Interview Japans-Amerikaans-Limburgse kunstenaar

Shinkichi Tajiri: tachtig jaar snelheid, erotiek en geweld

Decennialang ging de Japans-Amerikaans-Limburgse kunstenaar Shinkichi Tajiri zijn eigengereide weg, maar steeds scheerde hij langs de tijdgeest. In Parijs, Berlijn en Amsterdam werkte hij met beroemde collega’s. Zijn werk is te zien in Nijmegen.

Het kasteel van Shinkichi Tajiri is een jongensdroom. Om er te komen moet je onder aan Nederland de snelweg af en over kleine wegen verder. Precies waar het platte land begint met glooien, loopt tussen weilanden een weg. Aan het einde ervan ligt een dorp van krap vierduizend zielen. Achter de bushalte is een oprijlaan verscholen. Die buigt een flauwe bocht, door de bomen duiken vreemde, postapocalyptische sculpturen op. Ze bewaken een kasteel, een echt kasteel met een toren. Bij de ingang houdt een reus ach tige samoerai de wacht, vandaag loopt voor de sokkel een kleine man. De kasteelheer.

Shinkichi Tajiri is een Japans-Hollands-Amerikaanse Limburger die in Parijs, Amsterdam en Berlijn woonde, studeerde, werkte en doceerde. Een kunstenaar die onder beroemde vakgenoten verkeerde en bondgenoot van Cobra was. Sinds 1956 woont hij in Nederland, waar velen zijn werk zullen kennen uit de publieke ruimte, met name zijn knopenbeelden op Schiphol, bij Paleis Noordeinde, in Hoog Catharijne en in de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum.

Tajiri heeft een goatee, maar ziet er niet streng uit. De lijnen rond zijn ogen zorgen voor een vriendelijke gezichtsuitdrukking. Hij gaat voor en betreedt de binnenplaats van het kasteel, daar schiet hij door een deur de rechtervleugel in. Binnen draait een stenen wenteltrap omhoog. Overal kunst. Er zijn Cobra-achtige werken, een Appel schiet voorbij, naaktfoto’s, geschilderde en gebeeldhouwde figuren, rare machines en vreemde robotten. Helemaal bovenin, voorbij atelier, werkplaats en kantoor, arriveren we in wat men een woonvertrek zou kunnen noemen.

In deze ruimte haalt Tajiri water uit een keteltje dat op de kachel staat. Met enthou siasme giet de tachtigjarige het in zijn nieuwe Senseo-apparaat. Achter zijn grote bril beginnen twee oogjes ondeugend te glanzen.

«Mijn vroegste herinnering is die van mijn geboorte», zegt hij. «Ik herinner me dat ik geboren werd. Ik herinner me nog goed dat ik opgetild werd aan mijn beentjes, maar ik was helemaal glibberig van de placenta en ik viel. In een seconde trok mijn hele leven in een flits aan me voorbij…»

Tajiri houdt van grapjes.

En Tajiri kan vertellen.

Los Angeles, begin twintigste eeuw

«Mijn vader en moeder waren Japans, ze arriveerden begin vorige eeuw in Amerika. Mijn vader kwam in San Francisco aan net na de grote aardbeving van 1906. Veel Japanners kwamen uit arme boerengezinnen en geloofden dat Amerika het land van de vele mogelijkheden was, dat de straten er geplaveid waren met goud — that bunch of bullshit. Wij waren beter af dan de meesten, mijn vader werkte bij een landbouworganisatie. Hij was de laatste uit een samoeraifamilie, geboren nadat de samoeraiklasse was afgeschaft.

Ik werd geboren in december 1923. Ik groeide op in een zwarte wijk, South Central. Negentig procent van mijn vriendjes was zwart. Ik sprak net als zij. Ik bewoog net als zij. Ik identificeer me nog steeds meer met zwarte dan met normale Amerikanen.

Zeg ik normale Amerikanen? Vind je dat gek? Je had zwarte en Japanse Amerikanen, en de normal guys, dat waren de witte Amerikanen.

