Shakespeare gaat hiphop

Cultuur op school, meer diversiteit in de kunsten, de jacht op jong en allochtoon (publiek. Hoe nieuw zijn de inzichten van cultuursecretaris Rick van der Ploeg? Drinken we oude wijn uit versleten zakken?

QUOTERING IN DE kunsten, de wet van de percentageregelingen. Het cultuurbedrijf lijkt af en toe net een visafslag. Vijftien procent eigen inkomsten; zeven procent nieuwe, moderne, Nederlandse muziek; drie procent verplichte inspanningen om een jong en cultureel divers publiek in de zaal te krijgen. ‘Sinds dat gedoe over die drie procent is er geen discussie meer geweest’, concludeerde de bij Het Nationale Toneel onttroonde artistiek leider Ger Thijs onlangs. 'Iedereen gaat met jeugd en allochtonen in de slag, daar kun je vergif op innemen, iedereen weet dat dat scoort.’ Mirjam Koen, artistiek leidster van het Onafhankelijk Toneel in Rotterdam, ziet haar reeds bestaande plannen om Shakespeares Othello met Marokkanen te doen in een bizar licht geplaatst: 'Met deze nieuwe staatssecretaris lijken dat soort plannen een beetje vunzig, alsof we dat doen om geld te krijgen. Maar we zijn al jaren met allochtonen en jongeren bezig. Hij weet kennelijk niets van ons. Wat hij doet is gevaarlijk, op deze manier zet hij groepen tegen elkaar op.’ Reactie van Rick van der Ploeg: 'Ik heb geen zin in jij-bakken van dat-doen-we-al.’
Discussie gesloten? Klaarblijkelijk wel. Ger Thijs: 'Dat dirigistische van Van der Ploeg is een bron van angst geworden voor de kunstensector. Je bent voortdurend bezig uit te leggen wat je doet en dat je je centen hebt verdiend.’ Angst is een slechte leermeester, leidt tot paniekvoetbal en gesloten defensielinies. De discussie over kunstbeleid, die de staatssecretaris en zijn ambtenaren meenden open te breken, lijkt door hun rabiate nota-bombardement in feite volledig dichtgesmeerd. De reactie van de kunstwereld beweegt zich langs twee lijnen - ofwel een sterk overtrokken, ultiem vijandige houding, waar niemand iets mee opschiet omdat iedereen zich in bestaande loopgraven terugtrekt, ofwel een schouderophalende berusting: cultuureducatie, cultuurspreiding, cultuurparticipatie, alles schon dagewesen, het gaat wel weer over, als een griepje of een najaarsstorm. En het is maar zeer de vraag of de staatssecretaris zich daarbij zal neerleggen. Van der Ploeg is een bijter, en van politieke weerstand heeft hij nauwelijks last - of die zou van het omnipotente D66-kamerlid Boris Dittrich moeten komen, die onlangs een motie aankondigde over 'de artistieke autonomie van de kunstenaar’ die door Haagse regelzucht in het gedrang zou komen.
EEN SPEERPUNT waarmee Van der Ploeg de gevestigde lobby van kunstenaars poogt door te prikken is die van de 'culturele diversiteit’, een actief en wervend voorrangsbeleid voor 'producenten, regisseurs, acteurs en andere kunstenaars die kunnen bijdragen aan de diversiteit van het aanbod, maar vooralsnog nauwelijks aansluiting vinden bij de huidige subsidiesystematiek’, aldus de staatssecretaris in de nota Cultuur als confrontatie. Hij streeft daarbij naar 'meer ruimte voor de eigen cultuur van de verschillende bevolkingsgroepen zonder dat die eigen cultuur als een statisch gegeven wordt opgevat’. Voorts dient er een aantal zaken te worden bevorderd dan wel vergroot: 'de ontmoeting tussen de verschillende culturen’ en 'de toegankelijkheid van verschillende bevolkingsgroepen tot culturele instellingen.’ Van der Ploeg kent zijn grenzen: 'Het actieprogramma slaagt niet als slechts sprake zou zijn van positieve discriminatie. De bedoeling is dat de creativiteit en het talent van de culturele minderheden de cultuur van Nederland inspireren en verrijken en vice versa. Immers, cultuurbeleid is geen substituut voor welzijns- en sociaalcultureel werk.’
Wat in voornoemde nota volgt is een inwisselbare opsomming van maatregelen, kenmerkend voor het gratuite proza dat nu eenmaal bij nota’s hoort. Op het gevaar af dat de staatssecretaris meteen klaarstaat met het verwijt van de jij-bak: deze teksten staan wel erg bol van verzuurde wijn in versleten zakken. De discussie over de deelname van niet-westerse culturen binnen het door de 'witman’ gedomineerde kunstbedrijf loopt al een jaartje of twintig. Daar kan deze staatssecretaris natuurlijk niks aan doen. Waarom hij dat debat uit het recente verleden (en de consequenties die dat heeft gehad voor de kunstpraktijk) negeert, is niet te begrijpen. Het maakt van hem een gemakkelijke schietschijf.
