Settelen

Tussen de veertig en vijftig raak je gesetteld. Althans, zo werd dat vroeger verteld. Het leven heeft zich min of meer uitgekristalliseerd, je beseft wie je bent en wat je ongeveer kunt, maatschappelijk gesproken bevind je je op een hoogtepunt.

Je carrière heeft zijn top bereikt, je verdient meer dan ooit, beter zal het nooit meer worden, maar veel slechter waarschijnlijk ook niet. Je weet waar je aan toe bent. Je werkt misschien nog steeds te hard, maar de jarenlange inspanningen hebben iets opgeleverd. Je bestaan is overzichtelijk geworden. Dit was de boodschap die onze ouders overbrachten.
Het was de generatie, geboren in de jaren veertig, die openlijk brak met deze traditie. Jarenlang slijmen om je baantje te behouden? Je zou wel gek zijn. Je druk maken om je pensioen? Dat zie je tegen die tijd wel. Twintig jaar werken bij hetzelfde bedrijf? Dat mochten ze willen! Piekeren over je toekomst? Waarom zou je?
De babyboomers leefden in een tijd waarin volgens hun eigen zeggen de baantjes uit de lucht kwamen vallen. Solliciteren was niet nodig, vaste banen gaven maar onnodige verplichtingen en een beetje talent werd op zijn wenken bediend. Het waren uitsluitend de mensen van het tweede garnituur die zich zorgelijk voorzagen van een toekomst die vastlag. De bovenlaag deed op dat moment waar ze zin in had en zag wel wat er van kwam.
De generatie na hen, de mijne, had het beduidend lastiger. Niet alleen werd de arbeidsmarkt krapper en was het geld nagenoeg op; onze werkgevers behoren tot de generatie die zich nauwelijks kan voorstellen dat je iets anders wilt dan rekenen op het toeval en je gelukkige gesternte. Natuurlijk beseffen ze wel dat alles anders is dan pakweg vijftien jaar geleden en ze zijn ook best bereid dat toe te geven, maar tegelijkertijd hebben ze een wereldbeeld ontwikkeld dat volgens de huidige normen nogal optimistisch aandoet. Ze denken altijd dat alles vanzelf wel goedkomt.
Mijn generatiegenoten en ik lopen nu tegen de veertig en constateren - althans in mijn kennissenkring - met enige schrik dat we wel erg ver verwijderd zijn van zoiets als enige materiële zekerheid. We hebben allemaal werk genoeg en gewaardeerd worden we best, maar om nou te zeggen dat we weten waar we aan toe zijn? Geen flauw idee. In tegenstelling tot de generatie voor ons beginnen wij pensioenen en vaste werkgevers langzamerhand tamelijk aantrekkelijk te vinden. Het voortdurend strategisch opereren om de juiste contracten te veroveren en je risico’s te spreiden, wordt op een bepaalde leefdtijd een tikje vermoeiend en je zou, je cv overziende, je weleens uitsluitend willen richten op het werk zelf in plaats van op de overlevingsstrijd.
Eerlijk gezegd denk ik niet dat de tekorten op de arbeidsmarkt ons zozeer in de weg zitten alswel het feit dat bedrijven en organisaties geleid worden door de blije generatie die geen benul heeft van de collectieve vermoeidheid en er stiekem een beetje op neerkijkt. Men heeft zelf inmiddels al lang een vaste aanstelling en behoorlijke pensioenregeling, maar men ziet dat als iets toevalligs wat je in de schoot geworpen krijgt en niet als een schaars of kostbaar goed. Het is een soort psychologisch onvermogen om zich te verplaatsen in latere generaties die ‘vrijheid’ en 'onafhankelijkheid’ vooral ervaren als permanent risico.
Vroeg of laat zal er weer ouderwets geslijmd worden om je contract verlengd te krijgen of een tijdelijke aanstelling in een vaste te veranderen.
Vogelvrij dansen wij over de arbeidsmarkt.