom dat ik aankan, geloof ik. Ik beschouw mijn rekeningoverzicht alsof ik naar een zandloper kijk: iedere maand kan ik hem omkeren en loopt hij weer langzaam leeg. Ik doe dit in relatieve rust. Waarom kan ik dan toch het gevoel krijgen een sukkel te zijn als ik lees over de kennelijk ‘snelle’ manier waarmee anderen ‘binnenlopen’?

Natuurlijk staat er een man naast me die wél emoties heeft bij een nieuwe auto en die wél verder denkt dan zijn maandsalaris

You Are a Badass at Making Money schreeuwt het in mijn mail, waarin dagelijks kond wordt gedaan van boekwerken die je een nieuwe money mindset willen bijbrengen opdat je bankrekening een afspiegeling wordt van je overtuigingen, ook dat nog.

Wat ik nog vóór Van Lienden vond spreken was dat hij zijn winst stiekem hoopte te maken. Dat er kennelijk ook nog een zekere mate van schaamte in het spel was. Een terughoudendheid die ver te zoeken is bij de makers van Tonny Media bijvoorbeeld, waarmee ik een groot interview las in de Volkskrant.

Ik vind het geweldig als iemand doet wat hij graag doet, of waar hij goed in is. En wat is er mooier dan als daarvoor ook nog een publiek is, dat bereid is te betalen voor het werk dat je verricht? Wat me irriteert, en dan druk ik het zo a-moralistisch mogelijk uit, is als de ‘uitgekiende strategie’ in zicht komt om zo min mogelijk werk te hoeven verzetten voor zoveel mogelijk geld. ‘Wij zeggen tegen nieuwe makers’, vertelt de 29-jarige Titus van Dijk, een van de oprichters van Tonny Media, ‘we willen geen podcast maken, we gaan een merk bouwen.’ Medeoprichter Sander Schimmelpenninck: ‘Dankzij de advertentie-inkomsten verdienen we serieus geld.’

Serieus geld. Bestaat dat? Ik dacht dat je dat alleen in de bijbel had, waar het over ‘zilverlingen’ gaat, serieus genoeg om de verrader voor de voeten te smijten als blijk van ultieme verachting. Pak aan dan, en gefeliciteerd ermee.

Schimmelpenninck vertelt dat zijn eigen populaire podcast, de Zelfspodcast, een maandelijkse omzet heeft van ‘tienduizenden euro’s’. En: ‘We garanderen onze succesvolste makers een goed jaarsalaris. Voor wekelijks een uurtje in de studio zitten. Dat is toch vet?’

Ik denk dat dat het is wat me de genadeklap geeft: dat triomfantelijke ‘wekelijks een uurtje in de studio zitten’. Al geef ik toe dat ik daarin de echo hoor van een uitspraak die een oud-medestudent deed op mijn afstudeerfeestje, door mij zo goed onthouden omdat ik bang was dat mijn ouders het zouden horen: ‘Werken is voor de dommen.’

Het dedain ten aanzien van loonslaven dat hieruit spreekt is misschien vergelijkbaar, de achterliggende mentaliteit niet helemaal. Ik geloof dat het laatste wat mijn generatie voor ogen had toen ze na zo’n negen jaren te hebben gestudeerd van de universiteit kwam, commercieel succes was. Het ging om wereldverbetering en zelfontplooiing, en die twee lagen in elkaars raadselachtige verlengde. Commercie, dat was vies. Trots vertellen de jongens van Tonny Media hoe ze hun reclame voor Coca-Cola slinks de podcast in wisten te kletsen.

Coca-Cola, dat was vies in het kwadraat.

