FILM

Shock and awe op het schoolplein

In A Better World

Een centraal motief in In a Better World, waarmee de Deense cineast Susanne Bier eerder dit jaar de Oscar voor beste buitenlandse film won, is de onmogelijkheid van onschuld. Een confronterende gedachte: in het verhaal worden twee vriendjes van een jaar of tien, Elias (Markus Rygaard) en Christian (William Jøhnk Nielsen), meegesleurd in een cyclus van wraak en weerwraak. ‘Het is net oorlog’, zegt Christian, 'je moet gewoon als eerste slaan. En je moet het hardst slaan.’
Conflict, shock and awe, dus. Maar de enige die hier in shock zijn, zijn de kinderen zelf. Veel van het geweld is van hen afkomstig. Beiden zijn getraumatiseerd: Elias doordat zijn ouders Anton (Mikael Persbrandt), een arts die vaak in Afrika werkt, en Marianne (Trine Dyrholm), bezig zijn van elkaar te scheiden, en Christian doordat zijn moeder recent overleden is en zijn vader, Claus (Ulrich Thomsen), daarna nauwelijks aandacht voor hem heeft. Betekenisvol is dat beide vaders betrokken zijn bij geopolitieke en economische vraagstukken. Anton wordt gedurende bepaalde periodes van het jaar dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van een bloedige stammenstrijd in Kenia en Claus is een zakenman die, zo valt aan te nemen, direct te maken heeft met de repercussies van de internationale kredietcrisis.
Zo krijgt In a Better World naast de psychologische karakterontwikkeling bij de hoofdpersonages een geëngageerde dimensie die het werk een meerwaarde geeft. Bijzonder effectief is het schoolplein als allegorische locatie voor het uitvechten van conflicten. Wanneer Christian op zijn nieuwe school ziet dat Elias het slachtoffer wordt van de plaatselijke pestkop reageert hij koel en berekenend. Hij takelt de jongen zo erg toe dat die bijna blind wordt. Vanaf dat moment zijn Christian en Elias boezemvrienden. De vraag is of hun invloed op elkaar wel zo fris is. Immers, ze zijn allebei beschadigde kinderen. Het blijkt een explosieve combinatie waarbij het stereotiepe beeld van het onschuldige kind volledig onderuit wordt gehaald.
Daarmee krijgt de morele visie van regisseur Bier ook gestalte: schuld als een gegeven in deze wereld, waarbij het aan de leiders (ouders) is om ervoor te zorgen dat er uitzicht is op een betere toekomst. Winst is dat Bier deze visie op geen moment op een prekerige wijze of stroperige manier in beeld brengt. Ze toont dat je doeltreffend door plot of verhaalstructuur en vooral door karakterontwikkeling een betoog ten gunste van een bepaalde moraliteit kunt ontwikkelen. Hierin ligt ook de grote kracht van de film: de grote thema’s bevinden zich onder de oppervlakte. Dat geeft film een spannende, broeierige kwaliteit. De onderhuidse conflicten zijn vanaf de eerste scène voelbaar dankzij de frenetieke cameravoering en montagestijl. Zo wordt een sfeer gecreëerd die de onzekere, gefragmenteerde gemoedstoestand van de hoofdpersonages communiceert.
In a Better World is een sterke, politieke film die mij doet denken aan Dear Wendy (2005), een schromelijk ondergewaardeerde film van een andere Deense filmmaker, Thomas Vinterberg. Ook hier belanden kinderen in allegorische situaties waarin ze met volwassen emoties en motieven worden geconfronteerd. En vooral ook met het pacifisme. Het lijkt alsof zowel Vinterberg als Bier juist het kind als symbool van hoop en onschuld wil onderzoeken. En het feit dat ze in beide gevallen van een koude kermis thuiskomen levert ontregelende kijkervaringen op. Een betere wereld, nee.

In a Better World is recent op het International Filmfestival Breda in première gegaan en is vanaf 7 april overal te zien