Een voorbeeld. Voor zijn neus weg schrijft Van der Ploeg dat die andere, niet-westerse culturen niet als een 'statisch gegeven’ mogen worden gezien, en dat 'positieve discriminatie’ alléén dus niet helpt. Dat waren nu precies twee hot items in het twee decennia durende debat over 'culturele diversiteit’. Er zijn nogal wat kunstproducenten onder de culturele minderheden die hebben betoogd dat een eventuele assimilatie en integratie van de niet-westerse culturen slechts kans van slagen heeft wanneer die culturen vertrekken van hun eigen, autonome kracht (lees: eigen gezelschappen), zodat ze van daaruit hun lange mars door de witmans-instituten kunnen beginnen. Dat is bijvoorbeeld zeer lang de opvatting geweest van Rufus Collins, die aan de wieg stond van het interculturele Stagedoor Festival en van de allochtone theaterformatie De Nieuw Amsterdam. Ook de in het actuele debat over culturele diversiteit alomtegenwoordige John Leerdam, artistiek leider van Cosmic en leerling van Collins, huldigt deze opvatting.
De tragiek is echter dat de diverse overheden slechts zeer mondjesmaat hebben bijgedragen aan de structurele ondersteuning van Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse en Turkse gezelschappen. En áls ze er al kwamen, dan stonden de (door blanken gedomineerde) adviescolleges bij de minste of geringste mislukking klaar om de geldstroom weer stop te zetten. Is die ontwikkeling (bijvoorbeeld binnen het ministerie van OC) geëvalueerd?
En zo ja, welke conclusies zijn er dan getrokken? Als op die vragen geen afdoende antwoord kan worden gegeven - en ik tref ze nergens aan - dan zijn de voorzetten van de staatssecretaris inderdaad te zien als schoten voor de boeg. Dat klemt des te meer omdat Van der Ploeg (en zijn ambtelijke staf) er geen blijk van geven op de hoogte te zijn van wat er in de voorbije twintig jaar in de praktijk is opgebouwd. Beperken we ons tot de podiumkunsten. Wat vindt men ten departemente eigenlijk van de verrichtingen van multiculturele groepen als De Nieuw Amsterdam, Cosmic, Delta, Made in da Shade, van individuele kunstenaars als de Surinaamse verhalenverteller en regisseur Wijnand Stomp, en van de veelkleurige theateropleiding It’s DNA? Bestaat er bij OCW een opvatting over de pogingen van ande gezelschappen om vertegenwoordigers van andere culturen niet alleen in hun gelederen op te nemen, maar ook vrij baan te maken om de invloeden die ze meebrengen door te laten klinken in de voorstellingen? Er is binnen groepen als het eerder genoemde Onafhankelijk Toneel, de jeugdtheatergroep Teneeter, Toneelgroep Amsterdam, Theater van het Oosten (onder het kortdurende artistiek-leiderschap van Agaath Witteman) een schat aan ervaring opgedaan in de omgang met allochtone kunstvormen. Kent men op het department de experimenten van bijvoorbeeld Liesbeth Coltof (het Bijlmerproject Thuis), of de proeven van community theatre van Artisjok Nul Twintig? Als al die ervaringen en inzichten door de beleidsmakers stomweg worden genegeerd - en daar lijkt het op - dan moet men er in Den Haag niet verbaasd over zijn dat de kunstproducenten in hun plannen voor 2001 tot 2004 (die nu worden geschreven) met een natte vinger de allochtone medemens naar binnen fietsen, respectievelijk erover klagen dat ze straks bij de ingang van hun zalen bruine en zwarte neuzen moeten turven om aan het dirigisme van de staatssecretaris te voldoen. En dan heb ik het nog niet over het levensgrote gevaar dat een vrijblijvend beleid ten aanzien van culturele minderheden kan leiden tot gratuite vormen van zogeheten 'allochtonen-kunst’. Daarvan een voorbeeld.
DE FOLDER BELOOFT het volgende: een moderne versie van Shakespeares King Lear, zich afspelend rond een hiphop-platenlabel. 'Commercie, drugs, geweld, dakloos-zijn en het verkopen van je ziel zijn de brandende thema’s van deze voorstelling met een explosief einde. Uiteindelijk draait het allemaal om de liefde. Een Hip Hop productie vol rap, R en B en breakdance en een dj live on stage!’ De voorstelling heet Rapido, een niet-bestaand woord dat men associeert met 'snel’. In de goed gevulde zaal van de Utrechtse stadsschouwburg zitten zo'n zeshonderd jongeren en een plukje volwassenen op de slotavond van het jongerentheaterfestival De Opkomst. Op het toneel staat links de installatie van een dj ('Scratch-kampioen dj Kypski’). Verder wordt het toneel beheerst door een stalen steigerconstructie met enorme trappen, die in de loop van de voorstelling voortdurend uit elkaar wordt gehaald, teneinde de snelle locatiewisselingen van het verhaal te suggereren.