De school was aan de overkant van de straat. Alleen de leraren waren wit. Ze gaven geen geld aan slechte buurten, dus wij kregen de slechtere leraren. Dat is deel van een oude strategie: houd de arme mensen laag en maak arbeiders van ze. Ze willen niet dat je dokter, advocaat of architect wordt. Ze hebben mensen nodig om het domme en het vieze werk te doen. Ik werd opgeleid om drukker te worden.

Toen ik een jaar of zeventien was, wilde ik vliegtuigingenieur worden, maar ik realiseerde me dat ik een potentiële spion was. Ik realiseerde me dat er weinig toekomstperspectief voor me was. Als je tot een minderheid behoort in Amerika ben je beperkt in je mogelijkheden. Nog. Als je zwart was, kon je dansen en zingen. Of je kon bokser worden. Ik besloot dat ik kunstenaar werd, in die scene is een beetje exotisch zijn juist een voordeel.

Elke dag kwam ik met de bus langs een paar stalletjes bij de dierentuin. Er zat een vrouw die mensen natekende en boetseerde, ik stapte vaak uit om bij haar te kijken. Op een dag liet ik haar mijn vliegtuigtekeningen zien. Daarop nam ze me mee naar een echte beeldhouwer, op zaterdag moest ik eerst in zijn tuin werken en kreeg ik daarna les. Ik hield van het driedimensionale van zijn beelden, ik hield niet van schilderen, dat is tweedimensionaal en allemaal illusie: je creëert ruimte door middel van illusie. Ik prefereerde beelden, ik maakte zelf al modelvliegtuigen.

Sorry, got to take a piss.»

Limburg, december 2003

Twee televisies staan op Eurosport en CNN. Geluidloos. Tajiri kijkt graag televisie. Vanaf de binnenplaats klinken de stemmen van spelende kinderen, het moeten de kleinkinderen zijn die met zijn dochter en schoonzoon in de andere vleugel van het kasteel wonen.

Het schemert. Voor Tajiri begint de dag pas echt. In de avond kan er nog wel telefoon komen, er is de familie — hij is familiegek —hij heeft zijn televisies aanstaan en er is altijd wel e-mail. Maar de rest van de nacht zal het rustig zijn en kan hij rondscharrelen door zijn kasteel, waar achter een deur zomaar een leger speelgoedrobots kan schuilen. Hij gaat nooit slapen voor vijf uur ’s nachts. In de hoge ruimtes beneden kan hij reuzengrote samoeraikrijgers bouwen. Hij is hier gaan wonen omdat zijn kunst ruimte nodig had, omdat hij moet lassen en hameren wanneer hij wil, omdat hij grote materialen moet kunnen opslaan.

Je kunt je hier gemakkelijk wanen in de privé-vertrekken van Ti Ta Tovenaar.

Als hij weer van achter een televisie tevoorschijn is gekomen, vertelt Tajiri over de verdrongen geschiedenis van de Japanse Amerikanen. Hij vertelt over Roosevelt die opdracht gaf om Japan in een oorlog te lokken. Roosevelt, die wist van de aanstaande aanval op Pearl Harbour maar die niet aan Hawaï meldde.

Los Angeles, zondag 7 december 1941

«Ik hoorde het terwijl ik football speelde op straat. Ik was jarig en nog erg naïef. Iemand kwam naar buiten en zei dat Hawaï was aangevallen. De volgende dag mochten we ’s avonds het huis niet meer uit. Ze bevroren de bankrekeningen. Je kon geen eten kopen en je kon het huis niet uit. In februari moesten we verhuizen. Alle Japanners aan de Westkust moesten naar een kamp.

Wij kwamen eerst terecht op een oude racebaan. Met vijf mensen in een stal waarin normaal één paard stond. Mijn moeder, mijn zuster, ik en twee jongere broers — mijn vader was overleden toen ik vijftien was. Mijn ene oudere broer zat in het leger, de andere werkte als correspondent voor een Japanse krant in New York. Hij was de eerste die het Japanse volk meldde dat het in oorlog was. Later kwamen we terecht in de woestijn bij Nevada, we hadden er niks, we moesten land bebouwen en kregen acht dollar per maand. We waren slaven geworden.

