Shakespeare, altijd weer Shakespeare

Het lijkt wel Shakespeare-jaar. Terwijl het toch echt Beckett-jaar is (honderd jaar geleden geboren), en Ibsen-jaar (honderd jaar geleden gestorven) en Brecht-jaar (vijftigste sterfdag).

Shakespeare is 390 jaar geleden gestorven, dat is een sukkelig getal, zoiets gedenk je niet. Maar aan de boekenproductie over de Zwaan van Avon is dat niet te merken. Na drie recente dikke Shakespeare-biografieën in de afgelopen jaren (Duncan-Jones, Wells, Greenblatt) blijft de stroom aanzwellen tot een stapel. Een niet onaanzienlijk deel gaat over de (onzinnige) vraag of Shakespeare wel Shakespeare schreef?

Deze prangende vraag heet in naslagwerken «authorship controversy». Een van de aanstichters is Thomas J. Looney, die in 1920 een boekje schreef dat Shakespeare Identified heet. Waarin wordt beweerd dat Edward de Vere, de zeventiende graaf van Oxford (1550-1604) al het werk schreef, onder het pseudoniem William Shakes-Peare. De aanstichter van dit debat, ere wie ere toekomt, heet Delia Bacon, een Amerikaanse literatuurvorser, die in 1856 de kwestie aanhangig maakte. Ze heeft zelfs een poging ondernomen Shakespeares beenderen te laten opgraven. Terwijl de dichtregels boven zijn graf zulks toch duidelijk afraden: «Good Frend for Iesus sake forbare/ to dig the dust enclosed heare». Mrs. Delia Bacon stierf kort daarop in een gekkenhuis. Het duivelse zaad van de twijfel was gezaaid.

De kwestie verdeelt literair Engeland tot op de dag van vandaag in een Hoekse en Kabeljauwse twist tussen de «Stratfordians» en de «Oxfordians». Vanuit de vraag: waarom weten we zo weinig over die William Shakespeare? Waarom hebben we geen brieven? Geen dagboeken? Dat is inderdaad jammer. Maar waar moest de man de tijd vandaan halen om ook nog brieven en dagboeken te schrijven? William Shakespeare (1564-1616) schreef tussen 1591 en 1611 ongeveer 38 toneelstukken, 154 sonnetten en een aantal grote epische gedichten. Verder acteerde hij (waarschijnlijk zijn hele loopbaan, maar niet in grote rollen) en hield hij supervisie op het in druk verschijnen van achttien van zijn stukken (het «volledige» werk verscheen zeven jaar na zijn dood). Hij was bovendien grootaandeelhouder van zijn theaters, en hij had een gezin in Stratford. Een kwart eeuw na zijn dood kwamen de republikeinse puriteinen aan de macht en werd theater als openbare kunstvorm voor bijna twintig jaar verboden. Toen er weer mocht worden gespeeld zag men zijn stukken nog maar mondjesmaat.

Shakespeare was een «vreemde» geworden. In 1666 werd Londen geteisterd door een enorme brand en daarbij is waarschijnlijk het leeuwendeel van de secundaire bronnen (if any) verloren gegaan. Toen Shakespeare in de achttiende eeuw op een voetstuk werd geplaatst, zat de Engelse literatuur met een mysterie: who the hell was William Shakespeare?

In het debat over dit mysterie heeft zich nu voorwaar een Nederlander gemeld, P.N. Helsloot, auteur van Edward de Vere: Onvermijdelijk Shakespeare. Hij opent met het bekende lijstje over het «mysterie»: niemand heeft hem ooit ontmoet of gesproken, zijn adressen in Londen zijn onbekend, over zijn optreden als toneelspeler is niets te achterhalen, er is geen snipper van een manuscript teruggevonden, er bestaat geen brief en ook geen portret dat tijdens zijn leven is gemaakt, zijn dood als beroemd schrijver bleef onopgemerkt. Tegen ieder punt van deze lijst is een berg contra-expertise in te brengen. Helsloot is dat in zijn nogal taai geschreven boek duidelijk niet van plan. Hij schakelt snel naar zijn theorie dat de auteur wel een man van adel moet zijn geweest, en komt rap met Edward de Vere op de proppen. Hij bakt uit een soort drogreden een omgekeerde bewijslast. Stel, de schrijver was van adel – een spontane aanname van Helsloot – dan moest hij wel een pseudoniem kiezen, want in kringen van het hof was participeren in zoiets vulgairs als toneel not done. Bovendien was rond de Majesteit (Elizabeth I) een generatie erudiete hofdichters opgestaan, die «voortreffelijk konden schrijven». Dat zal wel, maar waar zijn die mooischrijvers dan gebleven? Bovendien was Elizabeth I (net als haar vader Hendrik VIII en haar grootvader Hendrik VII) dol op toneel. Reken maar dat het haar niet vulgair genoeg kon zijn. In haar baan viel er sowieso erg weinig te lachen.

