Shitsolidariteit

‘DRIE JAAR GELEDEN ben ik aan m'n hart geopereerd. Daarna volgden nog drie operaties binnen een jaar. Terwijl je weer een beetje aan het opknappen bent, zit je steeds maar te denken: “Wat zal er nou gebeuren als ik doodga?”’

Het gezicht van de 76-jarige Peter Jansen uit Den Haag staat in een frons. De stem van zijn partner Simon van den Bos (70) klinkt zorgelijk: ‘Toen hij zo ziek was heb ik me enorm bang gemaakt voor wat er zou gebeuren als hij het niet zou halen. Dat bankpensioen van mij is niet zo denderend en we hebben geen eigen huis om te verkopen, dus als zijn inkomsten wegvallen wordt het voor mij veel moeilijker. Dat wordt passen en meten. Behalve dat ik hem dan kwijt ben, kom ik ook nog eens financieel in de problemen.’
IN 1956 BEGON Peter Jansen als inspecteur bij het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten, rayon Den Haag. In 1983 ging hij met de vut, vier jaar later werd hij 65. Hij ontving pensioen van het ABP.
Toen hij in 1994 hoorde dat er omwillle van gelijke behandeling van hetero- en homoparen een partnerpensioen voor nabestaanden bij het ABP werd ingevoerd, meldde hij zich daarvoor aan. Jansen woonde op dat moment veertig jaar samen met z'n vriend Van den Bos, die hij in 1952 leerde kennen via een advertentie in muziekblad Tuny Tunes. Het ABP oordeelde echter dat Jansen niet voor de regeling in aanmerking kwam.
Jansen: 'Die nabestaandenregeling van '94 geldt alleen voor de mensen die toen samenwoonden én nog werkten. Wie niet meer werkte viel - en valt nog steeds - buiten de boot. Maar toen ik nog werkte betaalde ik als ongehuwde gewoon mee voor de gehuwden. Een solidariteitspremie noemden ze dat. Als een (ex-)werknemer kwam te overlijden, gingen de pensioenrechten op de weduwe over, zodat zij niet aan de bedelstaf werd overgeleverd. Dat is billijk. Maar als ík zou overlijden, kreeg mijn partner niks.
Hoezo solidariteit? Trouwen was de voorwaarde, maar wij móchten niet eens trouwen, al hadden we dat dolgraag gewild!
Ik betaalde maandelijks 600 gulden aan AOW-premie, 300 gulden aan ambtenarenpensioen en m'n baas lapte ook nog eens 300 gulden bij. Er werd voor mij dus - schrik niet - 1200 gulden per maand op tafel gelegd voor als ik 65 werd. Simon werkte ook nog bij een bank, dus we hebben beiden meebetaald aan andermans nabestaandenpensioen, en dat wordt nu aan ons onthouden.
Om toch nog íets te regelen hebben we enkele jaren geleden een levensverzekering afgesloten die ons 200 gulden per maand kost. Dat zijn wéér extra uitgaven die ten koste gaan van ons levensonderhoud en die we, als we hadden mogen trouwen, niet hadden hoeven doen.’
Van den Bos: 'Dat hij er weer bovenop kwam, heeft mij weer uitstel van executie gegeven.’
Levert dat geen vreemde bijsmaak?
Van den Bos: 'Een vreemde bijsmaak? Ik heb een depressie opgelopen!’
Jansen: 'Ik kwam uit het ziekenhuis en ik moest eigenlijk opknappen, maar toen ik naar huis mocht, was hij patiënt. ’s Nachts ging hij fietsen in het bos. Hij wilde zich van het leven beroven. Stelde zelfs een keer voor om dat dan maar samen te doen. Door zijn depressie kreeg hij extra last van zijn rugvergroeiing zodat hij op een gegeven moment niet eens meer kon lopen. Hij had al een grijze broek gekocht voor mijn crematie en zei steeds tegen mij: “Jouw leven hangt aan een zijden draadje.” Waarop ik dan maar weer zei: “Nee, aan een staalkabel.”’
'ALLES KWAM tegelijk in die periode. De afwijzing van het ABP, ik maandenlang in het ziekenhuis, hij iedere dag van Doorwerth, waar we toen woonden, met het openbaar vervoer naar Nieuwegein, waar ik in het ziekenhuis lag. De verhuizing, onze lieve hond van twaalf jaar die we moesten laten inslapen. Er waren voor hem kortom geen lichtpuntjes meer.