Rapido volgt in grote lijnen de plot van King Lear. Een oude potentaat verdeelt zijn koninkrijk, dat daarna door vetes en twisten uit elkaar valt. Het rijk is hier de platenfirma Rapido, gerund door de cokesnuivende zakenman King Ra, een platenbons in wit kostuum, met dreadlocks en rolschaatsen. Hij doet zijn imperium over aan zijn op geld en macht beluste dochters Mrs. X en Princess, die hem in de openingssène met genoegen vleien teneinde de zaak in handen te krijgen en naar hun hand te zetten. King Ra wil op zijn oude dag verzorgd worden ('Vrucht van mijn vrouw/ Troost in mijn rouw/ Zeg me hoeveel je van me houdt’). Maar daar hebben zijn twee oudste dochters geen oren naar. Tussen hen en hun beider echtgenoten ontwikkelt zich een felle strijd over de toekomst van het platenbedrijf. In de bewerking is deze dochter- en schoonzonenstrijd geraffineerd omgezet naar een gevecht over de muzikale toekomst van het label Rapido: wordt het gangsta-rap of moet gekozen worden voor geliktere genres als R & B en hiphop? De oude King Ra wordt in dit gevecht vermalen en raakt aan lager wal. Zijn lievelingsdochter, de breakdanseres Baby(Y, is hij dan al kwijt. Zij weigerde zich over te geven aan hielenlikkerij ('Ik heb lief en zwijg’), ging er bovendien met de concurrentie vandoor, en wordt door King Ra onterfd. Als zij haar in de goot getrapte vader wil helpen is het eigenlijk al te laat en begint het Grote Sterven.
IK MOET EERLIJK bekennen dat ik naar Rapido heb zitten kijken als een kip naar de bliksem, daarbij geholpen door de strakke waterscheiding in de zaal. Het eerste 'vak’ was een deinende, kolkende en joelende massa, in 'vak twee’ hielden enkele tientallen volwassenen zich schuil als een kudde makke en lamgeslagen schapen, turend naar het aanhoudende onweer voor hen. De goeddeels onverstaanbare teksten waren consequent in een soort kinderlijk sinterklaasrijm gezet. Rap moet immers rijmen en Shakespeare werkte, aldus de uitvoerenden, 'als eerste met rhyme’. Wat mij een vrij ernstig misverstand lijkt: de blanke verzen van de Engelse bard rijmen namelijk vooral niet. Maar what the hell, dit is een eigentijdse versie en Shakespeare was klaarblijkelijk hoognodig aan een actuele beat toe. Dat zal allemaal best zo zijn, maar het verhaal raakte er wel spoorloos door, verdwaald in het lawaai, in het tomeloos bewegen en de schelle discolichten. Ik heb me kleurenblind en een barstende koppijn gezocht naar de lijnen in de plot over de titanenstrijd binnen de muziekbranche. Het volk in vak één kon dat allemaal niks schelen. Sterker nog, wanneer de performers zich iets te strak in het story board hesen, verslapte de aandacht onmiddellijk. Maar dan was er meteen weer scratcher Kypski die wat vette ritmes op het canvas smeerde en de performers aanzette tot pak ’m beet een pirouette op een bierblikje, en hup: vak één ging weer collectief uit het dak.
Iedere overmoedige bewerking van King Lear sleept zich meestal heel aardig door de eerste drie bedrijven heen, drama en suspense te over. Maar menig geactualiseerde versie van het stuk valt in de slotbedrijven, wanneer alle kaartenhuizen in elkaar donderen, door de mand. Zo ook hier. De noodlottige val van King Ra en de weinige vrienden die hij nog over heeft verwordt in Rapido tot een larmoyante, smoezelige vertoning. Het Grote Sterven in het deel na de pauze is hier de voorspelbare kruising tussen een tearyerker en een foute B-film. De in de coulissen afgevoerde scratcher-dj helpt ook hier niet meer. De Grande Finale oogt als een hulpeloze poging het publiek tot een gescandeerd applaus te verleiden: 'Put your hands up in the air’, schreeuwde Brother Mother; het wilde er bij de moegedreunde Utrechtse jongeren niet meer in.
In die lome dreun zit vrees ik ook de reeks misverstanden waarop de voorstelling Rapido is gebaseerd. Een verlengde disco levert nog geen theater op. Een boel lawaai maken is niet hetzelfde als een verhaal vertellen. De gepassioneerde hartslag van zwarte muziek is iets anders dan een stapeldoos van vooral veel van hetzelfde. De woede onder de rhymes van Shakespeare laat zich niet vangen in een omgekieperde rugzak poëziealbums. En onze smeltkroes van culturen is veel rijker aan contrasten dan de decibellen van Rapido doen vermoeden.
In het gebral verdween ook de bizarre slottekst van Shakespeares King Lear: 'Laat ons het trieste zwijgen niet verbreken/ Niet onze mond alleen ons hart mag spreken/ De ouderen werd zwaarder lot gegeven/ Wij jongeren zullen nooit zoveel beleven.’