Met de «Oxfordians», die de theorie aanhangen dat Edward de Vere het werk van Shakespeare heeft geschreven, is iets anders aan de hand. De samenstellers van het encyclopedische meesterwerk The Oxford Companion to Shakespeare (2001) doen de «authorship controversy» met een stiff upper lip af als «a matter of class». Shakespeare werd gezien als een hansworst uit Warwickshire. Hij had – in tegenstelling tot de meeste van zijn collega schrijvers – geen universitaire studie doorlopen, alleen de Latin school in Stratford. Het was – aldus de Oxfordians – ondenkbaar dat deze amateur van het platteland dit erudiete toneelwerk en deze geniale dichtkunst ooit had kunnen schrijven. Meteen bij het verschijnen van Shakespeares eerste stukken circuleerde er in Londen een pamflet waarin hem dat voor de voeten werd geworpen. Robert Greene, een derderangs broodschrijver, noemt William Shakespeare «an upstart crow» (omhooggevallen kraai), die ijdel genoeg is om te denken dat hij in blanke verzen kan uitbarsten, terwijl hij eigenlijk «a Johannes Factotum» is, een manusje-van-alles dus. Ben je net anderhalf jaar in Londen, 28 lentes jong, er worden een paar stukken van je gespeeld (beroerd jeugdwerk ook nog), krijg je dit al voor je kiezen! Shakespeare moet toen hebben gedacht: ik zal jullie laten zien waar een pummel uit Stratford-upon-Avon allemaal toe in staat is. Nee, bewijzen in de vorm van brieven of dagboeken hebben we voor die bewering inderdaad niet, hoogstens enkele aanwijzingen in de sonnetten. Van de pamflettist Robert Greene is nadien weinig meer vernomen. Hij stierf nog hetzelfde jaar aan een overdosis drank en zoute haring. En Shakespeares geniale collega, concurrent én leeftijdgenoot Christopher Marlowe was zo dom om als dubbelspion in dienst van Elizabeth’ geheime dienst én in die van haar aartsvijand Philips II van Spanje te treden. Marlowe werd nog voor zijn dertigste vermoord. Shakespeare had het rijk alleen.

Helsloot levert, net als zijn (beduidend beter schrijvende) Engelse collega Mark Anderson, auteur van het recente Shakespeare by Another Name over hetzelfde onderwerp, een herziene chronologie van de toneelwerken die aan William Shakespeare worden toegeschreven. De beide heren hadden namelijk een probleempje: Edward de Vere overleed in 1604, twaalf jaar voor zijn nom de plume, William Shakes-Peare. De oplossing van Helsloot en Anderson is deze: ze schuiven alle uit archieven opgedoken feiten terzijde, en laten de loopbaan van Edward de Vere, alias William Shakes-Peare, twintig jaar eerder beginnen.

Er heeft zich overigens recent, ook al met een lijvig boekwerk, een nieuwe kandidaat-ghostwriter aangediend, Sir Henry Neville. The Truth Will Out van James en Rubinstein is een sarcastisch boek met smakelijk aangedikte complotverhalen. De Neville-theorie zakt in de loop van dit boek echter als een kaartenhuis in elkaar. De bewijsvoering is dun als vroeg ijs in januari, en komt uiteindelijk neer op het eerdergenoemde klassenargument: Shakespeare kán deze literaire topsport niet hebben bedreven omdat hij niet had gestudeerd aan een van de Engelse universiteiten. Volgens The Guardian van 10 mei is er nu een Amerikaanse amateur-historicus opgestaan: Paul Streitz, die in een vuistdikke studie beweert dat Edward de Vere graaf van Oxford niet alleen de auteur is van de werken van Shakes-Peare maar ook een weggemoffeld kind van koningin Elizabeth I toen zij nog een veertienjarige prinses was. Het kind zou zijn verwekt door haar toeziend voogd Thomas Seymour. De baby werd ondergebracht bij John de Vere, vader van Edward. Paul Streitz in een persverklaring: «De auteur van Hamlet was zich volkomen bewust van zijn koninklijke afkomst. Hij verwees er juist naar in dat stuk: Hamlet is een prins die de troon, die hem rechtmatig toekomt, niet krijgt.» Op dit uitzonderlijke voorbeeld van close reading kunnen wij slechts antwoorden: Amen!