Nog steeds moet hij medicijnen nemen en voor controle naar de psychiatrische inrichting in Den Haag. Maar die hele moeilijke tijd ligt nu gelukkig achter ons. De reden dat ik ben doorgegaan met het gevecht tegen het ABP is omdat ik hoop dat bij mijn onverhoopte overlijden mijn vriend goed verzorgd achterblijft, dat wil zeggen in aanmerking komt voor het ABP-partnerpensioen.’
Jansen haalt een dikke klapper vol paperassen te voorschijn. Een voor een legt hij de brieven op tafel die hij naar het ABP stuurde, naar de politieke partijen, naar de minister van Binnenlandse Zaken, de ombudsman en tenslotte naar de koningin. Aanvankelijk leverde dat toezeggingen op van kamerleden om zijn geval bij de minister-president aan de orde te stellen. 'Met u schreven ons nog diverse andere samenwonende 65-plussers’, antwoordde GroenLinks. Maar verder dan het stellen van vragen kwam het niet.
'Hoezeer ik ook begrip heb voor uw situatie, kan ik van de invoeringsdatum niet afwijken. Deze datum is vastgelegd in het akkoord tussen de minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van overheidspersoneel’, schreef het hoofd van de producteenheid Nabestaandenpensioenen ABP in november 1994. Al Jansens verzoeken werden op formele gronden terzijde geschoven. Nooit getroostte het ABP zich de moeite om hem een inhoudelijk antwoord te geven op het waarom van zijn uitsluiting.
IEMAND DIE over de starheid van het ABP kan meepraten, is Jan Lammens uit Amstelveen.
Sinds 1969 woont hij samen met zijn vriend Herman Jan Abbink. Vanaf 1960 was Lammens werkzaam als wetenschappelijk (hoofd)medewerker aan de biologische faculteit van de Vrije Universiteit. Op 2 april 1994 werd hij 65. Voor de parterpensioenregeling die per 1 juli 1994 werd ingevoerd was dat drie maanden te vroeg. Vijfenzestigplussers waren immers van de regeling uitgesloten.
Lammens: 'Ze hebben een volstrekt willekeurige lijn getrokken, zonder enige motivatie. Om idiote redenen komen mensen wel of niet in het schip terecht.’ Ook Lammens heeft een map vol correspondentie over de kwestie bewaard. Lammens: 'Eerst heb ik met mijn vriend geïnformeerd of ik voor de regeling in aanmerking kwam. Niet dus. Toen heb ik beroep aangetekend. Daarop werd ik uitgenodigd voor een hoorzitting bij het bestuur van het ABP-pensioenfonds. Dat zetelt in Den Haag op de Lange Voorhout, naast de koningin. Daar ben ik geweest, met pleitnotities van m'n advocaat en al.
Ik ben daar zowat gestorven. Want ik ben daar toch zo ont-zet-tend woedend geworden! Die man die daar namens het ABP zat, zei alleen maar: “Ja meneer, het spijt ons meneer, wij zijn niet gemachtigd om de wet te veranderen, meneer.” Ik zei: “U moest eens een keer in mijn schoenen staan. Als het uw eigen vrouw betrof, zat u niet zo te wauwelen. Maar nu het om mijn zaak gaat interesseert het u geen ene moer.”
Tegen die beslissing van het ABP heb ik nog beroep aangetekend bij de rechtbank. Maar bij die zitting ben ik zelf niet aanwezig geweest omdat ik bang was dat ik dan weer zo woedend zou worden. De uitslag was inderdaad opnieuw negatief. Hoger beroep had geen zin. Dat zou alleen weer een hele hoop geld en ergernis kosten. Dus zat ik met lege handen. Je probeert je daarna in alle mogelijke bochten te wringen om toch nog iets te regelen. Ik heb geprobeerd een lijfrente af te sluiten, maar dat is mislukt.’
