Reconstructie Clearstream-affaire

Shakespeare aan de Seine

Op 28 januari doet de Franse rechtbank uitspraak in de Clearstream-affaire, waarin onder anderen oud-premier De Villepin centraal staat. Haat, wraak, manipulaties en machtsstreven in Parijs, met een speciale rol voor president Sarkozy.

‘MIJN CLIËNT is aldoor afgeschilderd als een wereldvreemde professor Zonnebloem, maar was er niet juist alle aanleiding om waakzaam te zijn?’ De cliënt in kwestie is Jean-Louis Gergorin, tot zijn ontslag in 2006 een van de topmannen van EADS, de op een na grootste vliegtuigbouwer ter wereld. Gergorin is een van de sleutelfiguren in de zogeheten Clearstream-affaire. Naar het proces in de zaak, waarin de rechter op 28 januari uitspraak doet, is in Frankrijk lang uitgekeken. Op de laatste zittingsdag probeert zijn advocaat aan te tonen dat Gergorin niet de paranoïde manipulator is waarvoor hij in de Franse pers is versleten. Hij schetst een klimaat van terrorismedreiging en bedrijfsspionage. ‘Dat mijn cliënt de lijsten met namen uiterst serieus nam, valt hem eerder te prijzen.’
Centraal in de affaire staat een lijst met daarop namen van tal van prominente Franse politici en industriëlen. Zij zouden geheime rekeningen hebben bij de Luxemburgse zakenbank Clearstream. De bank op haar beurt zou een vehikel zijn voor een witwasoperatie van ongekende omvang. Maar de lijst met namen bleek een vervalsing. Gergorin, die via een tussenpersoon de hand op de lijsten wist te leggen, heeft ze eigenhandig gemanipuleerd en vervolgens gebruikt in een poging rivalen binnen zijn concern de destabiliseren. Althans, zo meent de aanklager. Hij noemt Gergorin ‘een briljant strateeg’ in bezit van een ‘uitzonderlijk vermogen tot anticiperen’.
In het benauwde zaaltje van de rechtbank op het Île de la Cité kauwt Gergorin onverstoorbaar op de blauwe designbril waarmee cartoonist Plantu hem in Le Monde vereeuwigde op het moment dat de affaire in het voorjaar van 2006 in al zijn beangstigende complexiteit naar de oppervlakte borrelde. Naast hem zitten de overige vier beklaagden op een rij: de accountant Florian Bourges, de journalist Denis Robert, de informaticus Imad Lahoud en Dominique de Villepin. Inderdaad. Ook de flamboyante oud-premier staat hier terecht. De aanklager heeft hem medeplichtigheid aan een valselijke aangifte ten laste gelegd. Hij verdenkt De Villepin ervan dat hij de bewuste lijsten heeft gebruikt om op zijn beurt politieke rivalen onschadelijk te maken.
De Villepin zelf lijkt allerminst onder de indruk van de achttien maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en de veertigduizend euro boete die hij tegen zich heeft horen eisen. Hij kijkt monter om zich heen en houdt na afloop een vlammende speech voor de haag van televisiecamera’s die hem buiten de rechtszaal opwachten. Dat is een vast ritueel geworden tijdens de maand dat het proces inmiddels duurt. Bij de opening van het proces viel De Villepin zijn oude rivaal hard aan. ‘Dat ik hier ben is te danken aan de bloeddorst van één man: Nicolas Sarkozy.’
Daar heeft De Villepin overigens niet helemaal ongelijk in. Het Openbaar Ministerie had de zaak aanvankelijk wegens gebrek aan bewijs willen seponeren. Maar Sarkozy, wiens naam op de vervalste lijsten opdook, wilde de door hem diep gehate De Villepin graag voor de rechter zien staan. ‘Als ik de daders vind, laat ik ze aan een vleeshaak ophangen’, heeft hij zelfs eens gezegd. En dus verklaarde hij zich niet alleen partij (in Frankrijk hebben burgers die mogelijkheid bij een strafproces – mk), maar zette bovendien alles op alles om het proces te laten doorgaan. Alleen dat al maakt het Clearstream-proces uniek. Niet eerder onder de Vijfde Republiek was een president partij bij een proces.