Intrigerender, beter geschreven en minder uit op de bewijsvoering van een casus en meer op de zo exact mogelijke beschrijving van een sleuteljaar in Shakespeares loopbaan is A Year in the Life of William Shakespeare: 1599 van de Amerikaanse hoogleraar Engels en Shakespeare-kenner James Shapiro. Hij kiest als uitgangspunt dat cruciale jaar, waarin Shakespeares gezelschap van het vochtige en tochtige Shoreditch, aan de rand van een moeras in Noord-Londen, verhuisde naar de uitgaanswijk South Bank, aan de andere kant van de rivier Thames. Voor de toneelspelers bij Lord Chamberlaine’s Men moet dit een cultuurshock geweest zijn. Van moerasgas naar hoerenbuurt, van Gaasperplas naar de Wallen. Plank voor plank werd Shakespeares The Theatre afgebroken, het eikenhout werd dwars door The City vervoerd, en op de zuidoever van de Thames verenigd met vers eikenhout. Er werd een volledig nieuw theater gebouwd, dat The Globe ging heten. Voor minder deden ze het niet. Het aantal plaatsen verdubbelde: bij optimale bezetting zaten (en stónden) er tussen de drieduizend en 3200 mensen in dit nieuwe «public theatre». Ruim twee keer Carré.

Er werd een systeem voor toegangsprijzen bedacht: aan de hoofdingang betaalde iedereen één penny, daarvoor verwierf je een staanplaats in de piste, the pit, tegenover en rondom het podium. Bij iedere deur naar de overdekte galerijen betaalde je bij, tot en met sixpence voor de echt goeie plaatsen en één shilling voor de Lord’s Room, de skyboxen van het Elizabethaanse theater. De meeste toeschouwers stonden dus, voor één penny. Een wever of een timmerman verdiende in die tijd 72 pence per week. Er bestond dus nauwelijks een financiële hindernis om een of twee keer per maand naar het theater te gaan. The Globe zat ook altijd vol. Iedereen – behalve zwervers en daklozen – kwam kijken. Reserveren kon niet. Op tijd komen hielp. Of doorlopen naar de drie andere theaters op de South Bank: The Rose, The Swann, The Curtain. Of naar de Beren-arena’s (één beer aan de ketting tegen twaalf hongerige wilde honden), de hallen met hanengevechten, de openbare executies, de enorme kroegen en bordelen. Vertier genoeg. Shakespeare schijnt ook privé naar de South Bank verhuisd te zijn in 1599: hij wilde er bovenop zitten.

De beslissing van James Shapiro om in A Year in the Life of William Shakespeare: 1599 in te zoomen op dat ene jaar is een geniale vondst. De Zwaan van Avon schrijft in dat jaar zijn meest politieke stuk (Julius Caesar), zijn meest duistere komedie (As You Like It) en zijn meest beroemde tragedie (Hamlet). Hij verliest zijn meest geliefde clown, Will Kempe, de eerste Spoel-de-Wever (Bottom) uit Midsummernight’s Dream en vooral de eerste Falstaff. Maar hij wint Robert Armin, a bitter fool, die zich tot Will Kempe verhoudt als Freek de Jonge tot Johnny Kraaykamp senior. Armin speelde waarschijnlijk de nar in King Lear, zeker Polonius én de doodgraver in Hamlet.

Shapiro’s boek is rijk, vijftien hoofdstukken verdeeld over de vier jaargetijden van 1599, ieder hoofdstuk bevat wel een onthulling of een mededeling die blijft hangen. Nog het meest waar je de minste verrassingen verwacht, bij Hamlet, het stuk der stukken waarover zo ongeveer alles wel gezegd lijkt. Niet voor James Shapiro. Het is alsof hij naar die slothoofdstukken van zijn boek toe schrijft. Shakespeare werkt in het najaar van 1599 aan Hamlet, met King Lear een van zijn langste stukken, en qua plot een van zijn minst originele. Het Londense toneelpubliek kende het fenomeen wraaktragedie. Er bestond een eerdere versie van Hamlet uit 1589, geschreven door Thomas Nashe op basis van een Deens verhaal uit 1514, getiteld Amleth. Daar was weer een variatie op geschreven door Thomas Kyd, The Spanish Tragedy (1592).

Als Shakespeare in oktober 1599 de eerste opzetten voor Hamlet op papier zet, weet hij dat hij iets anders wil dan het verhaal van een wraak die voortdurend door praktische omstandigheden en vindingrijke tegenstanders wordt uitgesteld (thrillerspanning). Hij wil schrijven over een wreker die over iedere vólgende zet op het schaakbord bij zichzelf te rade gaat. Hamlet is bij Shakespeare allereerst een denker, daarna pas een doener.