'SINDS 1974 BEN IK kostwinner voor ons beiden’, licht Jan Lammens toe. 'Ik ben 17 jaar ouder dan Herman. Ik ben nu 69, hij 52. Nu heb ik nog een goed pensioen, maar ik weet niet hoe lang. Als ik “vooroverlijd” - een idiote term - valt mijn vriend in minder dan geen tijd terug op de Algemene Nabestaandenwet. Dat is maar iets van 1200 gulden per maand. Terwijl ik hier aan hypotheek alleen al 1500 gulden per maand betaal. Hij moet dan onmiddellijk het huis uit. Ik heb dit huis veel te laat gekocht. Je kocht als homofielen nou eenmaal niet zo snel een huis. Tegenwoordig wel maar vroeger niet. Dat had met de tijdgeest te maken. De hypotheek loopt geloof ik over 25 jaar, dus dat is nog twaalf jaar. Het “vooroverlijden” moet daarna dus plaatsvinden. Ik hoop maar dat ik heel oud word.
Ik had een regeling met Herman, zo van: “Denk erom: als ik beroerd word en ik zie het niet meer zitten, laat je me maar gaan.” Maar nu heb ik gezegd: “Nee, als je merkt dat er nog íets van leven in me zit, laat dat lijk dan maar leven, want dan betalen ze nog.” Ik blijf wel creperen. Ik heb geen zin om vreselijk te moeten lijden, maar door dit geklooi zal dat wel moeten. Als ik wist dat mijn partner een nabestaandenpensioen zou krijgen, had ik ongetwijfeld een euthanasieverklaring getekend. Nu dus niet. De vreugde in het leven wordt er wel minder door.’
JOOP VAN DER LINDEN, interimdirecteur van het COC, kent de verhalen. Hij bracht destijds een twintigtal mensen bij elkaar die bij de invoering van het partnerpensioen tussen wal en schip vielen. Zelf kreeg hij met de kwestie te maken na het overlijden van zijn vriend in december 1991. Van der Linden: 'We hadden een samenlevingscontract. Mijn vriend werkte bij de overheid, bij de gemeente Amsterdam, en zat dus bij het ABP. Ik zit hier vanuit mijn werk bij de PGGM, die wel tijdig een partnerpensioen had, al sinds januari '88. Maar bij het ABP, nota bene het fonds van de overheid die eigenlijk het goede voorbeeld zou moeten geven, duurde het tot '94 tot het werd ingevoerd.
Ik wist toentertijd dat ik geen enkele kans maakte op een ABP-nabestaandenpensioen. Op een moment dat überhaupt al treurig is, merk je dat de samenleving niet of nauwelijks compassie met je heeft. De buurvrouw, die ook verweduwd is, zit eigenlijk mijn pensioen op te vreten. Dat vind ik wrang. Vooral omdat die pensioenfondsen steeds met het woord solidariteit hebben gestrooid. Shitsolidariteit! Het is gewoon heteroseksuele gezinssolidariteit. Ondersteund door de werkgevers en door de vakbonden, want de vakbonden hebben wat dat betreft ook boter op hun hoofd. Die zitten in het bestuur van zo'n pensioenfonds en hebben al die tijd verzuimd om bij de maatschappelijke realiteit aan te sluiten.
Een aantal mensen heeft het nog met een klacht bij de Commissie Gelijke Behandeling geprobeerd. Maar in de Algemene Wet Gelijke Behandeling, die sinds 1 september 1994 van kracht is, is onder druk van de pensioenlobby een uitzondering gemaakt voor de burgerlijke staat bij pensioenvoorzieningen. Discriminatie van ongehuwden bij nabestaandenregelingen is daardoor buiten de wet gehouden.
Elk jaar roep ik namens het COC tegen de Kamer dat het de schande van de eeuw is dat paren die al dertig, veertig jaar bij elkaar zijn, geen cent partnerpensioen kunnen krijgen omdat de partner de 65 gepasseerd was op het moment dat het fonds die regeling eindelijk invoerde. Ik vind het ronduit een schandvlek op de politiek dat ze dat hebben laten gaan en een schandvlek op het ABP zelf omdat ze op geen enkele manier hebben gepoogd toch iets voor die groep te regelen.’
NOG IEMAND die buiten de boot viel, maar bij een ander pensioenfonds, is Aart van Kruiselbergen. Hij woonde 28 jaar samen met zijn vriend Van Eck, die ruim 35 jaar werkzaam was bij Shell. In 1967 ging Van Eck met pensioen. Van Kruiselbergen: 'Ik werkte als kunstschilder en waar mijn inkomen zeer onregelmatig was - en is -, werd ik altijd financieel gesteund door mijn vriend. Na zijn overlijden in mei 1985 hield zijn pensioen op omdat er destijds geen partnerpensioenregeling bestond. Behalve het vreselijke verlies van mijn levenspartner betekende dit voor mij een financiële ramp. Ik schreef het Shell Pensioenfonds en verzocht of zij wellicht toch een regeling voor mij konden treffen. Ze antwoordden dat er geen pensioen kon worden uitbetaald, maar dat Shell in een geval als het mijne, namelijk bij “een langdurig vaste relatie”, als regel twee maanden pensioen van de overleden huisgenoot uitkeert.