Sarkozy kon daarmee rekenen op felle kritiek. Was hij wel een ‘burger als ieder ander’, zoals zijn advocaat bij aanvang van het proces met het nodige pathos stelde? Als president kan hij invloed uitoefenen op zowel het Openbaar Ministerie als de rechterlijke macht. Is een onafhankelijk proces in dat geval nog wel gegarandeerd? Sarkozy maakte zich er niet geloofwaardiger op toen hij daags voor aanvang van het proces op televisie sprak over de ‘schuldigen’ (en niet de ‘verdachten’) die moeten worden berecht. Daarmee is het Clearstream-proces in zekere zin het culminatiepunt van de niets ontziende rivaliteit tussen Sarkozy en De Villepin.
Maar ook in andere opzichten spreekt het proces tot de verbeelding. Door de buitenissigheid van de stoet getuigen en beklaagden bijvoorbeeld. Of anders wel door het inkijkje dat het biedt in de spelonken van de Franse staat en het militair-industriële complex. Daardoorheen schemert een drama van shakespeariaanse allure: haat, wraak, manipulaties en machtsstreven – slechts de femme fatale ontbreekt.

VOOR HET BEGIN van de affaire moeten we terug naar 2001. De Luxemburgse zakenbank Clearstream is onder vuur komen te liggen dankzij onderzoeksjournalist Denis Robert. Die doet onderzoek naar een van de grote en nooit opgeloste politiek-financiële schandalen waarop Frankrijk het patent lijkt te hebben: de affaire van de fregatten van Taiwan. Daarbij zou er in 1991, tijdens de verkoop van zes fregatten door de Franse wapenfabrikant Thomson (nu Thales), een half miljard euro aan steekpenningen aan de Taiwanese regering zijn betaald.
In zijn boek Révélation$ stelt Robert dat Clearstream het kloppend hart is van een grootscheepse witwasoperatie die verband houdt met dat half miljard. De zakenbank, in verlegenheid gebracht door deze aantijgingen, vraagt accountantskantoor Arthur Andersen de boeken door te lopen in een poging haar naam te zuiveren. Maar Florian Bourges, een 23-jarige stagiair, gedetacheerd bij Clearstream, stuit op wat hij aanmerkt als verdachte geldtransacties en waarschuwt zijn superieuren. Die doen Bourges’ bevindingen af als irrelevant en in een eindrapport pleit Andersen de bank een paar maanden later vrij.
Maar Bourges laat het er niet bij zitten. Hij heeft kopieën gemaakt van de door hem als ‘verdacht’ aangemerkte transacties alsook van zo’n dertigduizend rekeningnummers, en stapt daarmee een jaar later naar Denis Robert. Die ontvangt de voormalige stagiair met open armen. Roberts onderzoek is vastgelopen, zijn collega’s stellen in toenemende mate vraagtekens bij zijn werk en bovendien wordt hij door advocaten van Clearstream met gigantische schadeclaims om de oren geslagen. Wat nu als de cd-rom die hij van Bourges heeft gekregen hem toegang biedt tot het complexe transactiesysteem van de bank? Maar daarvoor moet hij eerst de gecodeerde informatie zien te ontcijferen. Via een vriend komt hij in contact met de Libanese informaticus Imad Lahoud, die zegt dat hij in staat is licht te werpen op de door Bourges aangeleverde informatie. En zo worden de gegevens in september 2003 in een Parijse bistro overgeheveld op de usb-stick van Lahoud. ‘Ik had beter moeten weten’, zal Robert daar later over zeggen. ‘Maar Lahoud is sluw, intelligent en charmant. Het is onmogelijk je niet door hem beet te laten nemen.’
Lahoud heeft in de jaren negentig carrière gemaakt als zakenbankier in de Londense City. Hij is getrouwd met Anne-Gabrielle Heilbronner, gediplomeerd aan de Parijse eliteschool ENA en vooral: dochter van François Heilbronner, voormalig adviseur van president Chirac en tot 1994 bestuursvoorzitter van verzekeringsgigant GAN. Lahoud weet zijn gepensioneerde schoonvader in 1998 over te halen samen een hedgefonds te beginnen. Helaas. Als de internetzeepbel in 2000 uiteenspat is de veertig miljoen euro die Lahoud dankzij de reputatie van de oude Heilbronner heeft kunnen verzamelen in drie dagen verdampt. Fortis, een van de participanten, doet aangifte. Invallen volgen, een rechtszaak, en Lahoud moet drie maanden brommen in de Santé-gevangenis te Parijs. Van het niet geheel brandschone verleden van Lahoud is Robert overigens wel op de hoogte. Wat hij niet weet is dat Lahoud, op het moment dat hij hem de cd-rom met de gegevens van de Clearstream-bank geeft, al een paar maanden als ‘consultant’ werkzaam is voor EADS.