Shapiro legt uit waarom Shakespeare op die vondst kwam: hij had de Essays van de Franse denker Montaigne gelezen. De eerste delen van Montaignes Essays waren in Frankrijk verschenen in 1580, maar het is niet waarschijnlijk dat Shakespeare ze meteen heeft gelezen. Tegen het eind van de zestiende eeuw werden ze in het Engels vertaald, door de schrijver John Florio, die tevens particulier secretaris was van de Hertog van Southampton, een goede vriend van Shakespeare, aan wie hij een belangrijk deel van zijn sonnetten heeft opgedragen, en bij wie hij soms de rust vond om te schrijven als Londen weer eens door een pestepidemie was getroffen. Shakespeare heeft, schrijft Shapiro, kennisgemaakt met de zelfreflecties van Montaigne ver voor die essays in druk verschenen: Florio liet Shakespeare zijn manuscript lezen. Dat Montaignes overdenkingen diepe indruk op Shakespeare hebben gemaakt, schrijft Shapiro, is even onbewijsbaar als onweerlegbaar. In Hamlet vindt Shakespeare de toneelvariant uit van Montaignes zelfoverdenkingen. Monologen kende het Elizabethaanse toneel al. Nu werd de soliloquie (alleenspraak) een gesproken mini-essay op het toneel. Als toetje legt Shapiro in zijn laatste hoofdstuk (Second Thoughts) nog even uit waarom Shakespeare aan zijn Hamlet is blijven sleutelen, om het stuk korter maar vooral beter en effectiever te maken. Erg benieuwd of uitgeverij Meulenhoff zijn boek in productie wil nemen.

Meulenhoff is de uitgever van een mooi nieuw boek over Shakespeare, geschreven door Peter Ackroyd, Shakespeare: De biografie, vertaald door het duo Erik Bindervoet & Robbert-Jan Henkes, die vijf jaar geleden al tekenden voor een stevige en volledige vertaling van Hamlet. Peter Ackroyd schrijft alsof hij zojuist van een lange reis door het Elizabethaanse Engeland is teruggekeerd, waar hij een aantal intrigerende ontmoetingen met zowel William Shakespeare als met een flink aantal van zijn medewerkers heeft gehad. Hij introduceert zichzelf niet als wetenschapper maar als bewonderaar. Hij benadert de schrijver niet als object maar als subject. Tijdens die zoektocht is Ackroyd verliefd geworden. Toch behoudt hij distantie. Hij observeert precies, hij citeert raak. In die citaten schijnt – althans volgens een aantal besprekers van dit bonte boek – een probleem te schuilen. De vertalers hebben ervoor gekozen de Shakespeare-citaten en de citaten uit secundaire bronnen om te zetten in een soort nep-zestiende-en-zeventiende-eeuws Nederlands. Een voorbeeld. Ackroyd signaleert op pagina 137 het wantrouwen van de conservatieve, puriteinse kleinburgerij over de populariteit van het theater als volkskunst. Hij citeert een predikant in St. Paul’s Cathedral in 1576 (Shakespeare is dan twaalf en nog ruim veertien jaar van Londen verwijderd). De predikant: «Sal een vuyl spel met een claroen-stoot stracx niet duyzenden hierhenen locken, zo menighvuldigh als zy maer kunnen tesaemendrommen?» Zo’n tekst moet je hardop lezen. Dat maakt het genot van dit boek dubbel zo groot. De lezer wordt eerst op afstand gezet (hè, wat is dit een raar taaltje) en schiet daarna regelmatig in de lach.

Hoofdstuk 38 («Wy weynigen, geluckigen, wij broederbent») opent met een beschrijving van Shakespeares eerste, volgroeide toneelspelerstroep: «Deze buitengewone groep spelers, bekend als Lord Chamberlaine’s Men, werden Shakespeares goede kameraden voor de rest van zijn leven. Hij schreef voor hen alleen en speelde met hen alleen. Het waren zijn collega’s, maar te oordelen naar wilsbeschikkingen en andere documenten, ook zijn beste vrienden. Het werd het langst bestaande gezelschap uit de geschiedenis van het Engelse toneel: van 1594 tot 1642 (toen toneel door Cromwell verboden werd – lz). Over een periode van bijna vijftig jaar behielden ze een herkenbare identiteit en speelden ze de grootste stukken in de geschiedenis van het wereldtoneel.»

