Shoah-kitsch

Hoe confronteert men jongeren met de Tweede Wereldoorlog en in het bijzonder met de massale vernietiging in de concentratiekampen? Aldus Uitgevers in Den Bosch vertaalden, met steun van Brabant Bevrijd 50, een aantal nogal gruwelijke ooggetuigeverhalen van de Poolse schrijver Zofia Nalkowska. Hoe schokvrij zijn de nieuwe lezers inmiddels na vele malen daags een stevige portie geweld? In zijn losbladige inleiding bij de vertaling van Medaillons weegt de onderwijskundige Ido Abram de voors en tegens van de confrontatie met gruwelijkheden. Hoe extremer de verhaalde gruwelijkheden, hoe groter de kans dat de jonge lezer ze als iets uitzonderlijks ervaart dat met niets te vergelijken valt of waarmee vergeleken andere vormen van onrecht kunnen worden gebagatelliseerd als ‘klein(er) leed’. Maar vergelijkingen met discriminatie en racisme nu, zeker als die tot conclusies over universele eigenschappen van de mens leiden, kunnen het zicht op het uitzonderlijke van de Endlosung ontnemen. En dat uitzonderlijke was niet de extreme wreedheid of de industriele organisatie van de vernietiging maar de selectie van de slachtoffers op grond van hun geboorte.

Een gewaagde onderneming noemde ik vorige week de uitgave van Medaillons: hoe deze extreme feiten te plaatsen in het ‘normale leven’ van tien jaar nationaal-socialistische terreur, hoe dat alles vanuit de wereld van nu te verklaren, en dat aan scholieren? Over het trekken van lessen kunnen we het maar beter niet hebben - terecht stelt Ido Abram dat daarvoor 'een breder kader’ nodig is, de vraag is alleen hoe dat eruit ziet. Op initiatief van de universiteit van Parijs verschijnt jaarlijks voor het geschiedenisonderwijs een tijdschrift Les Cahiers de la Shoah (Editions Liana Levi). In de laatste aflevering een artikel over de moeilijkheden bij het lesgeven over de Shoah, een nuchter stuk van een leraar die uit jarenlange ervaring spreekt. Laat het begrip toch vooral niet overspoelen door emotie, waarschuwt hij. Over het dilemma 'verschillen en onvereenkomsten’, 'vergelijken en relativisme’ zegt de auteur dingen waarmee leraren meer zouden kunnen doen dan met de vragen van Abram, die nogal eenzijdig op de gruwelijkheid zijn gericht.
Als ik daarmee niet het belangrijke werk van een historicus als Lawrence L. Langer onrecht zou doen, van wie zojuist de bundel Admitting the Holocaust verscheen, zou ik het gebruik van het woord 'holocaust’ als testcase laten gelden voor wat zinnig en onzinnig is op dit gebied. Als afschrikwekkend voorbeeld van wat Ido Abram als 'breder kader’ aanbeveelt, wil ik wijzen op het boek Het kwaad en de gedachteloosheid (Ambo) van Jet Isarin, docent filosofie aan de Hogeschool van Amsterdam. 'Een beschouwing over de holocaust’ - en weer wordt het woord klakkeloos gebruikt; evengoed had zij kunnen zeggen: 'over het ergste’. Feiten zijn bij Isarin ver te zoeken, daarentegen staat haar boekje bol van de meningen en meer nog van sentiment. 'Aan de ene kant is er de idee niet het recht te hebben de holocaust met mijn naoorlogse verbijstering aan te raken.’ 'De mens is tot alles in staat en dus ben ik tot alles in staat.’ Aldus twee zinnen uit het slotwoord, na vijf hoofdstukken vol hoogdravende spreuken over goed en kwaad, de SS'er in ieder van ons, de verbondenheid tussen onze beschaving en de barbarij enzovoort. Dat alles gebaseerd op enkele aan Arnoni, Jaspers, Hannah Arendt, Adorno en Kundera ontleende slagzinnen. Alleen al de inleiding zou mooi materiaal zijn voor een taalles: de ene passieve zin na de andere, of zinnen met als onderwerp de holocaust, het kwaad of 'de inherente vernietigingskracht van de wet van het zelfbehoud’. Kennelijk is het ontzag zo groot voor 'de hel op aarde’, dat ze geen ik meer kan zeggen. Dat compenseert ze door praktisch elke zin te voorzien van emotionele en morele kwalificaties. Waarbij zij ook nog eens namens mij spreekt, wij die onze onschuld verloren nog voordat we pap konden zeggen. Filosofische kitsch: 'De afgronden die zich in nazi-Duitsland openden, zullen nooit beschreven of overgedragen kunnen worden. De geur van brandend mensenvlees ligt blijvend opgeslagen in het geheugen van de overlevenden. Wat rest ons, behalve verbijsterde sprakeloosheid?’