Ooit wás een auto iets: ‘synoniem van vrijheid, van volstrekte macht over de ruimte, en in zekere zin over de wereld’, schrijft Annie Ernaux in De jaren. ‘Leren autorijden en je rijbewijs halen gold als een overwinning, die door de entourage even enthousiast werd begroet als slagen voor het eindexamen.’ Bij de autodealer zijn we het aan onze stand verplicht te vragen naar een hybride variant. De man naast me durft inmiddels te bekennen vooral vrolijk te worden van ‘een grote auto’. Ik vind een witleren bekleding wel ‘lekker slick’. Maar is de dvd-speler nu definitief uit het geluidssysteem verdwenen? De autoverkoper kijkt me peinzend aan: ‘Alles staat nu toch op Spotify.’

Dit is wat ik niet zeg: ‘Ik wil niet alles.’

Met het notitieboekje in de aanslag geeft de dealer op opnieuw duizelingwekkend tempo de verschillende scenario’s waarin iets onbetaalbaars toch binnen handbereik komt. Er is één rode draad in het geheel die ik niet helemaal begrijp, ‘geld wegbrengen’ moet te allen tijde worden vermeden. Het is een omfloerste manier om uit te drukken dat er allerlei wegen bewandeld kunnen worden om zo min mogelijk belasting te hoeven betalen. Natuurlijk, je zou zomaar een dief van je eigen portemonnee kunnen worden, groter sukkel bestaat niet. Liever een geslepen gebruiker van de collectieve portemonnee.

Die belastingen, die willen wat. Bedoeld als een pijler van rechtvaardigheid, humuslaag van de verzorgingsstaat, is het een instrument geworden dat sommigen wél en anderen níet in hun eigen voordeel kunnen aanwenden. (Om in dit verband maar even te zwijgen van de groep mensen voor wie het als een strop om de hals wordt gelegd.)

‘Ons belastingstelsel heeft een renteniersklasse gecreëerd, voor wie geld steeds minder gerelateerd is aan werk, maar een gegeven dat je goed moet beheren om een zorgeloos leven te leiden’, steekt de net al genoemde Sander Schimmelpenninck in een column de hand in eigen boezem. De inkomensongelijkheid in Nederland is niet heel groot, in tegenstelling tot de vermogensongelijkheid. Zijn generatie wéét dat hun salaris hen niet rijk gaat maken, schrijft Schimmelpenninck. En dus zijn ze er vooral mee bezig hun vermogen renderend te maken.

Dat velen er daarbij niet bepaald een hoogstaande belastingmoraal op nahouden, wordt overigens stevig gelaakt door Schimmelpenninck. Hij heeft het zelfs over een ‘morele crisis’, waarvan de kern volgens hem werd gelegd in de jaren tachtig toen gedacht werd dat we er allemaal beter van zouden worden als grote bedrijven en rijkelui belastingkorting zouden krijgen. Sowieso is het de overheid niet gelukt om belastingontwijking en -ontduiking tegen te gaan door het ongenadig te bestraffen. Met als gevolg dat ‘de egoïstische fiscale moraal’ gedemocratiseerd raakte, onder het mom ‘als de superrijken het mogen, mag ik het ook’.

Schimmelpennincks betoog mondt uit in een aanklacht tegen libertarische yuppen die lekker zwart aan het binnenlopen zijn met hun onzichtbare rendement op cryptohandel en Airbnb-inkomsten, en die er een principe van hebben gemaakt om de belasting een loer te draaien. Het zal zo zijn. Die hele cryptobusiness komt mij voor als een cul de sac. Niet oninteressant maar ook te opzichtig niksig. In de mailbox deze week: ‘Bitcoin maakt mensen rijk, en jij kan de volgende miljonair worden. Start vandaag en word rijk.’ Alles in kapitale blokletters tegen een achtergrond van fel paars en geel. Zo kreeg je in vroeger tijden per post te horen dat JIJ de HOOFDPRIJS had gewonnen.