Ineens was ik een vijand van het land, mijn land, mijn zogenaamde land. Als je naar school gaat, vertellen ze je dat je een Amerikaan bent. Ik geloofde ze. Ze vertellen je dat je op een dag president kunt worden. Ik begreep niet dat er een kleurenlijn bestond. Dat het systeem zo is gebouwd.

Een of andere snuggere senator opperde het idee om de Japanners uit de kampen te halen en naar de ergste gevechtssituaties in Europa te sturen. Zo kwamen ze mooi af van een hele generatie van een etnische groep. Dat was het plan en dat is wat er met ons is gebeurd. Ik was geen superpatriot, maar ik wilde wel het kamp uit en voor Amerika vechten om te bewijzen dat we Amerikaanse burgers waren.»

Limburg, december 2003

Schoonzoon Terry komt binnenvallen. Hij heeft een van de twee tentoonstellings catalogi bij zich. Die is niet gedrukt zoals Tajiri had gevraagd. Bovendien laat de kwaliteit veel te wensen over. Maar het werk in beide boeken is prachtig, Tajiri heeft van speelse tot de meest waanzinnige beelden gemaakt. Robotten, filmpjes, talloze reuzengrote knopen, erotische foto’s — er staan meer dan duizend afbeeldingen in de boeken. De reikwijdte van Tajiri’s levensloop is overweldigend. De man die hier aan tafel zit, en soms met de naar rechts verbogen top van zijn rechterwijsvinger op tafel klopt, duikt in de recente Europese kunstgeschiedenis steeds weer op. In het Parijs van de jaren vijftig, waar hij jonge Hollanders ontvangt en een atelier deelt met Constantin Brancusi en Jean Tinguely; waar hij bij Fernand Léger en Ossip Zadkine lessen volgt; waar hij Max Ernst, Man Ray en Samuel Beckett ontmoet. Nog zomaar een greep: hier zit de man die in 1970 op het eerste Wet Dream Film Festival te Amsterdam de hoofdprijs won met een natuurfilm waar naast dieren ook een Deense dame gepassioneerd in meespeelt. Deze man heeft de Amerikaanse beurskrach in 1929 meegemaakt, tegen de Duitsers gevochten in Italië, is door het veroverde Duitsland getrokken. Wordt het te veel om ook nog te melden dat zijn broer het foto beleid van Playboy Magazine opzette? Tajiri heeft zo veel meegemaakt dat een interview slechts een brokkelig beeld van zijn kunstenaarsleven schetst. Misschien moet nog verteld dat hij zo eigengereid is dat hij na 53 jaar wonen in Nederland nog steeds geen Nederlands spreekt.

Atlantische Oceaan, mei 1944

«De boot deed er 28 dagen over. We kwamen aan land in Napels. Daarna Rome. Het was niet wat je verwachtte, het was wat je op televisie ziet in beelden van ex-Joegoslavië en Irak. Verwoesting. Arme mensen, oude mannen, meisjes, jongetjes, en iedereen aan het hosselen. Het was vreselijk om te zien hoe jongens hun zussen verkochten, of zichzelf. It shakes you up.

Oorlog is een dunne frontlijn waar de legers elkaar raken. Daar kun je de mensen zien die je moet doden en die jou willen doden. Maar een klein percentage komt er. Sergeanten uit Arkansas die transporten moesten regelen, leefden als koningen in Frankrijk. Ze hadden geld, alle vrouwen die ze wilden, en eten. Wij moesten vechten tegen de beste mannen: de SS’ers.

Ik was de boodschapper, ik was erg solitair. Ze dachten dat ik homo was omdat ik altijd in mijn eentje uitging. In Napels en in Rome. Ik ging naar de Sixtijnse Kapel, ik wilde ook wel seks maar ging in mijn eentje. Ik dronk niet. Ik rookte niet. Ik had de meest fantastische avonturen. Als je in een groep bent, moet je alleen maar compromissen sluiten.

