‘serviërs raken makkelijk oververhit’ ‘albanezen kennen geen haat’

‘DIT IS WAT je overal in Pristina op de muren gekalkt ziet’, zegt Marija. Op een velletje papier tekent ze een kruis. In elke hoek zet ze een letter: de C, de cyrillische S. De C’s aan de linkerkant van de verticale kruisbalk gespiegeld aan die ter rechterzijde, de opening van de letters wijzen naar buiten. ‘Dat staat voor Samo Sloga Srbina Spasava: alleen eenheid kan de Serviërs redden. Maar als dat betekent dat ik als Servische moet vechten tegen mijn Albanese buren, haak ik mooi af.’

Marija Danilovic is twintig jaar en Servisch. Sinds twee jaar studeert ze Engels. Het liefst zou ze een opleiding tot modeontwerpster volgen, maar die is er niet in Pristina. Wel in Belgrado, maar ze heeft niet genoeg geld om daar te gaan wonen. Een busreis Pristina-Belgrado duurt vijf uur, bovendien woedt buiten de stad steeds feller de oorlog. Dus ontwerpt ze, om te oefenen, zo'n beetje al haar kleding zelf. Om wat bij te verdienen werkt ze in een hotel. Pal naast een grote legerbasis.
‘IK HEB MIJN hele leven in Pristina gewoond. Ik denk dat ik in het buitenland ga wonen na mijn studie, maar ik zal hier zeker terugkomen. Ik kan mijn land niet zomaar in de steek laten. Op dit moment is hier geen toekomst voor me. Dus ga ik over een paar jaar ergens anders geld verdienen. Uiteindelijk zal ik naar Kosovo terugkeren.
Serviërs raken makkelijk oververhit. Sommigen roepen dat ze de straat op zullen gaan om Albanezen neer te schieten. Ik zal nooit toestaan dat mijn broer de wapens opneemt. Ik zal dat uit alle macht proberen te voorkomen. Nu wordt er alleen nog maar gevochten buiten Pristina, maar als mensen hier op Albanezen gaan schieten, wordt de oorlog totaal.
Misschien zal het net zo gaan als in Bosnië. Daar begon de oorlog pas echt toen radicale Serviërs van buiten Bosnië mensen begonnen te vermoorden.
Het liefst maak ik geen onderscheid, maar de situatie dwingt me ertoe. Kosovo hoort bij Servië. Ik kan het echt niet anders zien. Ik heb geleerd dat de meeste Albanezen hier zijn gekomen na de Tweede Wereldoorlog. Stel je voor: je leeft jarenlang vreedzaam in een huis dat je zelf hebt gebouwd. Plotseling komen vreemde mensen die je zeggen: “Ga weg, ík woon hier.” Dat kun je niet tolereren.
Veel Serviërs zijn de laatste jaren weggetrokken uit angst voor radicale Albanezen. Dat is een grote fout geweest. We zijn nu ontzettend in de minderheid. Maar wat mij betreft moeten we nog steeds vreedzaam kunnen samenleven. Het is alsof iedereen vergeten is dat dat jarenlang goed is gegaan.
Waarom willen de Albanezen hier onafhankelijkheid? Waarom kan mijn land niet ook hun land zijn? Okee, we moeten een taal kiezen waarin we met elkaar kunnen spreken. Logisch dat dat Servisch is. Onze taal is veel makkelijker dan Albanees. Op de lagere school heb ik zo'n vijf jaar Albanees gehad, maar nog steeds beheers ik het niet goed. Misschien lag dat wel aan de leraar.
Nu probeer ik het te leren van een Albanese vriend van me. Hij komt uit uit Decani, vlak bij de grens met Albanië. De laatste keer dat ik hem in Pristina zag, was hij bang om terug te gaan. Er wordt daar hard gevochten. Daar maakten we dan maar grapjes over. Wat moet je anders?
Ik heb die jongen ongeveer een jaar geleden ontmoet, in de zomervakantie. Toen gingen we met een grote groep Serviërs naar een Albanees café, om te mengen. Was fantastisch! We kunnen makkelijk samenleven. Alleen sukkels roepen dat dat niet kan.
Maar de laatste tijd zijn veel van mijn vrienden anders gaan denken. Die zeggen dat Kosovo-Metohija alleen voor de Serviërs is, dat Albanezen minderwaardig zijn. Ik praat maar niet meer over politiek met ze. Anders krijg ik ruzie.
Ik weet niet of ik echt Servisch ben opgevoed. Misschien kan een buitenstaander dat zien, ik niet. Ik spreek Servisch, ik ga af en toe naar de orthodoxe kerk. Dat is alles. Vergeet niet dat we zijn geboren onder een communistisch regime. Toen bestond officieel geen onderscheid. Mijn ouders hebben me nooit verteld dat Albanezen slecht waren. Dat zou ik belachelijk gevonden hebben.
Pas toen ik een jaar of elf was, viel me voor het eerst op dat ik tot een ander volk behoorde. Er was een of andere Albanese demonstratie. De Albanezen begonnen de ruiten van ons klaslokaal in te gooien. Ik was doodsbang. Toen wist ik: ik ben anders, deze mensen willen me kwaad doen.
