Fotografie Egypte-koorts in Europa Fotografie

Sfinxen, obelisken en andere giganten

Tijdens zijn eerste nacht op de Nijl schrijft Gustave Flaubert dat hij alle vrouwen van de wereld zou opgeven om één nacht de mummie van Cleopatra te bezitten. Fotografie bood een vorm van bezit op afstand.

De op het oog gezapige passagiers van de ‘Karnak’ koesteren stuk voor stuk haat tegen de rijke Amerikaanse Linnet Ridgeway. Allemaal, behalve Hercule Poirot natuurlijk. In de verfilming uit 1978 van Agatha Christie’s Death on the Nile is de scène van de excursie van het reisgezelschap naar de grote zuilenzaal van Karnak legendarisch. Peter Ustinov, Jane Birkin, Bette Davis en Angela Lansbury dwalen afzonderlijk tussen de reusachtige pilaren. De camera maakt een paar Hitchcock-shots, zoomt uit, maar het gevaar komt van boven: een vallend rotsblok raakt op een haar na het hoofd van Ridgeway.

Drie jaar daarna in de bioscoop redt de ontdekking van een geheime gang in een Egyptische tempel Indiana Jones op het laatste moment van een slangenkuil. Als de nazi’s Indy even later, vastgebonden aan een paal samen met de hooggehakte Marion, blootstellen aan de magische krachten uit de Ark van het Verbond moet het stel hun ogen sluiten om te overleven: de geesten en lichtstralen doden iedereen die ze ziet. Indiana Jones heeft zichzelf gered door niet te kijken.

Medium img035
Jan Herman Insinger (1854-1918), gemummificeerd lichaam van een man genaamd Djed-ptah-anf-ankh, 1886 © Rijksmuseum van Oudheden, Leiden

Steven Spielbergs filmheld uit 1981 is een archeoloog die naar Egypte gaat omdat daar in de bijbel beschreven schatten zouden liggen. Hercule Poirot is in Egypte op vakantie, net als zijn medereizigers. Egypte lonkt: de piramides, hiërogliefen en mummies als stille getuigen van een lang verdwenen beschaving. Afgezien van een enkele bediende, zoals de stereotiep neergezette Indiase gezagvoerder van de Karnak, is het beeld van Egypte in de westerse foto- en filmgeschiedenis vooral een openluchtmuseum.

Al in de negentiende eeuw werd dat museum dankzij de fotografie populair. En daarmee leek de belangstelling voor de huidige bewoners en cultuur ook te groeien. De lezer van de Excursions Daguerriennes uit 1842 zou, volgens de tekst bij een afbeelding van de haven van Luxor, ‘vergeefs zoeken naar sfinxen, obelisken of andere giganten, onmisbaar bij elke Egyptische plaats’. De plaat – een gravure gemaakt naar een daguerreotypie – met boten, palmbomen en een in de rivier badend gezin was niettemin een uitzondering: op de meeste platen in de Excursions staan gebouwen, monumenten, en natuurlijk de piramides.

In Huis Marseille is de komende maanden een grote selectie negentiende-eeuwse foto’s van Egypte te zien. Foto’s van de Franse Maxime du Camp en de Engelse Francis Frith, Armeense fotografen die zich in Caïro vestigden en zelfs een paar Nederlandse pioniers. Opvallend is dat alle foto’s geleend zijn van Nederlandse collecties. Niet alleen vanzelfsprekende foto-grootheden als het Rijksmuseum en het Leidse Prentenkabinet, ook het Teylers Museum en het Rijksmuseum van Oudheden bleken veel oude Egypte-foto’s te bezitten. Ook op deze foto’s is het suspense-gehalte hoog en de aandacht voor de levende bevolking klein.

Vanaf het ontstaan van de archeologie, rond 1800, had Egypte een sterke aantrekkingskracht op wetenschappers, en die wetenschappers hadden behoefte aan studiemateriaal. Dominique Vivant Denon, kunstenaar diplomaat en later directeur van het Musée Napoléon, reisde in 1798 mee met de keizer op diens beroemde Egypte-reis. In krijt en inkt legde Denon zo veel mogelijk van wat hij zag vast. In 1802 verscheen zijn reisverslag in boekvorm, met meer dan honderdvijftig gedetailleerde prenten. De piramides, poorten en hiërogliefen, ze stonden er allemaal in, vergezeld van een nauwkeurige beschrijving van Denon. Het boek werd een bestseller.