Ik heb mijn wapen niet afgeschoten. De dag dat ik neergeschoten werd, rende ik in een rivierbedding en moest ik schuilen voor een sniper. Het voelde alsof er met een honkbalknuppel keihard op mijn been werd geslagen. Een kogel had de rots geraakt en was in mijn been terechtgekomen, samen met heel veel gruis, dat zit er nog steeds.

Zes maanden lag ik in een ziekenhuis in Rome. Het was augustus 1944 en ik was twintig jaar oud. Ik begreep dat ik niet meer hoefde te vechten en dat was geweldig. Via Marseille, Nancy, Reims, Duitsland en nog een keer Reims keerde ik naar huis. Mijn moeder was vrijgelaten en zat in Chicago. Ons hele huis bleek te zijn gestolen, het was met alles erin op een truck gezet. Uiteindelijk belandde ik in het Kunstinstituut, een erg goeie school, maar het was slecht in Chicago, de mensen noemden me een Jap en niemand wilde me een fatsoenlijke baan geven. Weet je, als kunstenaar moet je uitvinden wie je bent en dan helpt het niet als je er elke dag aan wordt herinnerd dat je een Jap bent en dat Jap iets denigrerends betekent. Dus ik zei: I can’t take this shit. Goodbye America!»

Parijs, september 1948

«Ik kwam terecht bij Ossip Zadkine. Een goeie leraar, ik leerde van hem geen Zadkines te maken. Ik heb daarna een jaar gestudeerd bij Fernand Léger, maar hij onderwees hoe je een Léger moest maken. Bij Zadkine stond een jongen model, zijn naam was Simon. Simon Vinkenoog, hij was de eerste Nederlander die ik ontmoette. Hij poseerde compleet naakt. Hij had een heel mooie, slanke torso.

Al in 1949, 1950 werd ik in kunstbladen genoemd naast mensen als Giacometti en Brancusi, mensen van de generatie boven me. Ik ontmoette de Cobra-mensen. Ze hadden werk gezien en Corneille schreef me een brief. Ik woonde vlak bij het Gare Montparnasse en op een dag stonden er drie van die gasten voor de deur, Appel, Constant, Cor neille. Ik liet ze binnen, toonde ze wat werk en ze nodigden me uit voor hun Exposition Internationale d’Art Expérimental (Cobra), de eerste Cobra-show. Ze zagen dat ik experimenteerde, dat ik dingen deed die niet gezien werden. Veel stond dicht bij sommige Cobra-schilderijen, rare handen of armen die uit rare plaatsen staken. Als je ze twee dimensionaal ziet, lijken ze op sommige van hun schilderijen.

Constant leek me de intellectueel van de groep. Hij had een jezuïetenopleiding genoten. Appel is veel directer. Een slimme vent uit de Jordaan met een natuurlijke intelligentie. Corneille schreef erg mooi, poëtisch. Ze ontmoetten elkaar en discus sieerden over kunst, en ik denk ook over een hoop politieke dingen. Ik raak daar nerveus van. Ik hou er niet van om in cafés te zitten praten. Ik heb geen discussies over kunst. Ik ging naar Amsterdam een paar dagen voor de opening. Mijn beelden waren verbogen tijdens het transport, dus ik was een paar dagen kwijt om alles te repareren. Die opening was een groot schandaal vanwege een gevecht. Ik was er niet bij. Ik was een dag eerder al weer vertrokken. Waarom? Ik had niks te doen.

Ik heb nooit tot een groep behoord. Zelfs niet in het leger. Ik hou er niet van om met een hoop andere mannen te zijn.

In die jaren maakte ik ook een cover voor Olympia Press, voor Quiet Days in Clichy van Henry Miller, dat hij in 1927 in Parijs had geschreven. Het was nooit gepubliceerd. Ik kende de uitgever Frank Harris, de man die Nabokov en Markies de Sade publiceerde. Ik stuurde hem twee simpele collages. Laatst hoorde ik dat ze de overgebleven collage op een boek van Samuel Beckett hebben gezet. Ik heb ook nog een cover gemaakt voor Simon Vinkenoog. Voor Wij helden.

