het einde27 maart 1914 – 5 augustus 2009

Seymour ‘Budd’ Schulberg

‘Hollywood-communist’ Seymour Schulberg zou als onderkruiper de geschiedenis zijn ingegaan als hij niet later op weergaloze wijze zijn gelijk had gehaald.

NET ALS ANDERE OORLOGEN leeft de Koude Oorlog voort in de morele dilemma’s die hij opwierp. De atoombom bijvoorbeeld (en de wederzijdse vernietiging die hij mogelijk maakte) vervaagde de grens tussen goed en kwaad in de politiek. Dit dilemma werd goed geïllustreerd door de figuur van ingenieur Julius Rosenberg, die (anders dan ter linkerzijde werd beweerd) bepaald geen onschuldig slachtoffer was van de communisten jagende senator Joseph McCarthy. Rosenberg spioneerde wel degelijk samen met zijn vrouw voor de Russen. En volgens de verlate ‘biecht’ van hun voormalige medespion Morton Sobell uit 2008 was het hen wel degelijk begonnen om het doorgeven van Amerikaanse atoomgeheimen, het feit waarvoor het echtpaar in 1953 ter dood werd gebracht. Maar hun communistische overtuiging waren ze al goeddeels kwijtgeraakt; ze wilden enkel de wereldvrede dienen door de Russen gelijkwaardig te bewapenen. Waren ze nu goed of fout in de Koude Oorlog?
Schrijver en scenarist Budd Schulberg werd ongewild het middelpunt van een vergelijkbare affaire. Die draaide niet om atoomgeheimen, maar de verwikkelingen waren nauwelijks minder dramatisch. De ingrediënten waren vriendschap, politieke principes en artistieke integriteit. Drie eigenschappen die dun gezaaid waren in het Hollywood-wereldje waarin Schulberg als zoon van de directeur van Paramount Pictures opgroeide. Hij moest ze als het ware bevechten op zijn milieu. Als journalist leerde hij de zelfkant van de samenleving kennen, hij verdiepte zich in de bokswereld en schreef verhalen over de ‘kleine man’ en zijn gevecht tegen de grote en kleine strebers die zijn leven trachten te beheersen.
Na een bezoek aan de Sovjet-Unie in 1934 was Schulberg lid geworden van de Amerikaanse communistische partij. ‘Het was in die crisisjaren volkomen duidelijk dat er in ons land iets helemaal niet klopte. Mijn vader verdiende per week elfduizend dollar, terwijl elders de werklozen in de rij stonden voor een stuk brood en een appel’, zei hij later. Maar toen de kameraden aanboden de aankomend scenarioschrijver politiek ‘bij te scholen’, stapte hij even snel weer uit de communistische partij als hij erin was gestapt.
In 1941 brak hij door met de roman What Makes Sammy Run? Het is het verhaal van Sammy Glick, een joodse straatjongen die zich opwerkt naar de roem en het grote geld van Hollywood zonder ooit om te zien (‘Sammy always runs’). Het was een vernietigende schets van het filmmilieu, volgens Schulberg een ‘fabriek’ die talent uitperst en waar ‘overtuigingen te koop zijn’. Het gerucht ging dat Sam Goldwyn de rechten wilde kopen en in zijn onderste la begraven omdat het boek ‘joden in een kwaad daglicht stelt’. In werkelijkheid had Schulberg het Hollywood-milieu zo raak getekend dat geen producent of regisseur er zijn vingers aan wilde branden. Pas acht jaar later werd zijn Sammy verfilmd voor de tv en in de jaren zestig stond het achttien maanden achtereen op Broadway. Sammy Glick werd een Amerikaans archetype zoals Tom Sawyer, Rip van Winkle en Willy Loman dat zijn.
Het drama dat de tweede helft van Schulbergs leven zou beheersen, ontspon zich in 1951. Tijdens een verhoor door Joseph McCarthy’s kettinghond, het House Un-American Activities Committee, wees een collega-scenarist Schulberg aan als voormalige communist. Schulberg getuigde op zijn beurt voor de commissie, noemde acht namen van andere ‘Hollywood-communisten’ en beschreef hoe zij hadden gepoogd zijn werk te beïnvloeden.
Zijn getuigenis leverde hem de niet-aflatende haat op van Arthur Miller en andere kunstenaars die weigerden voor de commissie te getuigen. En Schulberg zou als onderkruiper de geschiedenis zijn ingegaan als hij niet op een weergaloze manier zijn gelijk had gehaald via het medium dat hij het best beheerste. Hij kwam op de proppen met het screenplay voor On the Waterfront (1954), geregisseerd door die andere ‘verrader’ voor de commissie, Elia Kazan.
Het verhaal was gebaseerd op een geruchtmakende krantenreportage over corruptie en machtsmisbruik in de New Yorkse haven. De vakbonden zelf waren daar het vehikel van uitbuiting geworden, terwijl uitgerekend een priester het opnam voor de dokwerkers en stuwadoors zonder rechten. De hoofdrol – de gemankeerde profbokser Terry Malloy – werd vertolkt door een geniaal schmierende Marlon Brando. De film predikt geen hooggestemde, abstracte filosofietjes over historische noodzaak of het ‘collectief’ zoals in de toneelstukken van Sartre. Hoogtepunt is het pleidooi van de priester (Karl Malden) om de dokwerkers te bewegen tegen de maffia te getuigen: ‘Zorg dat het publiek de feiten kent. Getuig voor het goede en tegen het kwade. Wat zij “verlinken” noemen, betekent voor jullie de waarheid vertellen. Zien jullie dat dan niet?’
De film won acht Oscars. De tekst werd herhaaldelijk bewerkt voor toneel en Schulberg introduceerde vorig jaar nog persoonlijk een nieuwe versie op het zomerfestival van Edinburgh.
En nee, hij had nog steeds geen spijt. Zoals zijn stuk partij koos voor dokwerkers en tegen de maffia, zo had hij destijds partij gekozen tegen de Sovjet-Unie: ‘De communisten waren een bedreiging voor de vrijheid van meningsuiting, voor de vrede en, het ergst van alles, voor de vrijheid en de belangen van de gewone man die zij pretendeerden te vertegenwoordigen.’