In demonstraties lopen jonge Albanezen met UÇK-spandoeken. Ik word daar niet bang van. Als ik met de studenten demonstreer, roep ik ook radicale dingen. Dat geroep is alleen maar een manier om je sterker te voelen. Het betekent niet dat die Albanese jongeren mij willen doden. Er is een grote ruimte tussen het opnemen van de wapens en iets daarover roepen.
Ik zou nooit iemand kunnen doden. Sommige van mijn vrienden hebben een pistool op zak, maar dat is alleen maar om stoer te doen. Dom macho-gedrag.’
'HET IS BELACHELIJK om te zien hoe verdeeld Pristina is. Albanezen hebben hun eigen kroegen, net als wij. Er zijn maar weinig mensen die zich mengen. Ik heb nog nooit problemen gehad in een Albanees café. Albanese kroegen zijn open tot twaalf uur ’s(nachts. Servische cafés sluiten veel later. Albanezen krijgen problemen met de politie als ze langer openblijven. Ik ben het daar niet mee eens, maar wie vraagt mij wat. Ik ben machteloos.
Nu bestaat de politie volledig uit Serviërs. Toen ik jong was, waren er ook Albanese agenten. Maar op een gegeven moment was dat over. Ik heb nooit begrepen waarom. Volgens de Albanezen werden hun mensen die bij de politie en in het leger zaten, mishandeld. Vermoord zelfs. Maar dat kan toch niet waar zijn?
Er zijn zo veel verhalen, zo veel leugens. Ik weet niet meer wat ik moet geloven. Dat krijg je ervan als je zo gescheiden van elkaar leeft.’
'DE ALBANEZEN hebben vanaf 1991 hun eigen schoolsysteem opgezet. Ze willen per se onderwijs in hun eigen taal. Daar ben ik het niet mee eens. Die scholen zijn illegaal, de overheid erkent ze niet. Hun diploma’s zijn niets waard. Die scheiding heeft geen enkele zin, zo raken we alleen maar verder van elkaar verwijderd.
Albanezen zijn welkom op onze scholen, maar ze blijven weg. Toen ik op de lagere school zat, waren we nog allemaal samen. Gelukkig weet mijn generatie nog hoe dat was. Maar kinderen die nu op de lagere school zitten, kennen alleen maar die scheiding. Zo kweek je vijandschap. Elke dag zien ze de oorlog. Zet je ze bij elkaar, dan wordt het vechten.
Over twee jaar ben ik klaar met mijn studie. Dan kan ik hier weg, naar het buitenland. Misschien is Kosovo dan al volledig uitgebrand. Het is een beangstigende gedachte dat ik daar helemaal niets tegen zal kunnen doen. Ik ben voor vrede, maar soms lijkt het wel alsof ik alleen sta.’
'SARAJEVO’ STAAT in het cyrillisch op een muur geschreven. De letters zijn bloedrood. 'Kijk’, zegt Tina, 'zo brutaal zijn ze. De Serviër die dat heeft gedaan, wil ons kennelijk herinneren aan de slachting die zijn volk in Sarajevo heeft aangericht. Hopelijk heeft-ie ook bedacht dat de Serviërs juist daardoor de oorlog in Bosnië hebben verloren.’
Tina Kraja is negentien jaar en Albanees. Ze is afgelopen jaar begonnen aan een studie rechten. In Pristina deelt ze een appartement met haar zus. Haar ouders wonen in Tirana. Tina woonde in totaal zes maanden in de Verenigde Staten. Daar viel haar op dat jongeren die niet gewend zijn te leven onder een vijandig regime zich heel anders ontwikkelen. Ze zijn veel minder volwassen. 'Misschien scherpt gevaar de geest.’
Iets meer dan een jaar geleden trad ze in dienst van Koha Ditorre, een onafhankelijk etnisch Albanees dagblad.
'IK WAS HET eerste kind in ons gezin. Ik heb drie zusters en een broer. Ik ben hier geboren en getogen. Toen ik zo'n twaalf jaar geleden naar de lagere school ging, was het leven in Kosova nog tamelijk normaal. Toen ik naar het gymnasium ging, begon het hier uit de hand te lopen. Dat was in 1991. Alles wat Albanees was, werd gesloten door de Serviërs.
We hadden geen televisie en radio meer in onze eigen taal. Onze ouders werden massaal ontslagen, ook mijn ouders. We werden geïntimideerd. Mijn moeder gaf Albanees op een middelbare school in Pristina. Ze werd telkens gearresteerd en ruw verhoord omdat ze vond dat Albanezen les moesten krijgen in hun eigen taal.
Mijn vader was journalist. Hij was een van de oprichters van de LDK, de grootste Albanese partij in Kosova. Mijn ouders zijn verhuisd naar Albanië, omdat het hier te gevaarlijk werd. In Tirana werd mijn vader de eerste ambassadeur van de Republiek Kosova. Onze republiek wordt alleen erkend door Albanië.’