Ik durf niet te zeggen wat het vloerkleed kostte dat hier onder me ligt, nog net niet persoonlijk voor me handgeknoopt

Waar ik vooral aan blijf haken is de passage waarin Schimmelpenninck het over zichzelf en zijn leeftijdgenoten heeft: ‘Waar hun ouders gewoon een leuke baan wilden, is een flink deel van mijn generatie gefocust op het laten renderen van hun vermogen, in de wetenschap dat hun salaris hen niet rijk gaat maken.’ Het is ook mijn zoon die me op een dag een plan uiteenzette, met als doel voortijdig rijk worden.

Waartoe?

Ik probeer uit alle macht die vraag niet flauw of veroordelend te laten klinken. Ik ken het verlangen om uit te willen rusten, zij het dat ik niet weet wat er met me gebeurt als ik geen deadline meer in enig verschiet heb. Ik ben de laatste om geen exorbitante uitgaven te willen doen. Ik durf niet te zeggen wat het vloerkleed kostte dat hier onder me ligt, persoonlijk laten importeren uit Berlijn nadat het nog net niet persoonlijk voor me was handgeknoopt door Tibetaanse monniken. De prijs staat in geen verhouding tot wat ik verdien en toch ligt het hier om ondergekotst te worden door de katten, besproeid te worden met rode wijn. Blijkbaar kan ik het me permitteren om irrationeel met geld om te gaan, er is die man naast me, er is een welgestelde oudere broer, ik heb mijn vangnetten mocht de deurwaarder op de stoep staan.

Wat zou ik doen met negen miljoen euro, en dan doel ik dus op dingen die ik nu niet denk te kunnen doen?

  • Een werk kopen van Lara de Moor, muurvullend bij voorkeur

  • Nog makkelijker uit eten gaan dan ik nu al doe, en altijd trakteren

  • Een maand in New York in een fijn hotel gaan zitten schrijven

  • Een maand in Parijs in een fijn hotel gaan zitten schrijven

  • Een maand in Brussel in een fijn hotel gaan zitten schrijven

  • In al deze drie steden fantaseren over een appartement dat ik daar zou kunnen kopen

Ik heb bedroevend weinig fantasie als het erop aankomt.

‘Ik wil aantonen dat de manier waarop wij ons tot de wereld van de dingen verhouden verandert door de snelheid waarmee we ze vervangen’, schrijft de Duitse socioloog Hartmut Rosa in zijn ‘pleidooi voor resonantie’ Leven in tijden van versnelling. ‘Een auto die we al tien keer hebben gerepareerd of een paar sokken dat we al tien keer hebben gestopt, hebben we aan onszelf aangepast en we hebben ze geïndividualiseerd, ja zelfs geïnternaliseerd.’ Hij gaat nog verder dan dit: het ‘zelf’ is ten opzichte van de dingen poreus geworden: ‘Wanneer we ze weggooien, veranderen we daarmee in zekere zin ons eigen karakter.’

Zoiets moet het zijn. Al die keren dat ik in de vuilniszak de dingen terugzocht die ik opgestookt door zo’n professioneel niet-poreus fenomeen als Marie Kondo zomaar weg dacht te kunnen doen. Een door mij en mijn moeder gezamenlijk gebreide jurk. Natuurlijk sparkelde het monstrum geen joy, laat staan dagelijks draagbaar nut. Het sparkelde iets wat niet zomaar te benoemen is. Dat ik iets van Lara de Moor wil kopen komt doordat ik al jarenlang naar haar werk kijk. Als ik iets wil hebben zijn het de dingen waaraan ik gehecht raakte en die ik in de loop van de tijd ben kwijtgeraakt, moedwillig of per ongeluk.

Sentimentaliteit ligt op de loer, als het erop aankomt. Is er wel meer dan dat? ‘Zij zouden graag rijk geweest zijn’, schrijft Georges Perec in De dingen: Een verhaal uit de jaren 60. ‘Zij meenden dat zij er naar hadden weten te leven. Zij zouden weten hoe zich te kleden, te kijken, te lachen als rijke mensen. (…) Hun genoegens zouden intens geweest zijn. Zij zouden van lopen hebben gehouden, van flaneren, kiezen, waarderen. Zij zouden van het leven hebben gehouden. Hun leven zou levenskunst zijn geweest.’

