Shakespeare, wreed en waar (3)

Laatste voorstellingen in Groningen: 23 en 24 mei.
Zoals in veel kunst is de dood een geliefd onderwerp in het toneel. Er is echter niets moeilijkers dan de verbeelding van het sterven op een podium. Dat is een belangrijke hindernis die moet worden genomen in het ensceneren en spelen van Titus Andronicus (Shakespeare, 1593). Immers, behoudens de doden die in dit stuk buiten beeld vallen, wordt er binnen dit kille stuk voor onze ogen zo'n veertien keer een gewelddadige dood gestorven.

Zelfs voor een publiek dat via de moderne communicatiemiddelen gewend is aan ‘sterven voor de tribune’ is dat wat veel van het kwade. De kwadratuur van het geweld is echter wel de belangrijkste scharnier van het drama in Titus Andronicus. Het moet dus, ook al kan het eigenlijk niet.
In de regie van Johan Doesburg (Het Nationale Toneel) hebben decorontwerper André Joosten, componist Maurice Horsthuis en lichtontwerper Reinier Tweebeeke een huiveringwekkend effect voor de dood bedacht. Bij iedere moord worden boven in het toneelhuis roosters opengetrokken, er schijnt fel licht van twee kanten en we horen een geluid dat lijkt op het oneindig versterkt krassen van nagels op een schoolbord.
Ook als Titus’ broer Marcus in de tweede scène van het derde bedrijf een vlieg doodslaat (een feit waarover Titus Andronicus zich mateloos opwindt), krijgen we dit signaal van de dood. Pas als Titus zijn tot sprakeloosheid gemartelde dochter Lavinia uit haar lijden helpt, openen de roosters zich en zien we het felle licht zònder enig geluid. Het is een moment van piëteit: ook de dood is nu zijn stem kwijt.
Regie en vormgeving schuwen de grote effecten niet. Als Tamora in de morbide slotscène (Shakespeare 'leende’ zijn materiaal hier uit Seneca’s Thyestes) bij Titus aan de dis wordt genood, zakt uit de toneeltoren een gigantisch uitvergroot zeventiende-eeuws stilleven, compleet met varkenskoppen en het karkas van een zwaan. Tamora pakt uit de overvloed een klein toastje. Ze weet dan nog niet wat ze eet: het zijn de resten van haar tot pastei verwerkte zoons.
Doesburg en zijn team accentueren zo met heldere effecten de belangrijke keerpunten in deze toneeltekst. Ze worden daarin gesteund door een prachtige vertaling van de Vlaming Frank Albers - onthou die naam! - die zich in zijn hertaling heeft losgezongen van Shakespeares tekst.
Een klein voorbeeld ter illustratie. Na het eerder beschreven incident van het doodslaan van een strontvlieg zegt Titus’ broer Marcus: 'Alas, poor man, grief has so wrought on him/ He takes false shadows for true substances.’ Albers: 'De arme man!/ Ellende vrat een gat in zijn verstand/ Hij haalt nu schijn en wezen door elkaar.’
Behalve stilering (Van Dale: 'voorstellen in vereenvoudigde grondvormen’) is in deze voorstelling sprake van nuancering. Als Tamora (een mooie rol van Anne-Wil Blankers) het vonnis velt over Titus’ dochter Lavinia, zie je de twijfels in haar gezicht: ze kan het geweeklaag van dat wicht niet meer horen, maar ze kan ook geen andere beslissing meer nemen dan Lavinia overlaten aan de geilheid en de moordzucht van haar zoons.
Ook Han Kerckhoffs, die de Moor Aaron speelt, de ultieme schurk van dit stuk, boetseert mooie nuances in zijn rol. Je raakt als toeschouwer zelfs even totaal in de war als hij rondwandelt met zijn bij Tamora verwekte kind en de baby vertederend aanspreekt met 'diklip’.
Doesburgs regie bereikt iets wat ik in toneel altijd mooi heb gevonden: de emoties worden gedemonstreerd, niet getoond. Op het podium zien we een anatomische les, het menselijk leed wordt met een mesje uit elkaar gesneden, voor ons neergelegd. Wij mogen weglopen, ons hoofd omdraaien, na afloop boeroepen. Of stilletjes janken, over de mens die voor zijn medemens een wolf is geworden.
Shakespeare biedt het allemaal. 'Wreed en waar’, zoals zijn beste commentator in deze eeuw, de Pool Jan Kott schreef. Het is jammer, oneindig jammer, dat deze produktie nog maar een paar keer is te zien. En het is zonde, doodzonde dat de jury van het Theaterfestival niet heeft besloten om haar terug te halen.