Sheldon Wolin, 4 augustus 1922 - 21 oktober 2015

Het bedrijfsleven is oppermachtig, politiek en media zijn ingepakt en de burger heeft weinig te vertellen. Met deze visie werd de anders zo invloedrijke politicoloog Sheldon Wolin voornamelijk genegeerd.

‘Sheldon Wolin is de reden dat ik koffie begon te drinken’, schreef politicoloog en schrijver Corey Robin vorig jaar. Robin, die op Princeton nog les heeft gehad van Wolin, bedoelde het als compliment. Zonder koffie kon de jonge Robin – ‘geen ochtendmens’ – onmogelijk de intellectueel veeleisende colleges van zijn professor volgen.

De vorige week op 93-jarige leeftijd overleden Wolin analyseerde politieke denkers door een literaire bril, alsof de werken van Machiavelli, Hobbes, Locke en Rousseau romans waren. Zo week hij ook af van de naoorlogse trend binnen de politicologie om politiek gedrag te verklaren aan de hand van kwantitatieve analyses en data. Wolin keek liever naar politieke ideeën en hun historische context. Zo dwong hij zijn studenten om politieke ideeën niet alleen als historische feiten te onderzoeken, maar ook als een manier om bestaande politieke structuren te bekritiseren – eerst op Berkeley (tot 1972), later op Princeton (tot aan zijn pensionering in 1987).

Wolins boek Politics and Vision uit 1960, waarin hij voornoemde ideeën uitwerkte, is nu nog verplichte kost voor veel politicologiestudenten in de VS en daarbuiten. Zijn essay Political Theory as a Vocation uit 1969, waarin hij politicologen opriep ‘epische’ theorieën te ontwikkelen in de hoop zo maatschappelijke percepties te beïnvloeden, wordt nog altijd geciteerd. Ook buiten academia liet Wolin zich gelden. Zo schreef hij in de jaren zestig regelmatig in The New York Review of Books over de free speech movement (de beweging die zich inzette voor meer zeggenschap van studenten) op Berkeley, en later ook over onder meer Watergate, Ronald Reagan en Amerikaans conservatisme.

Door de jaren heen kwam Wolin tot de conclusie dat het bedrijfsleven en de politiek in de VS dusdanig vervlochten zijn geraakt, en het publiek dusdanig apathisch is, dat een daadwerkelijke participatieve democratie in het beste geval een ‘vage mogelijkheid’ is geworden. In zijn laatste boek Democracy Incorporated (2008) omschrijft hij die situatie als ‘omgekeerd totalitarisme’ (inverted totalitarianism). Het is een vorm van totalitarisme die zijn expressie niet vindt in een demagoog of charismatisch leider, maar in de anonimiteit van de corporate state. Bedrijven veinzen dat ze loyaal zijn aan de grondwet en de politiek, maar hebben in werkelijkheid de verschillende lagen van de macht zo gecorrumpeerd dat burgers machteloos zijn.

Een belangrijk verschil met het klassieke totalitarisme in bijvoorbeeld nazi-Duitsland of de Sovjet-Unie is dat binnen Wolins omgekeerde totalitarisme de economie boven de politiek wordt gesteld, in plaats van andersom. ‘Bij die omdraaiing hoort een andere vorm van meedogenloosheid’, schreef Wolin. ‘Inkrimpingen, reorganisaties, barstende bellen, gebroken vakbonden, snel verouderende vaardigheden en naar het buitenland verdwijnende banen creëren niet alleen angst, maar ook een op angst gebaseerde economie, een controlesysteem dat zijn macht ontleent aan onzekerheid, maar ook een systeem dat volgens zijn analisten volkomen rationeel is.’ Zijn conclusie: ‘De Verenigde Staten zijn het schoolvoorbeeld geworden van hoe een democratie gestuurd kan worden zonder de indruk te wekken onderdrukt te worden.’

‘De cultural wars zijn een substituut voor politiek met echte gevolgen’

Van onderdrukking is volgens Wolin wel degelijk sprake. Zolang dissidentie ineffectief blijft, zal het Amerikaanse omgekeerde totalitarisme geweld vermijden. Maar mocht de bevolking echt weerspannig worden, zo waarschuwde hij, dan zal het systeem net zo wreed en gewelddadig zijn als totalitaire staten uit het verleden.

Al in 2008, dus ruim voor ‘Ferguson’ en de geboorte van de Black Lives Matter-beweging, wees Wolin in dit verband op het willekeurige politiegeweld tegen kleuringen in arme gemeenschappen als een voorbeeld van het vermogen van de corporate state om ‘legaal en straffeloos burgers te terroriseren en zelfs te doden. De straffere vormen van controle – van gemilitariseerde politie tot grootschalige surveillance, evenals de politie die tegelijkertijd als rechter, jury en beul optreedt – zijn al een realiteit voor de onderklasse. Maar ze kunnen een realiteit voor ons allen worden zodra we ons beginnen te verzetten tegen de aanhoudende overheveling van macht en welvaart naar de elites.’

Ondertussen wordt de Amerikaanse bevolking de illusie voorgehouden dat ze deelneemt aan een functionerende democratie, schreef Wolin. Daarmee doelde hij niet alleen op de farce van het door geld gecorrumpeerde electorale proces, maar ook op het politieke discours: ‘De cultural wars creëren het beeld van een politiek geëngageerde bevolking, maar zijn in werkelijkheid een substituut voor politiek met echte gevolgen.’

In al zijn werk uitte Wolin zijn afgrijzen over een bevolking die zich grotendeels heeft afgewend van het gedrukte woord en de genuanceerde wereld der ideeën. Hij had het ook niet op met de ‘monochrome media’, ‘met hun door het bedrijfsleven goedgekeurde opiniemakers die (…) een raamwerk creëren waar andersdenkenden nauwelijks omheen kunnen. De criticus die erop aandringt de context te veranderen, wordt afgedaan als irrelevant, extreem, links, of wordt gewoon helemaal genegeerd.’

Democracy Incorporated werd genegeerd door elke grote krant en elk vooraanstaand tijdschrift in het land, alsof het niet geschreven was door een van de invloedrijkste politieke wetenschappers van naoorlogs Amerika. ‘Dat verbaasde hem niet’, schreef Chris Hedges, die Wolin een jaar voor zijn dood nog uitgebreid interviewde, in een necrologie voor Truthdig. ‘Alles wat hij vreesde voor dit land is uitgekomen. Een corporate gedrocht regeert ons. Als we een eindscore opmaken moeten we zeggen dat Wolin verloren heeft, maar moeten we ook de integriteit, brille, moed en noblesse van zijn leven erkennen.’


Foto: New York, 1982 (Fred R. Conrad / The New York Times / HH)