Shakespeare (2)

Nog tot en met 17 mei in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Daarna o.a. 20 mei in Alkmaar.
Is het toneelstuk Titus Andronicus (William Shakespeare, 1593) een draak? Twee beroemde kenners zijn het daarover niet eens. De Vlaamse vertaler van Shakespeares werk, Courteaux, vindt dat het stuk wordt bevolkt door ‘marionetten wier handelingen slechts op zeldzame ogenblikken voortvloeien uit menselijke en begrijpelijke motieven, meestal beperkt tot de meest primaire hartstochten als haat en wraakzucht.’ De Poolse schrijver Jan Kott spreekt in zijn boek Shakespeare tijdgenoot genuanceerder over dit jeugdwerk: ‘Hij was al wel zover dat hij grote gestalten ontwierp, maar hij wist zijn reuzen nog niet ten volle stem te geven. Zij stamelen nog.’

De beide heren hebben allebei een beetje gelijk. De titelheld uit Titus Andronicus, een Romeinse veldheer, stamelt en lamenteert veel over het onrecht dat hem en zijn familie wordt aangedaan. In de slotfase zijn Titus’ motieven inderdaad vooral ingegeven door haat en wraakzucht. Wie in het stuk zoekt naar psychologische motieven, vindt ze niet. Hier heerst slechts de kale drift om te overleven. Marcus, de broer van Titus, is ongeveer de enige die zich van die drift voortdurend bewust is. Hij is ook de enige die permanent blijft nadenken. In de voorstelling die Het Nationale Toneel op dit moment van Titus Andronicus speelt, maakt Ad van Kempen van deze Marcus een memorabel karakter. In een van de mooiste scènes uit deze (door Johan Doesburg geregisseerde) voorstelling, staat hij rechts vooraan op het podium. Langs de achterwand strompelt Lavinia, Titus’ dochter. Zij is zojuist (buiten beeld) verkracht en gruwelijk gemarteld: haar tong is uitgerukt, haar handen zijn weggehakt, haar armen nog slechts stompjes. Marcus kijkt niet om, hij spreekt tot ons zijn emotionerend commentaar: ‘Als ik dit droom, dan wil ik nooit meer slapen/ maar als ik echt zie wat ik zie, schroei dan/ mijn ogen dicht en verf het zonlicht zwart.’ Lavinia (een mooie rol van Angelique de Bruijne) wankelt vervolgens naar voren. En Marcus stamelt droog en helder de kernzin van het stuk: 'Verdriet dat niet naar buiten kan, verstikt/ het hart.’
Op papier lijkt deze scène niet speelbaar. Zoals veel scènes uit dit griezelkabinet. Op het toneel ontlenen ze hun kracht aan het simpele feit dat de boodschappers van het onheil datzelfde onheil de rug toe keren terwijl ze ons de boodschap brengen. Onze ogen vormen een legioen van honderden spiegels waarin de bloedige waanzin weerspiegeld wordt. En zij verhalen stamelend over het leed dat achter hun rug geschiedt. Via tekst. Of woordloos. Zoals Titus doet, wanneer zijn drieëntwintigste en vierentwintigste zoon zijn afgeslacht. Titus (Rik van Uffelen) barst dan in lachen uit. Zijn broer Marcus vraagt waarom. Titus: 'Ik heb geen traan meer over, man./ En bovendien, van huilen word je blind/ dat zou de wraakplannen bemoeilijken.’
Titus’ dochter Lavinia, eigenlijk een grove schets van Ophelia uit het latere meesterwerk Hamlet, doet Shakespeare al in het tweede bedrijf iets zeer schokkends aan. Ze smeekt haar directe tegenstander, de Goten-koningin Tamora (Anne-Wil Blankers) om een snelle dood. Shakespeare laat haar leven. En erger nog, hij ontrooft de actrice die Lavinia speelt haar voornaamste wapens - handen en tekst, gestiek en taal. Volgens Shakespeares spaarzame regieaanwijzingen mag zij nog slechts hollen, knikken, kijken en uiteindelijk met de stompjes die van haar armen zijn overgebleven de namen van haar verkrachters in het zand schrijven. Ook die scène lijkt op papier tè schrijnend om te spelen. In Doesburgs regie van Titus Andronicus keert Lavinia ons de rug toe, het zijn de omstanders die ons aankijken en de namen van de moordenaars noemen. Het is de inleiding van de wraak die verschrikkelijker zal worden dan het lot van Lavinia. En het levert het zoveelste fraaie moment op in deze huiveringwekkende Shakespeare-regie.