Een nieuwe generatie deint lekker mee in de neoliberale samenleving door het spel niet te winnen maar uit te spelen

Houden wij een minuut stilte voor het gedroomde rijke immateriële leven.

Er is sinds enige tijd een beweging gaande en die heet fire. De letters staan voor Financial Independence Retire Early. Het is iets besmettelijks. Hoorde ik er voor het eerst zo’n driekwart jaar geleden van – een vriend van een dochter van een buurman had een nieuw doel in zijn leven dat hem legitimeerde nóg egocentrischer z’n gang te gaan – inmiddels zie ik podcasts, boeken – ‘In Van F*ck You Money tot FIRE neem ik je mee in de voor velen schijnbaar oninteressante of complexe wereld van beleggen, laat ik je zien hoe jij je geld kunt laten groeien’ –, blogs, missionarissen. Ze scoren torenhoog in de best-beluisterde-podcasts-lijsten. Een van hen is Ernst-Jan Pfauth, medeoprichter van De Correspondent. Hij heeft een podcast samen met Alexander Klöpping, medeoprichter van Blendle, genaamd Podcast over Media.

Ik denk dat als de mensheid alleen had bestaan uit mijn type we nog naakt in een grot hadden gezeten zonder ooit ook maar het vuur te hebben uitgevonden, maar toch: waarom zijn het altijd jongens? Jonge knapen, recht van lijf en leden, flinke haardossen… Het lijken triviale uiterlijkheden, maar naakt in die grot had ik wel bedacht dat er geen trivialiteiten bestaan.

Pfauth dus, die aan kompaan Klöpping in aflevering S04e15, genaamd ‘financiële onafhankelijkheid’, de negen stappen uiteenzet van het traject waarin je kunt leren ‘bewuster’ met geld om te gaan. Hij heeft aan Klöpping, die als hobby blijkt te hebben contracten van wat dan ook met elkaar te vergelijken en voortdurend van provider te wisselen om verzekerd te zijn van kortingen en speciale tarieven, een dankbare gesprekspartner.

Pfauth is sinds vier jaar in de ban van zijn nieuwe geldelijke bewustzijn. Hij was niet tevreden met het feit dat hij altijd alles uitgaf, sterker nog: hij ervoer stress als hij aan zijn financiën dacht. Het is leuk om naar hem te luisteren, omdat hij worstelt. Ja, hij houdt nu zijn inkomsten en uitgaven bij op een spreadsheet, maar nee, het gaat hem er niet om om er rijk van te worden, en nee, hij is geen kniert geworden. ‘Ik geef geen rondje minder in het café.’

Ik denk alleen, als ik hem zo hoor, dat hij nooit meer naar het café gaat. Voor je het weet betaal je ik weet niet wat voor een biertje, terwijl je voor hetzelfde geld een kratje in huis kunt halen. Dit laatste zegt hij niet. Wat hij wel zegt: dat hij heeft ingeleverd op zijn imago. Hij bestelt geen eten meer. Gaat niet meer drie keer per week uit eten. Kookt vaker zelf. Woont in een klein huis. Rijdt een ‘crappy’ auto, een oude Skoda. De omslag kwam toen hij vader werd, en veiligheid en onafhankelijkheid belangrijker werden.

Alles wat hij zegt klinkt bijna mindful. Intentioneel leven noemt hij het zelf. Weten waar het je om gaat, wat je belangrijk vindt. Aan het eind van het gesprek zegt hij zelfs dat je ‘geld’ ook door iets anders kunt vervangen, alsof het een metafoor zou kunnen zijn. Maar hoe zou je het kunnen vervangen door iets anders als je bij stap 4 bent aanbeland, ‘pas je uitgaven aan je gelddoelen aan en voer je spaardoelen door’. Eenmaal bij stap 6 aangekomen, ‘leer jezelf een nieuw uitgavenpatroon aan’, zegt hij enthousiast: ‘Dit proces stopt nooit. Ik blijf kijken, waar wil ik meer op bezuinigen, waar wil ik meer aan uitgeven, ten koste van wát.’

