ENTROPA

Shit happens

De installatie Entropa van de Tsjechische kunstenaar David Cerny leidde tot vrolijke heisa. Zelden werden de kansen van kunst in de openbare ruimte beter benut.

HET IS EEN HEERLIJK kunstwerk daar in de Brave New World van de Europese Unie, de hal van het Lipsius-gebouw. Het zijn eigenlijk twee werken. Er is het enorme ding, een hoog opgehangen kader met daarin de ‘afbeeldingen’ van de verschillende landen van de EU, die beurtelings oplichten, bewegen of geluid maken. Dan is er een brochure met de statements van de 27 kunstenaars die voor die afbeeldingen verantwoordelijk waren. Zo, althans, werd Entropa gepresenteerd: de Tsjechische regering had gekozen voor een concept van David Cerny , die de visies van 27 Europese kunstenaars op 27 lidstaten in één werk bijeenbracht. In de brochure zijn hun opvattingen in klinkende kunst-newspeak opgenomen.
Het geheel ontbreken van het Verenigd Koninkrijk, bijvoorbeeld, wordt verklaard als ‘this improvement of exactness means that its individual selective sieve can cover the so-called objective sieve’. De kaart van Frankrijk, bedekt met een spandoek waarop ‘Grève’ (staking) staat, gaat vergezeld van een verklaring van het collectief Groupe de Recherche d’Art Audiovisual dat zij voor onbepaalde tijd in staking zijn gegaan tegen de globalisering. Italië bestaat uit een voetbalveld waarop spelers zich met een bal bevredigen, en dat is dan ‘an autoerotic system of sensational spectacle with no climax in sight’. Zelden een betere omschrijving van modern Italië gehoord.
Nu blijkt dat Cerny de auteur is van alle 27 werken en de Bulgaarse regering formeel geprotesteerd heeft tegen de weergave van haar land als een ‘Turks hurktoilet’ (‘een vernedering voor het Bulgaarse volk en een affront aan zijn nationale waardigheid’) is de pastiche compleet. Natuurlijk heeft Cerny spijt betuigd en zijn honorarium teruggestort, maar dat zal hem geen pijn gedaan hebben. Het moet voor een kunstenaar een geweldige voldoening geven dat de bekrompen werkelijkheid zo volmaakt op zijn satire reageert. Cerny is dat soort reacties gewend. In 1991 schilderde hij een oorlogsmonument (een sovjettank) roze, tot groot ongenoegen van het leger, dat het ding onmiddellijk groen verfde; twee dagen later verfden Tsjechische parlementariërs het weer roze. In 2006 werd Saddam Shark, een Damien Hirst-achtige formaldehydetank met daarin een beeld van Saddam Hoessein, verwijderd van tentoonstellingen in België en Polen.
Een groot kunstproject in de publieke ruimte is vragen om moeilijkheden, zowel voor de kunstenaar als voor de opdrachtgever. Elk kunstwerk beledigt wel iemand. In een interessant artikel in PRESENT. Kunst bij rijksgebouwen beschrijft Jeroen van den Boomgaard dat de relatie tussen ‘schenker’ en ‘ontvanger’ in dit soort projecten eigenlijk heel onduidelijk is. Het zijn geschenken, zegt Van den Boomgaard, die kennelijk de ‘vertrouwensrelatie’ tussen overheid en publiek moeten bezegelen. Het publiek heeft nergens om gevraagd, maar wordt royaal getrakteerd op kunstwerken, langs de snelweg, op kantoor, in het zwembad. De overheid houdt zich formeel verre van opinies over kunst, maar toch mogen de kunstwerken nergens in de overheidsgebouwen ontbreken, en daarbij heeft de Nederlandse overheid de opvatting dat zij vooruitstrevend moet zijn en moet kiezen voor het nog onbekende en het niet-vertrouwde. Dat moet dan weer iets zeggen over wie wij zijn, of denken te zijn.
Dat kan interessant uitpakken. Toen de nieuwe vergaderzaal van de Tweede Kamer werd voltooid, werd de oude ingericht door de kunstenaar Jan van den Dobbelsteen. Hij ontwierp een veelkeurig tapijt en een aantal ‘kroonluchters’, skeletten van onregelmatige veelvlakken. Van den Dobbelsteen is een goede kunstenaar en wat hij maakte was heel eigenzinnig, maar ook bijzonder lelijk, zeker in de ogen van de slome duikelaars die het parlementaire complex bevolken. ‘Moest dat nou?’ zeiden zij. Dat zaaltje had toch zijn eigen Louis XVI-charme? Waarom zo’n ‘conflicterende’ inrichting gekozen? Wat voor figuur zouden zij wel niet slaan als zij in die zaal bijvoorbeeld een delegatie Franse parlementariërs zouden ontvangen?
Dat is een goede vraag. Frankrijk staat vol met zulke Louis XVI-zaaltjes, in gemeentehuizen en op ministeries. Hadden de Franse hoogwaardigheidsbekleders de zaal in oude stijl ingericht gezien, dan zouden zij misschien gedacht hebben: ‘Ach, de kalme charme van de provincie. Ach, die Nederlanders, dat zijn toch ook braves gens… Nu niet, dus. Door Van den Dobbelsteen zal zo’n Franse bezoeker denken: ‘Die mensen hier zijn gek. Daar moet ik mee oppassen.’
Dat is, lijkt mij, een mooi voordeel. David Cerny heeft dat nu ook voor de Tsjechen verworven. Vanuit het Tsjechische perspectief is Europa een gefragmenteerd, ijdel, gecompliceerd complex waarin geen echte communicatie bestaat, misschien wel omdat het de lidstaten ontbreekt aan humor. De groteske overdrijving en de humoristische mystificatie (zegt Cerny ) horen bij de Tsjechische cultuur, van Zweig tot Hrabal: ‘Wij geloven dat men in Brussel in staat is tot ironische zelfbeschouwing; wij geloven in het gevoel voor humor van de Europese naties en hun vertegenwoordigers.’ Daar hebben wij rekening mee te houden.
De Tsjechische regering heeft – dat spreekt – formeel bekendgemaakt dat ze door Cerny is beetgenomen en dat ze de toestand betreurt, maar dat moet met een grote korrel zout genomen worden. Cerny maakte eerder al eens een grote vijver in de vorm van Tsjechoslowakije, waar twee bronzen mannen in staan te pissen. Wie zo’n kunstenaar kiest voor een Europees prestigeobject weet wat hij doet. Complimenten.

Entropa, David Cerny . Justus Lipsius-gebouw, Wetstraat, Brussel. Metro Schuman.
PRESENT. Kunst bij rijksgebouwen 2004-2006. Tanja Karreman, Janine Schulze, Huib Haye van der Werf (red). Episode publishers, 464 blz., € 27,50