De Egypte-koorts laaide verder op met de ontcijfering van de hiërogliefen dankzij de steen van Rosetta in 1822. Als souvenir van zijn Egypte-reis bracht ontcijferaar Champollion een obelisk mee, de trofee staat nog steeds op de Place de la Concorde. Een uitzondering: de meeste piramides en andere grote ‘monumenten’ zoals de sfinx bleven alleen te zien in tekeningen: je moest er zelf geweest zijn om de wonderen te geloven, of om ze wetenschappelijk te kunnen bestuderen. Toen in 1839 de Franse staat overwoog de fotografie openbaar te maken, nam pleitbezorger François Arago Napoleons expeditie naar Egypte als vanzelfsprekend voorbeeld. Als reizigers toen al foto’s hadden kunnen maken, dan hadden ze de hiërogliefen die op de monumenten staan allemaal exact en snel kunnen kopiëren, betoogde Arago. De ‘echte hiërogliefen’ konden, als ze twee of drie camera’s hadden gehad, de plaats innemen van fictieve hiërogliefen, en de Fransen zouden zelfs, vanwege de geometrische precisie van de foto’s, die onbereikbare gebouwen kunnen opmeten. De ultieme vorm van bezit op afstand.

De fototechniek van de eerste jaren liet nog te veel te wensen over om deze droom in vervulling te laten gaan, tien jaar later zou een van de eerste fotoboeken Egypte als onderwerp hebben. Journalist en fotograaf Maxime du Camp reisde samen met boezemvriend Gustave Flaubert tussen 1849 en 1851 naar het Oosten. Flaubert was toen al jaren besmet met de Egyptomanie. Tijdens zijn eerste nacht op de Nijl schreef hij dat hij alle vrouwen van de wereld zou opgeven om één nacht de mummie van Cleopatra te bezitten. Praktisch ingesteld nam de jonge schrijver het er nog even van in de bordelen van Caïro – Edward Said zou hem er in zijn Orientalism op afrekenen. Du Camp was vooral druk met het prepareren van en experimenteren met zijn fotografische apparatuur, hij had bij de Franse regering een opdracht geregeld waarvoor hij ‘facsimiles’ van de hiërogliefen en monumenten moest meenemen.

Een Besharin-man met traditioneel schild en speer poseert voor een geschilderd boslandschapje dat allesbehalve Egyptisch is

Alle Egypte-foto’s uit Du Camps Egypte, Nubie, Palestine et Syrie, dat in 1852 verscheen, zijn in Huis Marseille te zien. Op één foto staat Flaubert, in de tuin van het Hôtel du Nil in Caïro, vrijwel onherkenbaar: hij heeft een Nubisch kostuum aangetrokken. Op sommige andere foto’s figureren weliswaar Egyptenaren, maar ze dienen vooral als meeteenheid, zittend op het hoofd van Ramses II of in een venster van de tempel van Medinet Haboe. Vanwege de lange sluitertijden was het niet mogelijk om snapshots te maken, maar geposeerde portretten waren, zeker bij de felle Egyptische zon, best mogelijk geweest.

Onbedoeld zijn de foto’s, ondanks de schijnbare tijdloosheid van de constructies, toch tijdsopnamen geworden: veel van de getoonde monumenten zijn inmiddels verder uitgegraven of verplaatst vanwege de aanleg van de Hoge Aswandam in de jaren zestig van de twintigste eeuw. De tempel van Taffeh, door Du Camp in 1850 gefotografeerd, staat nu zelfs in de hal van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

Ook de Engelsen hadden interesse in het land van de farao’s. Of, beter gezegd, in het geval van zakenman, fotograaf en quaker Francis Frith: het land van de bijbel. Met betere, maar loggere apparatuur dan Du Camp legde Frith de landschappen vast waarin de bijbelverhalen zich afspelen – zijn wagen met tent en apparatuur is soms ook te zien. Als kind van zijn tijd wilde hij de religie wetenschappelijk onderbouwen. Door de kunstwerken in foto’s te vatten, zou hij het publiek vanzelf overtuigen dat de groeiende groep religie-sceptici het bij het verkeerde eind had. Daarnaast was Frith ook een handig zakenman: hij bracht zijn foto’s van Egypt and Palestine uit in meerdere edities, voor verschillende doelgroepen, vergezeld van levendige beschrijvingen. Ook Nederlandse dominees zouden later gebruikmaken van de foto’s van Frith, zo is te zien in de tentoonstelling.