Klöpping vraagt jammer genoeg niet of Pfauths echtgenote tegenover hem aan tafel haar eigen spreadsheet aan het maken is. Hij veert vooral op als ze bij stap 9 aankomen, ‘hoe kun je je inkomen vergroten?’ ‘Mmm’, ontsnapt hem. Pfauth beaamt: ‘Dat kan ook ontzettend leuk zijn.’ En vertelt over een Amerikaanse site, I Will Teach You to Be Rich. ‘Hoe kun je daarmee beginnen?’ vraagt Klöpping gretig. ‘Moet je er tijd voor reserveren?’

Even. Dit zijn geen VVD-jongens, dat is het verwarrende. Dit zijn keurig progressieve jongens, op hun manier sociaal betrokken, geïnteresseerd in de wereld denk ik. Waren dit de jaren tachtig geweest, dan was Pfauth hoofdredacteur van de door hem opgerichte Vredes Aktie Krant, en Klöpping had een landelijk netwerk opgezet van Basisgroepen tegen Kernenergie. Ze waren afgereisd naar Nicaragua om koffie te plukken, en voor zover ze met geld bezig waren was dat om het in te zamelen voor de Anti-apartheidsbeweging.

De grote graaimentaliteit die door Schimmelpenninck aan de jaren tachtig wordt toegeschreven – die in de redactie van Vrij Nederland had gezeten, en op vrijdagmiddag was aangeschoven in Arti bij de radio-opnames van Welingelichte kringen samen met de andere pestkoppen van die tijd – dateert toch echt van minstens een decennium daarna. Pfauth refereert ook op zeker moment in het gesprek aan ‘hun soort mensen’. ‘Jij en ik zitten allebei in een verschrikkelijk slechte sector, de journalistiek’, zegt hij tegen Klöpping. ‘In de corporate wereld zouden we veel meer geld kunnen verdienen, maar dat doen we niet.’ Niet omdat het niet fatsoenlijk zou zijn, maar omdat het niet ‘gelukkig’ zou maken. Al kun je je dan natuurlijk weer afvragen hoe geluk en fatsoen in zijn beleving samenhangen. Pfauth: ‘Ik kijk altijd: hoe kan ik mijn inkomen vergroten binnen de context van het pad dat ik heb gekozen? En daar haal ik plezier uit.’

Wat hij in feite zegt: hij vindt het leuk om met geld bezig te zijn.

Is dat erg? Ik vind de moraalridder uithangen minstens zo erg als met geld bezig zijn, geloof ik. Er zijn genoeg redenen bovendien voor veel mensen om wél met geld bezig te zijn, alleen zul je die mensen niet vinden onder fire-volgelingen. Om de eerste stap in de richting van financiële onafhankelijkheid en een vroeg pensioen te kunnen zetten, moet je je leven (inclusief je financiën) al behoorlijk op orde hebben. Wat ik naargeestig vind is de gegroeide vanzelfsprekendheid waarmee mensen persoonlijk gewin tot prioriteit van hun leven kunnen uitroepen, zonder dat iemand vraagt: heb je niks beters te doen? Een nieuwe berekenende generatie deint kennelijk lekker mee in de neoliberale samenleving door het spel niet eens meer zozeer te willen winnen, als wel het uit te spelen. Een kwart van de Nederlanders handelt inmiddels in aandelen, en de gemiddelde leeftijd van beleggers wordt almaar lager. Zestienjarigen denken rijk te kunnen worden door naar Noorwegen op en neer te vliegen om een speciaal soort sneakers te kopen en die voor veel meer door te verkopen, en hebben ouders die hen feliciteren met hun ‘zakelijk instinct’.

