Shock-strategen

Het strijdperk voor de cultuuroorlog tussen New-Yorks burgemeester Giuliani en het Brooklyn Museum heeft zich verplaatst van de media naar de rechtbank. Daar zal de onenigheid nog wel even doorsudderen, intussen een legertje advocaten rijker makend.

Maar niet alleen advocaten profiteren van de rel over de tentoonstelling Sensation, die op 2 oktober opende ondanks Giuliani’s dreigement het museum uit zijn gebouw te zetten. Voorlopig is het voor alle betrokkenen een succes. Het Brooklyn Museum is er eindelijk in geslaagd een breed publiek ervan te overtuigen dat ook buiten Manhattan kunst wordt getoond die een bezoek waard is. Niet alleen kunstliefhebbers komen nieuwsgierig kijken naar wat Giuliani zo deed zieden - de dode beesten, de Heilige Maagd met een borst van olifantenmest -, ook Giuliani zélf kan tevreden zijn. Zijn uitval kreeg enorm veel media-aandacht, gratis reclame bij de conservatieve kiezers van upstate NewYork, die hij nodig heeft om volgend jaar te worden gekozen als senator.
Het museum en de burgemeester profiteren derhalve van elkaar. En reclamemagnaat Saatchi, de eigenaar van de Sensation-expositie, profiteert op zijn beurt van beiden.
Wat alle betrokkenen, waarbij inbegrepen de Britse kunstenaars wier werk de aanleiding is voor de rel, bindt, is hun talent om te shockeren. Giuliani is een shock-politicus. Hij geniet ervan om ‘het intellectuele establishment’ op stang te jagen. In een groot land dat bol staat van de ambitieuze politici is shockeren soms de beste tactiek om opgemerkt te worden. Giuliani heeft zich al zo vaak in de kijker gewerkt dat hij wordt genoemd als presidentskandidaat.
Het is een probleem waarmee reclamemensen vertrouwd zijn. De consument wordt door zoveel stimuli overspoeld dat alles van hem afglijdt. Om in de kakofonie van verleiders nog gehoord te worden, is de shock-strategie vaak de beste strategie, ook omdat ze in de media een echo krijgt die de opdrachtgever geen cent kost.
Vraag maar aan Benetton. Ook het artistieke overaanbod is zo groot dat sommige kunstenaars naar extreme middelen grijpen om faam - en dus een hogere marktwaarde - te verwerven. Het is niet meer zo gemakkelijk om de dikhuidige goegemeente te shockeren als in de tijd van Manets schilderij Déjeuner sur l'herbe, maar Damien Hirst en anderen in de Sensation-tentoonstelling hebben bewezen dat het nog kan, ook al moeten ze er beesten voor in stukken snijden en op sterk water zetten. Het lijkt niet toevallig dat uitgerekend een reclameman hun werk verzamelt. Net als sterke reclame dwingt deze kunst tot kijken. De verleiding is ogenblikkelijk, maar als je het gezien hebt, heb je het gezien. Er zijn geen diepere lagen die zich langzaam openbaren; er komt geen intrige aan de oppervlakte als je het werk voor de tweede keer ziet.
Toegegeven, in Saatchi’s collectie zit ook werk met meer diepgang. Van Rachel Whiteread bijvoorbeeld. Maar het gaat in deze tentoonstelling niet over de artistieke waarde, ook niet voor het Brooklyn Museum. Als het museum een overzicht had willen geven van de kunst die op dit moment in Engeland wordt gemaakt, zou het daartoe een onafhankelijk curator hebben aangesteld. In plaats daarvan toont het nu plompweg een privé-collectie - en verhoogt en passant de marktwaarde ervan -, juist omdat de show in Londen en Berlijn zijn shockwaarde bewezen had.
Artistieke waarde is ook niet waar het om gaat in het debat over de tentoonstelling. Als je een museum de bevoegdheid geeft tentoonstellingen te organiseren, moet je het smakeloze mét het sublieme accepteren, doorgesneden koeien en olifantenmest inbegrepen, en die bevoegdheid niet intrekken als je smaak wordt beledigd. Doet de overheid dat wel, dan bedrijft ze censuur, cultureel totalitarisme.
Er zijn genoeg redenen om de goeroes van de kunstwereld te wantrouwen. Maar hun bevoegdheid overhevelen naar betuttelende politici zoals Giuliani is een alternatief dat meer doet huiveren dan de rottende koeiekop van Damien Hirst.
De censuurkwestie verdwijnt, zeggen conservatieven, als de overheid alle cultuursubsidies schrapt. Laat de kunstwereld op eigen benen staan. Dat is een standpunt dat Giuliani niet kan steunen; musea zijn een te belangrijke toeristische trekpleister voor New York. Maar het idee wint veld in Amerika, onder impuls van twee stromingen: de 'freemarketeers’, die niet rusten alvorens alles geprivatiseerd is, en de culturele conservatieven, die politiek gewin zoeken met aanvallen op gedegenereerde kunst, homoseksualiteit en andere zaken die velen niet begrijpen en daarom verfoeien.
Door hun gezamenlijke offensief is het budget voor de NEA, de federale institutie die cultuur subsidieert, stelselmatig afgebouwd. Een museumdirecteur in Cincinnati werd in 1989 gearresteerd en voor de rechter gedaagd wegens een retrospectief van fotograaf Robert Mapplethorpe. De Library of Congress moest in 1995 een tentoonstelling ontmantelen over het leven van slaven in de plantages, en in 1996 een expositie over Freud sluiten. Een tentoonstelling over het bombardement van Hiroshima in het Smithsonian Institute onderging in 1995 hetzelfde lot. Sindsdien heeft het Smithsonian, het grootste museum van het land, verscheidene projecten geschrapt omdat ze te controversieel waren. Dat is het grote gevaar van stunts als die van Giuliani: ze wakkeren de zelfcensuur aan. Het is veelzeggend dat geen enkel museum heeft geprotesteerd tegen Giuliani’s hetze. Ze zijn te bang om hun eigen subsidies te verliezen. De trend om controverses te schuwen en zich toe te leggen op veilige, winstgevende retrospectieven van lang overleden schilders dreigt zich nog verder door te zetten.