Het is brutale speculatie van Ackroyd en waarschijnlijk ook hartstikke waar. Shakespeares toneelspelers waren met weinigen, ze vormden een bende van vakbroeders, een merkwaardige, door buitenstaanders met scheve ogen bekeken kunstenaarsbroedplaats in de Elizabethaanse en Jacobijnse politiestaat. Een gaaf voorbeeld van die kameraadschappelijkheid is het simpele feit dat het volledige werk van Shakespeare nog bestáát. Na de dood van de schrijver (1616) zijn twee acteurs uit Lord Chamberlaine’s Men, John Heminges en Henry Condell, aan het werk gegaan om een complete editie van al het werk samen te stellen, inclusief sonnetten en epische gedichten. Commercieel geïnteresseerde boekdrukkers hadden zich al aangediend, de eerste rechten berustten echter bij het gezelschap. Heminges & Condell beschikten niet alleen over alle toneelstukken (op twee na, die zijn pas tegen het eind van de twintigste eeuw ontdekt) maar ook over alle manuscripten, gekopieerde manuscripten, de exemplaren van de bookkeeper (de souffleur, inclusief diens aantekeningen), de achttien stukken die tijdens Shakespeares leven in druk waren verschenen (in de Quarto’s: pocketboekuitgaven), de herziene drukken van die Quarto’s et cetera. Ze hebben over de puzzel zeven jaar gedaan. Toen pas verscheen de First Folio-editie van het volledige werk van Shakespeare. Onlangs is nog een exemplaar geveild: opbrengst 4,1 miljoen euro.

Ackroyd vertelt zijn verhaal in 91 korte hoofdstukken, verdeeld in negen blokken, die zijn aangeduid met plaatsnamen of namen van toneelgezelschappen. «Onder historici» is dit vloeken in de kerk, maar als Ackroyd durft te speculeren is hij op zijn best. Bijvoorbeeld wanneer hij nadenkt over de wijze van toneelspelen in Shakespeares dagen. Daar weten we uitzonderlijk weinig over. Ackroyd heeft zich een slag in de rondte gezocht naar bronnen. En zich niet gestoord aan de wetenschappelijke regel onder historici dat iets pas klopt als er minimaal twee bronnen onafhankelijk van elkaar dezelfde bewering doen. In het beschrijven van de stijl van toneelspelen stelt Ackroyd vast dat ook daarin het jaar 1599 een keerpunt is geweest. Vóór 1599 moet William Shakespeare zuchtend en kreunend hebben vastgesteld dat een ruime meerderheid van de toneelspelers de voorkeur gaf aan een bombastische, declamatorische en retorische speelstijl. Ackroyd schrijft: «Shakespeare maakt dikwijls toespelingen op wat duidelijk werd beschouwd als een ouderwetse manier van acteren – als acteurs door de lucht zaagden met hun armen, stampten op het podium, hun toespraken onderbraken met zuchten en met hun ogen rolden om angst aan te duiden. De oude manier om over het podium te lopen was heen en weer schrijden. Het woord ham, gebruikt als omschrijving van derderangs acteren, is afgeleid van de zichtbaarheid van de hamstring, ofwel de achillespees. Schrijden ging zichtbaar gepaard met razen en tieren. Thomas Nashe (als auteur een voorganger van Shakespeare – lz) omschreef het als ‹bruut brallerig brullen, met clickclack rommelronckent bonsen›.» Shakespeares sterspeler Richard Burbage (niet alleen de eerste Romeo in 1595 maar ook de eerste Hamlet in 1601/1602) had een andere stijl van spelen. Ackroyd: «Ooggetuigenverslagen van het optreden van Burbage benadrukken zijn ongekunstelde en vloeiende manier van spelen. Zijn methode werd omschreven als impersonatie en werd beschouwd als de manier om een individu levensecht of met levendige handeling neer te zetten. Het was een manier om hartstochten na te bootsen zonder te vervallen in wat pantomimische handeling werd genoemd. (…) Er werd verteld dat Burbage alle qualiteyten van ’n voortreffelyck redenaer bezat – zyn woorden bezielend met ’t spreecken, en zijn toespraeck met levendigheyt. Burbage wist bijvoorbeeld hoe hij de hoogte of de toon van zijn stem moest veranderen; hij was erin getraind om lettergrepen te verkorten of te verlengen om het accent van de emotie te benadrukken. Hij sprak waarschijnlijk ritmisch of muzikaal.»

Ackroyd schrijft erover of hij erbij is geweest. Dat is de charme en de grote kracht van dit heerlijke boek. l