Sowieso, dat jezelf flink laten betalen om zo slinks mogelijk te werk te gaan wordt geassocieerd met slim-zijn is voor mij nieuw. Schimmelpenninck denkt bijvoorbeeld dat het tijd wordt dat de overheid bemand wordt met een nieuw type ambtenaar, afkomstig uit de private sector: slimme mensen die oplichters te snel af zijn, omdat ze dat zelf ook een beetje zijn. ‘Leuk en aardig hoor dat niemand bij de overheid serieus geld [sic] mag verdienen, maar op die manier haal je nooit de beste mensen in huis.’

Zoek de impliciete aannames in deze redenering: ambtenaren werken voor een laag salaris; slimme mensen zijn te koop; als je slim bent, ben je rijk; als je niet voor een mega-salaris werkt ben je dom.

De tijd dat winst maken zondig was, ligt ver achter ons, zo ver ben ik ook. De gedachte dat geld is bedacht als middel om de ruil van goederen te vergemakkelijken, heeft mij echter nooit helemaal verlaten. Dat geld op zich niks is. In Hebzucht: Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid schetst politiek filosoof Jeroen Linssen de kennelijk onontkoombare gang die de mensheid heeft doorgemaakt van ruilen naar handelen. Ooit was de woekeraar de personificatie van het kwaad en nu is hij een slimme jongen. Naast de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht is een vierde macht ontstaan, die van het financiële regime. Somber concludeert Linssen dat in de huidige ondernemersmaatschappij individuen niet anders kúnnen dan zich hebzuchtig gedragen. Met dit op morele gronden veroordelen kom je er niet meer. De ‘politiek’, de overheid, zal de economie van het genoeg moeten bewerkstelligen; weer meer naar zich toetrekken in plaats van zijn burgers uitleveren aan de wetten van de markt.

Het moge inderdaad duidelijk zijn dat op die markt alleen de toch-al-welgestelden uit de voeten kunnen. Het zijn de ondernemende koopmannetjes die zich daar thuis voelen, bezig hun slag te slaan met dealtjes, sommetjes. Deze markt heeft Sywert van Lienden gebaard, en hij is niet de ergste, wel de bekendste. Iedereen is, noodgedwongen of uit hobby, zijn eigen ondernemer geworden. Kleine zelfstandigen stellen hun pensioen veilig door hun dure huis nog weer duurder te verkopen. Intelligente jongens zijn met aandelen in de weer, waarbij de echt jonge beleggers steeds vaker de pineut zijn omdat ze geen vangnet hebben als het misgaat. Mensen worden er niet leuker op, in tegenstelling tot wat Adam Smith ooit verwachtte, namelijk dat de zelfzuchtige, ambitieuze mens ook de welvaart zou vergroten van de armere mensen in zijn omgeving. Het tegenovergestelde is het geval.

Ten aanzien van geld kun je niet onverschillig genoeg staan, schreef Natalia Ginzburg al in De kleine deugden. Haar pleidooi voor vrijgevigheid in plaats van spaarzaamheid klinkt mij als een fris en actueel reveil in de oren. Dat het een privilege is om je zo’n houding te kunnen veroorloven: so be it. Dat is met spreadsheets in de weer zijn ook. Wat Ginzburg zegt: de spaarpot de deur uit. Je kinderen leren niet op geld uit te zijn door er achteloos mee om te gaan, zodat zij niet vergeten wat de werkelijke aard van geld is. Hoe het nooit in staat zal zijn onze diepste behoeften te vervullen. Boven een bepaald bestaansminimum zijn die behoeften altijd geestelijk van aard. Iets moet je leven betekenis geven, een roeping bijvoorbeeld, werk. Het is de enige echte vorm van welvaart en de enige kans op verlossing. F*ck You Money Indeed.