Een paar maanden nadat Lahoud in oktober 2002 de gevangenis verlaten heeft, klopt hij aan bij zijn broer Marwan, een van de rijzende sterren bij de vliegtuigfabrikant. De verhoudingen tussen de twee zijn niet al te best, maar Marwan strijkt over zijn hart en nodigt hem uit voor een lunch op zijn kantoor – het blijft zijn jongere broertje tenslotte. Tijdens de koffie schuift een van de grote bazen aan: Jean-Louis Gergorin, de nummer drie van het concern. Gergorin ziet wel brood in de jongeman en vraagt hem zijn cv te sturen. En zo krijgt Imad Lahoud in juni een aanstelling als informaticus binnen een van de onderzoekslaboratoria van EADS.
Het zijn roerige tijden voor het concern. Onverwacht is in maart oprichter en bestuursvoorzitter Jean-Luc Lagardère overleden aan de gevolgen van een zeldzame infectie. Gergorin, bijgenaamd ‘de Metternich van Lagardère’, meent dat de dood van zijn baas geen toeval is. Hij rekent uit dat de kans één op drie miljard is dat zijn baas in deze omstandigheden zou overlijden en verdenkt de Russische maffia ervan achter zijn dood te zitten, mogelijk in opdracht van Alain Gomez, voormalig bestuursvoorzitter van concurrent Thomson en in die hoedanigheid een van de erfvijanden van Lagardère.
In zijn omgeving maakt men zich al een tijdje zorgen om Gergorin. Voordat hij midden jaren tachtig naar EADS overstapte, was Gergorin directeur van het Centre d’Analyse et de Prévision (CAP), de beroemde denktank van het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken die de diplomatieke dienst geostrategische scenario’s aanlevert. Hij wordt geprezen om zijn analytische gaven en strategische inzichten, maar wordt tevens een neiging toegedicht overal complotten te zien. Vooral sinds een zenuwinzinking in 2001 begint die neiging verontrustende vormen aan te nemen. Zo laat hij zich op internationale congressen plotseling vergezellen van bodyguards en ontdoet hij zijn twee beveiligde Blackberry’s consequent van batterijen omdat hij ervan overtuigd is dat hij afgeluisterd wordt.

GERGORINS BANGE vermoedens worden bewaarheid wanneer zijn jonge protégé hem begin oktober 2003 apart neemt en de cd-rom laat zien die hij zojuist aan Robert ontfutseld heeft. Honderden namen van prominenten uit de wereld van politiek, hoge ambtenarij en bedrijfsleven rollen over het scherm. Namen die Gergorins speciale aandacht trekken zijn die van de eerder genoemde Gomez, maar ook die van Pierre Delmas, een collega-topman bij EADS, maar behorend tot een Gergorin vijandig gezind kamp in de strijd rond de opvolging van Lagardère. Wat nu?
Gergorin aarzelt niet en zoekt contact met generaal Philippe Rondot, een geheim agent bij de Franse inlichtingendienst die hij nog kent uit zijn tijd bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Rondot is een specialist van de Arabische wereld met een indrukwekkende staat van dienst. Zijn belangrijkste wapenfeit? De vangst van Ilich Ramírez Sánchez in Soedan. Sánchez, alias Carlos de Jakhals, was in de jaren zeventig hét gezicht van het internationale terrorisme. Nu zit Rondot vlak voor zijn pensioen en droomt van een laatste grote slag. Gergorin overhandigt Rondot de lijsten en stelt hem voor aan Lahoud. Die stelt niet teleur. Zeker niet wanneer hij begint uit te weiden over zijn contacten met Osama bin Laden. In Londen zou Lahoud naar eigen zeggen een rekening met vijftig miljoen euro van Bin Laden hebben beheerd en hij zou hem in Beiroet zelfs hebben ontmoet. Dát lijkt Rondot wat al te kras, maar desalniettemin is hij overtuigd van Lahouds vermogen om in te breken in een complex computersysteem.