'IK WERD ER voor het eerst op gewezen dat ik Albanees was tijdens de demonstraties van 1989. Toen hief Miloseviå de autonomie van Kosova op. Er werd geschoten. Toen voelde ik voor het eerst écht dat ik bij het Albanese volk hoorde en dat de Serviërs niet mijn mensen waren. Mijn ouders zijn heel patriottistisch. Zo ben ik ook opgevoed. Ik herinner me dat mijn moeder me vertelde over de geschiedenis. Over iemand die Rankoviå heette, een Serviër die hier massamoorden beging op de Albanese dorpelingen. Dat schijnt hier normaal te zijn. Maar ze zei nooit dat ik niet mocht omgaan met Serviërs.
Een paar jaar geleden sloot ik me aan bij de eerste niet-gouvernementele organisatie waarin zowel Serviërs als Albanezen uit Kosova zaten. We spraken veel over de politiek, gingen veel met elkaar om. We probeerden het Westen te bewijzen dat we best samen konden leven. Onze ouders hadden het verkeerd, dachten we.
Maar nu is het te laat. Ik kon er uiteindelijk niet meer omheen dat Serviërs en Albanezen twee volkomen andere culturen hebben. Neem onze taal, die is volkomen anders dan het Servisch. Twee tegengestelde naties die leven in één staat, het werkt niet. Negentig procent van de bevolking kan niet worden overheerst door tien procent. Dat loopt niet goed af.’
'IK WEIGER te breken met mijn Servische vrienden, maar het wordt steeds moeilijker met ze om te gaan. We kunnen niet praten over de politieke situatie. Dan raken we allemaal beledigd en oververhit. Dus hebben we het over alledaagse dingen. Achteraf gezien heb ik ruim tien jaar lang in een droom geleefd. De droom van een normaal leven, samen met de Serviërs.
Kosova moet een onafhankelijke staat worden, los van Servië én van Albanië. Ik heb een poos in Tirana gewoond, maar ik voel me niet thuis in een land waar je elke dag het gevaar loopt door een van je eigen mensen te worden doodgeschoten. Als Kosova onafhankelijk is, zullen de Serviërs die hier wonen niet meemaken wat wij hebben doorgemaakt. We zullen ze niet onderdrukken. Wij kennen geen haat.
Ik weiger te vluchten. Als het moet, zal ik vechten. Ik weet hoe ik met een wapen moet omgaan. Dat heb ik geleerd voor mijn eigen veiligheid.
Al mijn vrienden steunen de UÇK. Enkelen zijn al de bergen ingetrokken om mee te vechten. Als ze aan mijn deur komen omdat ze me nodig hebben, zal ik meegaan. Er komt een moment dat je de wapens opneemt. Mijn maag draaide zich om toen ik de foto’s zag van de slachting in Drenica. Tachtig Albanezen vermoord, ook vrouwen en kinderen.
Als de Serviërs iemand uit mijn naaste omgeving afslachten, zal er iets in me veranderen. Dan zal ik niet meer Tina zijn, maar een volkomen ander mens. Toch kan ik me niet voorstellen hoe het is om iemand te doden.’
'MET MIJN VRIENDEN heb ik het bijna alleen nog maar over de oorlog. Veel zijn gevlucht. Naar Montenegro, Albanië, Macedonië, Turkije. Hier hebben ze geen toekomst. Ik kan dat wel begrijpen, maar hoe kunnen ze hun familie verdedigen vanuit het buitenland? Ik zal horen bij degenen die hun land niet verlaten hebben op het kritieke moment. Ik ben niet bang om te sterven. Ik ben bang om hulpeloos te zijn.
Pristina is nu nog rustig, maar het is een tijdbom. Tien jaar zonder werk, tien jaar zonder normaal functionerende openbare voorzieningen, een vernietigde economie. Het barst hier van de Albanese kinderen die sigaretten verkopen om hun familie te onderhouden. Sommigen zijn nog geen tien jaar oud.
Pristina is een verdeelde stad. Na twaalf uur ’s(nachts zijn we vogelvrij op straat. Sinds de slachting in Drenica gaan we niet meer naar disco’s. Hoe kun je dansen als je volk wordt uitgemoord?
Het is te laat om de oorlog nog te stoppen. Wat de Serviërs gedaan hebben in Drenica en waar ze nu mee bezig zijn rond Decani, kunnen we niet meer vergeten. Vergeven ook niet, denk ik. De mensen hier investeren niet meer in samenwonen met elkaar. Goed, niet elke Serviër is slecht. Maar er is te veel gebeurd.
Waar blijven de Amerikanen? Vroeger wist ik zeker dat ze hier geen moordpartijen zouden toestaan. Europa? Vergeet het maar. Daar heb ik nooit iets van verwacht. Het is net alsof je in een geweldsfilm leeft.
Het interesseert niemand of wij hier sterven. Iedereen kijkt naar het scherm en ziet het gebeuren, maar niemand doet er iets aan. Als de film is afgelopen, wordt jouw schermpje zwart en ben ik er niet meer.’