Ik had geen geld. Ik kreeg 75 dollar per maand, de helft was voor de huur. Mijn studio was een garage voor een paardenkoets geweest. Met een mooi hoog plafond, maar geen water en slechts één elektrische draad. Ik sliep er ook. Er was geen verwarming, voor hetzelfde bedrag als ik aan kolen kwijt zou zijn, kon ik naar de bioscoop gaan en zes uur films van Eisenstein of René Clair zien. In twee winters zag ik de hele geschiedenis van de film.

Een meisje zei dat ik naar het ziekenhuis moest. Daar zeiden ze dat ik hepatitis had. Ze zeiden dat het kwam doordat ik ongezond at. Ik at brood en worstjes en dat soort dingen, wat kaas misschien, geen groente en fruit. De eerste nacht werd ik wakker, ik keek omhoog en daar was die vrouw: de nachtzuster. Ze sprak erg goed Engels. Ik bleef meer dan een maand en daarna trouwden we. Ze geloofde in mij, maar het werkte niet. Ze was geen kunstenaar.

Ik ontmoette Ferdi, een Nederlands meisje. Zij was een kunstenaar, ze had al gehongerd in Parijs. Ze kwam bij me om te leren hoe je moet lassen en we kregen een relatie. Ik scheidde van mijn vrouw. Ik had geen plek meer om te leven, geen studio waar ik kon werken en ik sliep bij een vriend. Met die vriend heb ik een film gemaakt over roken. Over turning on. Het was 1955 en in Parijs rookten alleen de Noord-Afrikanen hasjiesj en marihuana. En je had wat zwarte muzikanten die in de bebop waren en rookten, en de intellectuelen, maar die waren meer op de zwaardere middelen, morfine en opium, ze rookten het niet maar ik geloof dat ze cocaïne snoven.

Anyway, het was een geheimzinnig ritueel om bij elkaar te zitten en een joint te rollen. Ik liet Simon voor de eerste keer stoned worden, dat was in 1955 denk ik. En Frits Muller, een cartoonist. Ik wilde het ritueel filmen, dat leende zich er echt voor, het geheimzinnige bij elkaar komen met mensen die allerlei fantasieën gingen krijgen, je kon er van alles in monteren, het was een goed vehikel voor iets moois. The Vipers — het hele idee van dat filmpje was dat we het stoned moesten maken. Al de tijd dat we het scenario maakten, de muziek tapeten, de opnames maakten, waren we stoned, van ’s ochtends meteen nadat we wakker werden totdat we ’s avonds gingen slapen.»

Limburg, december 2003

Het is inmiddels helemaal donker, in het vertrek branden wel hier en daar lampen, toch zijn de hoeken, nissen en zijvertrekken niet zichtbaar en moet Tajiri met een zak lantaarn naar zijn filmpjes zoeken.

Als verschillende beltonen klinken is er telefoon en blijkt het eten klaar. We gaan over de binnenplaats en betreden de andere, woest ingerichte vleugel. Hier is het kleur rijker. Niet al het werk blijkt van hem te zijn. De waanzinnige, van hun doeken exploderende tulpen zijn van dochter Giotta. De vertrekken van haar en haar man zijn in mooie kleuren ingericht. Het is bijna een verrassing als op dit sprookjeskasteel plotseling ook twee gewone, aardige kinderen aanwezig zijn.

Aan de dis schuift een man met grijze baard aan. Tajiri zal later uitleggen dat het hier om zijn Duitse assistent gaat, die jaren geleden meekwam met een vriend en nooit meer is teruggegaan. Over tafel wordt door elkaar in Hollands, Amerikaans en Limburgs gesproken. Opa gaat van tafel af om met de kleinkinderen te spelen. Hij is erg geïnteresseerd in het nieuwe speelgoedje van zijn kleinzoon, een bal die met een elastiek vast zit om diens pols en waarvan Tajiri de werking precies probeert te doorgronden.

