Sexy and I don’t know it

Soms neem ik me voor een dagboek bij te houden. U weet wellicht hoe zoiets gaat. Je koopt zo’n mooi gebonden boekje met blanco pagina’s, legt het in een lade, en schrijft er elke avond braaf in op wat je hebt meegemaakt en wat je bezighoudt.

Dagboekjes van anderen, hoe rudimentair ook, verslind ik vaak. Engelenplaque van A.F.Th., of het Logboek van Harry Mulisch: geweldige lectuur, waarschijnlijk omdat je daarmee rechtstreeks in de werkkamer kijkt. Dag- en brievenboeken zijn voor schrijvers zoiets als schetsboeken voor schilders.

Ze zelf vullen blijkt toch een stuk lastiger. Meestal komt na een dag of drie de klad er al in, en zijn er ineens verdwenen dagen, dan worden dat weken, en uiteindelijk leidt dit patroon ertoe dat je een lade vol hebt liggen met keurige boekjes waar alleen de eerste tien velletjes van beschreven zijn. Waar haalden de gebroeders Goncourt, Kierkegaard en Hans Warren de tijd en vooral de stalen discipline vandaan om systematisch hun dagen te boekstaven?

Ook vroeg ik me af: wat heeft dat nog voor zin in de tijd van sociale media? Een paar dagen eerder ontdekte ik op Twitter namelijk de functie ‘Je archief opvragen’. Twee muisklikken, en ik kreeg al mijn tweets vanaf het eerste begin (april 2009, en ik was al een late twitteraar) keurig in een Excel-bestandje toegestuurd.

Het Twitter-archief is het equivalent van een dagboek. ‘Nog 3 lessen voor het afrijden, dus hoop nu op een foutloze rit’, meldde ik in die eerste maand. En een paar weken later: ‘Terug in NL nadat Gouden Uil mij voorbij is gevlogen. Gelukkig het vooruitzicht van een reis naar Florence komend weekend.’

En dan doe ik nog niet eens aan Facebook, dus blijft het overzichtelijk, bij berichtjes van maximaal 140 tekens. Een Facebook-archief lijkt nog veel meer op een autobiografie. Iedereen met een account schrijft zijn eigen Privé-domein-deeltje.

Laatst kreeg ik van mijn uitgeverij een herinneringsmailtje: de deadline naderde van een speciale Privé-domein-editie, over reizen en herinneringen. Komt eraan, schreef ik terug, al was ik het in werkelijkheid straal vergeten. Maar het toeval wilde dat ik de dag erna kort op reis ging. Dus dat was eenvoudig: tijdens die reis een dagboekje bijhouden, braaf als een schoolmeisje, en de mij toebedeelde pagina’s zouden als het ware zichzelf schrijven.

Vergeet het maar.

Toen ik languit in mijn hotelkamer lag, mijn vulpen openschroefde en (in dat mooie handschrift dat altijd maar vier regels standhoudt) de datum noteerde op de eerste bladzijde van het speciaal gekochte blanco boekje, realiseerde ik me ineens dat vrijwel geen enkele Privé-domein-schrijver wíst dat hij ‘een Privé-domein’ ging schrijven, en dat die Privé-domein-reeks daarom zo goed is.

Brieven en dagboeken schrijf je in eerste instantie zonder publicatie-oogmerk. Ze zijn onttrokken aan de harde, beoordelende blik. Je kunt er zomaar wat in aanrommelen, in dat hoekje in de schaduw, buiten het publieke oog om, en juist daarom ben je creatiever.

Toen ik als student wat verhalen probeerde te schrijven, las mijn toenmalige vriendin over mijn schouder wel eens mee. Ze zei: ‘Je moet wat meer schrijven zoals in die brieven aan E. en E. Misschien moet je het verhaal vertellen alsof je het in een brief aan E. of E. schrijft.’

Die brieven waren een beetje geïnspireerd op Reve, en bestonden uitsluitend uit geoudehoer waar Gods zegen op rust, maar ze had gelijk. Laatst gaf ik een studente nog hetzelfde advies: schrijf het alsof het een mailtje is dat je aan een vriend of vriendin schrijft.

Dat is meteen ook het grote bezwaar tegen Twitter en Facebook als dagboek. Elk woord is gericht aan de buitenwereld. Iedereen schrijft zijn deeltje Publiek Domein, en er zit onvermijdelijk een element van zelfpromotie in, om nog te zwijgen van wat je er allemaal verzwijgt. ‘Slotdeel novelle herschrijven aan het strand van Scheveningen’, twitterde ik op 24 april 2009. Flikker toch op, eikel. Loop je daar een beetje de Thomas Mann uit te hangen op het terras van het Kurhaus. In een dagboek zou bij diezelfde dag kunnen staan: ‘Helemaal klaar met die kutnovelle. Ik heb ze dood laten gaan in de laatste alinea en daarna gaan kijken of ergens al toplessmeisjes lagen. Helaas niet het geval.’

Wat een indringend dagboek indringend kan maken is juist die achteloosheid. De dagboekschrijver hoeft niet op z’n hoede te zijn, mag schelden, zwelgen in zelfbeklag en lak hebben aan stijl. En juist daardoor triomferen.

Zoals meisjes mooi kunnen zijn doordat ze niet weten dat ze mooi zijn. De mentaliteit op sociale media is exact het omgekeerde. Daar leef je naar het credo: I’m sexy and I know it.