Gergorin, ongeduldig geworden door de reserves van zijn vriend, heeft inmiddels op eigen initiatief contact opgenomen met het secretariaat van Dominique de Villepin, op dat moment minister van Buitenlandse Zaken. De twee leerden elkaar kennen op het moment dat De Villepin als jonge diplomaat op het CAP kwam werken en daar onder de hoede kwam van Gergorin. En zo stelt hij de minister eind november 2003 op de hoogte van een schimmig financieel netwerk dat het voortbestaan van zijn concern in gevaar dreigt te brengen.
Nadat De Villepin zich zeven jaar nuttig heeft gemaakt als secretaris-generaal van het Elysée voor Jacques Chirac is hij bezig aan een stormachtige carrière in de Franse politiek. Begin 2003 verrast hij de wereld met een gepassioneerde speech bij de Verenigde Naties waarin hij de Amerikaanse oorlogszucht laakt en pleit voor de voortzetting van wapeninspecties in Irak. In Frankrijk zelf maakt hem dat tot onbetwiste held. Maar als hij al droomt van een kandidatuur voor de presidentsverkiezingen van 2007, dan weet hij dat hij daar Nicolas Sarkozy op zijn weg zal vinden. Sarkozy, die geen gelegenheid laat liggen om de oude Chirac te provoceren, heeft van zijn presidentiële ambities immers nooit een geheim gemaakt.
Wanneer De Villepin op de door Gergorin aangeleverde lijsten óók de namen Stéphane Bocsa en Paul de Nagy aantreft, wekt dat logischerwijs zijn interesse. Sarkozy’s volledige naam luidt namelijk Nicolas Paul Stéphane Sarközy de Nagy-Bocsa. Op 9 januari 2004 ontbiedt De Villepin Gergorin en Rondot op het ministerie om de situatie door te spreken. De Villepin houdt vol dat er tijdens deze vergadering is gesproken over de mogelijkheid van een occult financieel netwerk en dat de naam ‘Sarkozy’ slechts is gevallen in diens hoedanigheid van minister van Binnenlandse Zaken.
Probleem is dat uit de later door de justitie in beslag genomen aantekeningen die Rondot tijdens deze ontmoeting maakte een heel ander beeld opdoemt. Hierin rept Rondot van ‘instructies’ van president Chirac en van een ‘fixatie op Sarkozy’ onder verwijzing naar het slepende conflict tussen Sarkozy en de president. ‘DDV komt terug op de reis van Sarkozy naar China’, tekent Rondot op. ‘Financiële belangen?’ Na afloop van de ontmoeting vraagt De Villepin aan Rondot zijn onderzoek naar de echtheid van de lijsten voort te zetten. Dat doet de solitair en uiterst discreet opererende Rondot en in april maakt hij de minister deelgenoot van diens grote twijfels omtrent de echtheid. Hij zegt dat uiterste voorzichtigheid geboden is en dat het risico bestaat dat De Villepin geïnstrumentaliseerd wordt. ‘Indien blijkt dat het om een vervalsing gaat, zetten we de zaak niet alleen stop, maar reageren we ook’, zo stelt De Villepin Rondot bij die gelegenheid gerust.
Rondot is dan ook zeer verbaasd wanneer hij korte tijd later Gergorin spreekt, die hem vertelt dat De Villepin hem ‘op instructie van de president’ gevraagd heeft om zich in contact te stellen met de onderzoeksrechter Renaud van Ruymbeke, een van Frankrijks grootste specialisten op het gebied van financiële schandalen. Van Ruymbeke toont zich onmiddellijk geïnteresseerd, zo zal Gergorin later in de rechtszaal zeggen. Maar getuigen, zoals Van Ruymbeke vraagt, wil Gergorin niet, bevreesd als hij is zijn naam in een juridisch dossier te zien opduiken. Een week na de ontmoeting ontvangt Van Ruymbeke een aantal anonieme brieven alsook kopieën van de beruchte lijst met namen, inclusief die van Sarkozy. De afzender, zo zal in 2006 blijken, is Gergorin.
