Shakespeares schetsboek (1)

Komende dagen te zien in Arnhem en Amsterdam.
Shakespeare schreef de eerste versie van Titus Andronicus al toen hij 24 was. Hij had net de latijnse school afgemaakt en daar het genre van de ‘wraak-tragedie’ (een in Rome aan het begin van onze jaartelling populair soort theatrale B-film) intensief bestudeerd. Dat kan ik beter, moet hij gedacht hebben.

En dat deed hij beter. Titus Andronicus is daarvan het levend bewijs. Het stuk werd vijf jaar later in de ‘public theatres’ van de Londense South Bank een hit.
Shakespeare had de plot voor het brede publiek ondertussen nòg wat gruwelijker gemaakt. Voor aanvang zijn er al 21 doden gevallen (allen zonen van de titelheld, in de oorlog van Rome tegen de Goten), aan het slot zijn veertien van de achttien belangrijke personages naar de andere wereld geholpen. De Poolse Shakespeare-kenner Jan Kott heeft beweerd dat in een eventueel zesde bedrijf van het stuk het uitmoorden van de eerste rijen publiek een aanvang zou nemen, bij ontstentenis van voldoende potentiële slachtoffers op het podium.
Als stuk is Titus Andronicus een soort schetsboek van wat de jeugdige toneelschrijver William Shakespeare nog allemaal voor het publiek in petto had. De echo van teksten uit Richard III ('Ik kan moorden en glimlachen terwijl ik moord’) en Hamlet ('Schijnt? Ik ken geen schijnt’) is hoorbaar. Lady Macbeth wandelt in het stuk rond, en ook Iago uit Othello is dwingend aanwezig, ironisch genoeg als een neger, de Moor Aaron. Verder bevat Titus Andronicus het credo van Shakespeares dramaturgisch vernuft als schrijver over zijn tijd. In dit stuk uit hij voor het eerst zijn twijfels over de tijdgeest van de elizabethaanse renaissance. De eindeloze burgeroorlogen zijn voorbij, maar ze hebben onder het bewind van Elizabeth I geleid tot een politiestaat. Het commentaar op die 'korte bocht’ tussen vendetta en dictatuur - een rode draad in Shakespeares werk - begint hier.
De overdaad aan geweld, waaraan Titus Andronicus ten onrechte het magere krediet van 'een onspeelbaar onding’ heeft overgehouden, is bijzaak. Het gaat hier om belangrijker zaken. In de openingsscène wordt het dilemma geschetst van een erfelijke monarchie versus de stem des volks. Twee zonen van een zojuist overleden keizer betwisten elkaar publiekelijk de opvolging. De oudste, Saturninus, claimt de troon. De jongere, Bassianus, protesteert: 'Helaas, regeerkunst is niet erfelijk/ en macht groeit niet uit een familiegraf.’ De vox populi heeft een derde kandidaat: de populaire en zojuist uit de oorlog met de Goten teruggekeerde generaal Titus Andronicus. Maar die man is moe, hij wil rust. Rome is in zijn ogen 'een legendarisch lijf, dat een hoofd verdient, dat sterker is dan dit karkas van mij’.
Titus wijst de oudste zoon aan als opvolger. En deze Saturninus heeft iets te lang op die hoogste eer moeten wachten. Hij oogt als een kloon van Charles in Engeland nu. Deze gefrustreerde usurpator begint dan om zich heen te meppen. Eerst kiest hij de overwonnen Gotenkoningin Tamora tot vrouw en keizerin. Daarna heeft hij nog een aantal vernederingen in petto voor de familie van Titus Andronicus. De 'Grote Machine’ die tragedie heet, kan gaan draaien.
Chef-techniek in deze grote machine heet in Titus Andronicus Aaron, een Moor in dienst van de Gotenkoningin Tamora, tevens haar minnaar. In de voorstelling waarmee Het Nationale Toneel nu door het land reist (regie: Johan Doesburg) wordt deze 'Master of Ceremonies’, het brein achter veel gruwelijkheden in dit stuk, gespeeld door Han Kerckhoffs.
Als wij binnenkomen is het toneel leeg. Op Kerckhoffs na: hij schminkt zich als de Moor. De toon is gezet: wat in deze bizarre ruimte van stalen wanden en uitschuivende trappen (ontwerp: André Joosten) straks aan gewelddadigheden zal plaatsvinden, het is alles slechts een verbeelding van het geweld. We bevinden ons in de openingsscène meteen in de keldergewelven van een staat in verval. Het debat tussen Saturninus (Johan Ooms) en Bassianus (Jaap ten Holt) wordt afgewerkt met de kille precisie van een voorgeprogrammeerde discussie tussen lijsttrekkers. Titus Andronicus (Rik van Uffelen) wordt neergezet als de geboren loser. Hij schreeuwt nog wel, maar straks zal hij slachtoffer zijn in een martelkamer. Hij zal ontsnappen. En zich wreken.
Titus Andronicus is een inktzwart stuk. En dit wordt een inktzwarte voorstelling.