Met de opening van het Suezkanaal in 1869 en de verzwakking van het Ottomaanse Rijk konden westerse toeristen de Egyptische wonderen steeds makkelijker zelf bezoeken. Omdat fotograferen nog steeds omslachtig was, ontstond er een markt voor studiofotografen. Europese en christelijk-Ottomaanse ondernemers openden filialen en richtten voor het eerst de lens ook op de bewoonde steden en hun bewoners.

Het laatste leverde voor moderne ogen surrealistische, ongemakkelijke beelden op. Op een foto van de Griekse fotofirma Zangaki poseert een Besharin-man met traditioneel schild en speer voor een geschilderd boslandschapje dat allesbehalve Egyptisch is. Een souvenir voor de westerse toerist, die blijkbaar het liefst de vreemdeling in een voor de toerist vertrouwde omgeving bekeek.

De meest spectaculaire en tot de (Egyptomanische) verbeelding sprekende foto’s in de tentoonstelling komen van een Nederlandse amateurfotograaf: hij fotografeerde uitgepakte mummies. Jan Herman Insinger (1854-1918), telg uit de bankiersfamilie, woonde vanwege zijn longtuberculose sinds 1879 in Egypte, en zwierf eerst over de Nijl met zijn lange zeilboot, later woonde hij in Luxor. Hij leerde fotograferen en raakte bevriend met Gaston Maspero, de Franse directeur van de Egyptische oudheidkundige dienst. Zo kon hij aanwezig zijn bij de opgravingen en het onderzoek van de koningsmummies.

De veertig mummies (waaronder Ramses II en Thoetmosis II) waren rond 950 voor Christus herbegraven na plunderingen uit hun oorspronkelijke rustplaats, het team van Maspero ontdekte ze in 1881. Overgebracht naar het Egyptisch Museum in Caïro werden ze onderzocht, Insinger was, naast de officiële onderzoeksfotograaf, de enige die ze mocht fotograferen. Dat hij daarbij niet de professionele belichtingstechnieken gebruikte, is achteraf heel toepasselijk – de mummies werden, naar huidige standaarden, ook niet erg professioneel behandeld, de bindsels belandden in de prullenbak. Zo sta je heel dicht bij het vertrokken gezicht van De vergiftigde en andere gezichten van de farao’s. Ook hier waren de afmetingen trouwens van belang: een van de mummies is naast een tafel tegen de muur rechtop gezet.

Van de foto’s van de mummies is het een kleine stap terug naar het begin, naar Agatha Christie. De Queen of Crime was zelf namelijk goed bekend met opgravingen in de regio. Na de scheiding van haar eerste man (waarbij ze twee weken spoorloos verdween zodat haar vreemdgaande echtgenoot even verdacht werd van moord), ontmoette ze tijdens een reis in Irak de veertien jaar jongere archeoloog Max Mallowan. Ze trouwden in 1930, en vanaf toen vergezelde en assisteerde ze hem bij zijn opgravingen in Syrië en Irak tijdens de zomers.

Verscheidene van haar detectives hebben de regio en de archeologie als decor. Bij de beroemdste, Death on the Nile uit 1937 is een van de verdachten een Italiaanse archeoloog en de niet-westerse omgeving vooral een manier om de groep zo veel mogelijk te isoleren. In Murder in Mesopotamia uit 1936 portretteert ze een complete archeologische opgravingssite. Death Comes as the End, uit 1944, is haar enige boek dat niet in de twintigste eeuw speelt, maar rond 2000 voor Christus, in Thebe. En tot nu toe is het verhaal als een van de weinige van haar boeken nog steeds niet verfilmd. Alsof we ook nu nog die farao’s en oude Egyptenaren liever laten zwijgen, ze alleen maar durven aankijken als ze uit steen zijn gebeiteld.


In Egypte: Reizigers en fotografen, 1850-1900, tot 4 juni in Huis Marseille, Amsterdam; huismarseille.nl