De grote vraag is natuurlijk: handelde hij daarbij alleen, of op verzoek van De Villepin, op zijn beurt geïnstrueerd door president Chirac? Generaal Rondot begint zich ondertussen steeds ongemakkelijker te voelen over de zich maar uitbreidende affaire. In juni vertrouwt hij zijn (later eveneens in beslag genomen) dagboek toe: ‘Als blijkt dat deze corruptiezaak reëel is, dan zullen de politieke consequenties zowel voor links als voor rechts catastrofaal zijn. In het tegengestelde geval zal de president bij de zaak betrokken worden omdat hij, via Dominique de Villepin, een campagne heeft aangewakkerd met als doel politieke tegenstanders uit te schakelen.’
Op 19 juli 2004, daags nadat weekblad Le Point voor het eerst melding maakt van het bestaan van mysterieuze lijsten, heeft Rondot opnieuw een ontmoeting met De Villepin. Die blijft, ondanks de opnieuw geuite twijfels van Rondot, van mening dat er ‘een kern van waarheid’ in moet zitten. ‘Als de president en ik in het dossier opduiken, zijn we er geweest’, noteert Rondot verder uit de mond van de minister.
In oktober 2004 bevestigt de Direction de la Surveillance du Territoire, de Franse tegenhanger van de AIVD, definitief de vermoedens van Rondot dat er van een vervalsing sprake is. De grootste ironie van de hele affaire is misschien nog wel dat Rondot, boegbeeld van La Grande Muette, (de Grote Zwijger, zoals de Franse inlichtingendienst wel wordt genoemd), zich in notitieboekjes zo uitvoerig rekenschap gaf van zijn handel en wandel. Daarmee zorgde hij ongewild dat hij de gevaarlijkste getuige à charge werd van een minister die hij juist uit alle macht tegen zichzelf probeerde te beschermen.

IN DE RECHTSZAAL wijzen de gedaagden ondertussen vooral naar elkaar. Imad Lahoud houdt vol dat hij de helft van de mensen die op de lijsten werden genoemd niet eens kende en dat hij slechts een go between was tussen Robert en Gergorin; Gergorin stelt dat hij al die tijd te goeder trouw is geweest en slachtoffer is van de manipulaties van Lahoud. De Villepin op zijn beurt ontkent glashard dat hij Gergorin opdracht heeft gegeven met de lijsten naar onderzoeksrechter Van Ruymbeke te stappen en stelt dat hij nimmer weet heeft gehad van de anonieme zendingen. De notities van Rondot doet hij af als ‘interpretaties’. ‘Ik was me er steeds van bewust dat hij aantekeningen maakte tijdens onze ontmoetingen en heb hem dat nooit verboden.’ Dan retorisch: ‘Zou ik Rondot hebben ontboden om de notulist te zijn van een vergadering van samenzweerders?’
‘Pontius Pilatus mag niet ongestraft blijven’, stelt aanklager Jean-Claude Marin echter onverkort. Volgens Marin is De Villepin vooral schuldig door zijn zwijgen en het daarmee moedwillig laten voortwoekeren van de affaire op het moment dat hij via de pers kon weten dat Van Ruymbeke over de lijsten beschikte. ‘Terwijl hij de mogelijkheid had en de plicht de zaak tot een halt te roepen.’ Met andere woorden, hij verwijt De Villepin alles ondergeschikt gemaakt te hebben aan zijn bloeddorst – dezelfde bloeddorst die Sarkozy ertoe gedreven zou hebben het proces door te drukken.
Sarkozy zelf verklaarde die wens overigens uit de behoefte voor eens en altijd af te rekenen met de ‘duistere machinaties’ in de Franse politiek. De vraag is echter of die daar geen wezenstrek van vormen. Waarom is Jacques Chirac in deze zaak bijvoorbeeld nooit gehoord? In de coulissen van de rechtbank houdt een Franse journalist het op een ‘akkoord’ tussen Sarkozy en de oud-president. Hij vindt het verdacht dat Chirac het in deze zaak nooit publiekelijk heeft opgenomen voor zijn protégé De Villepin.
Onderzoekjournalist Denis Robert heeft in ieder geval aangekondigd andere horizonnen te gaan verkennen. ‘Ik heb me aan de werkelijkheid vertild’, zo vertelt hij de rechter met gebroken stem. ‘Het enige dat mij nog rest is het schrijven van romans.’