Per 1 maart 1994 stelde het Shell Pensioenfonds eindelijk een partnerpensioenregeling in werking en een vriend van mij besloot het nogmaals voor mij op te nemen. Hij schreef Shell of het mogelijk zou zijn ook mij alsnog een partnerpensioen toe te kennen. Mijn overleden vriend had immers gedurende zijn loopbaan volledige pensioenpremies betaald zonder dat daar van de zijde van Shell iets tegenover stond. Zo er geen wettelijke verplichting bestond zou Shell toch zeker op morele gronden alsnog een regeling kunnen treffen. Het fonds weigerde op formele gronden.
Ik informeerde toen bij de Verzekeringskamer of het verboden is voor een fonds om een vrijwillige regeling te treffen voor nabestaanden van “te vroeg” overleden pensioengerechtigden. Dat bleek niet het geval. De algemeen directeur van het Shell Pensioenfonds, de heer C.J. van Rees, schreef daarop dat het alsnog uitkeren van een pensioen aan de bedoelde groep nabestaanden “ons genoopt zou hebben aanzienlijke extra financiële reserveringen te plegen”. Deze opmerking lijkt meer op die van een half bankroete kruidenier dan van een van de rijkste pensioenfondsen ter wereld.’
Het Shell Pensioenfonds wilde geen indicatie geven van het bedrag waar het in het geval van Van Kruiselbergen om zou gaan: 'Het heeft ook geen zin om dat te berekenen, want daar is geen grond voor. Wij vinden het niet correct om een beroep te doen op een regeling die vier jaar geleden is ingegaan en terugslaat op een geval dat weer negen jaar daarvoor plaatsvond.’
VOLGENS KEES WAALDIJK, universitair docent gespecialiseerd in homorecht aan de Leidse rechtenfaculteit en lid van de Nederlandse Gezinsraad, zijn er in elk geval drie groepen schrijnende gevallen die bij de invoering van partnerpensioenen tussen wal en schip zijn gevallen.
De eerste is de groep mensen wier partner is overleden voordat het betreffende pensioenfonds een partnerpensioen invoerde. Van Kruiselbergen en Van der Linden behoren tot deze groep gedupeerden. Waaldijk: 'Hoewel de Nederlandse overheid al in 1983 een algemeen discriminatieverbod opnam in de grondwet, werd daarop in 1994 een uitzondering gemaakt voor onderscheid naar burgerlijke staat bij pensioenregelingen. Zowel samenwonende hetero’s als homo’s werden hier de dupe van, maar de regeling pakte voor homostellen extra nadelig uit, omdat zij nooit een overwogen keuze konden maken tussen trouwen of samenwonen.
De tweede pechgroep is die van de gepensioneerden. Of zij aanspraak kunnen maken op de nieuwe partnerregeling verschilt per pensioenfonds. Bij het ABP zijn gepensioneerden buiten de regeling gehouden. Dat is wrang omdat deze groep wel altijd voor het nabestaandenpensioen van gehuwden meebetaalde.’ Jansen en Lammens kunnen daarover meepraten.
Waaldijk: 'Ten derde zijn er de mensen die nu nog in leven zijn (werkend of gepensioneerd), maar in een fonds zitten dat nog steeds niet in een partnerpensioenregeling voorziet. Door de partnerregistratie die sinds begin dit jaar bestaat, maken ze aanspraak op gelijkstelling met gehuwde paren, maar vaak slechts in beperkte mate. Het staat de pensioenfondsen namelijk vrij te bepalen dat de nabestaandenuitkering alleen betrekking heeft op de na 1 januari 1998 betaalde premies. Pas per 1 januari 2000 zijn alle pensioenfondsen verplicht te voorzien in een partnerpensioen, maar ook dan nog willen veel pensioenfondsen dat alleen laten gelden voor de premies die vanaf die datum betaald zullen worden.’