Tajiri heeft iets eigenwijs, soms iets ondeugends. De Cobra-mannen moeten in hem een ideale experimenteerder hebben gezien. Een speelse geest verlucht door een vleugje Zen, net zei hij nog dat een beetje exotisme helpt in de kunsten. In de catalogus wordt hij zelfs een homo ludens genoemd.

Als we terugkomen zit aan de tafel plotseling een prachtige dame. Het blijkt zijn vrouw Suzanne, een Belgische, ze is ziek en verontschuldigt zich. Ze verdwijnt in een hoek van het vertrek.

Amsterdam, september 1956

«Ik ging met Ferdi in Amsterdam wonen. Ik ontmoette er Louis van Gasteren, Ed van der Elsken, Johan van der Keuken, ze kwamen me opzoeken en waren geïnteresseerd. We gingen ook naar een plek die De Kring heette, met tekenaar Opland en anderen. Ik had geen studio, we hadden één kleine kamer op de Oudezijds Achterburgwal. Wc en water beneden, geen gas. Ik maakte kleine objecten. Mijn dochter werd geboren. Toen begon Sandberg, die op dat moment directeur van het Stedelijk Museum was, werk te kopen. Hij stuurde ook rijke verzamelaars, ik begon te verkopen en we kregen wat geld.

In 1956 was Amsterdam nog niet ontdekt door de jonge mensen. In de vroege jaren zestig kwamen de flower people en de hippies. Uit Londen, Italië, Duitsland — te veel mensen kwamen Amsterdam ontdekken, en bij mij langs. Drie, vier keer per week had ik iemand op bezoek. Ik besloot dat ik isolatie nodig had. Het was carrièregewijs een slechte move omdat ik al mijn contacten verloor. Langzaam kwam er een nieuwe generatie op die me niet kende en me nog steeds niet kent.»

Limburg, 1962

«In 1962 kwamen we hier wonen. Ik had me niet gerealiseerd dat het hier toen honderd procent katholiek was. Ik was de eerste antichrist. Een Japanner. Er was een groep oud-Indonesië-gangers die dacht dat ik uit Japan kwam. In 1969 stierf Ferdi. Daarna ben ik voor lang gaan doceren in Berlijn.

Ik denk aan Ferdi op een bepaalde manier, ze is overal om me heen. In elke kamer is er iets met Ferdi, ik zíe haar elke dag. Op een bepaalde manier is ze niet dood voor mij. Het rare van doodgaan als je jong bent, is dat je nooit oud wordt. Ze is altijd 42.

In 1967 had ik een tentoonstelling in het Stedelijk. Ik had zeven machines gemaakt die een soort anti-war statements waren. Een hoop van mijn werk was gebaseerd op mijn oorlogservaringen. Ik moest de nachtmerries uit mijn systeem krijgen. Dat thema zit in mijn werk. Niet lang geleden ben ik voor de tweede maal begonnen samoerai te maken, gebaseerd op een zeventiende-eeuws incident waarbij 47 samoerai een heer doodden die hun heer had omgebracht. Ik besloot dat ik er 47 moest maken. Ik heb er nog maar negentien gemaakt en nu ben ik verveeld. Ja, lach maar. Ik kan er maar zo’n vier per jaar maken. Als ik een vent als Corneille was geweest zou ik heel kleine variaties hebben kunnen maken. Maar nee, ik moet altijd een nieuw element nastreven en dat is het moeilijke, met een nieuwe invalshoek komen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik er erg verveeld van ben.»

Limburg, 2003

Het is nacht. Tajiri vertelt dat zijn drie thema’s snelheid, erotiek en geweld maar actueel blijven. En nog snel over dat harakiri eigenlijk sepuku heet, over Star Wars, over dat de Twin Towers door een Japanse Amerikaan van zijn generatie waren ontworpen.

Te veel. Bij het weggaan loopt hij mee de poort door. Het is stikdonker. Staand voor zijn kasteel en naast de samoerai zwaait de kleine man met een zak lantaarn zijn bezoek na.

De tentoonstelling Snelheid, erotiek en geweld van Shinkichi Tajiri is te zien in museum Het Valkhof te Nijmegen, tot en met 4 april 2004