Journalisten en jihadisten

Shockeren voor Allah

Journalisten geven de radicale en wrede propaganda van IS-discipelen meestal ongefilterd door. Wie gebruikt wie? ‘U kunt mij altijd bellen voor een shockerende quote.’

Medium isis

In mei 2012 had ik de Antwerpenaar Abu Imran (32) aan de telefoon. Imran, geboren als Fouad Belkacem, is een prediker met een cultstatus in het Belgisch en Nederlands jihadistisch milieu. Tussen 2010 en eind 2012 stond hij aan het hoofd van het inmiddels opgeheven Sharia4Belgium dat de islamisering van België nastreefde. De organisatie kreeg een vertakking in Nederland, Sharia4Holland, dat ook slechts twee jaar heeft bestaan. Momenteel zit Imran vast in een Belgische gevangenis op verdenking van het ronselen van islamitische jongeren voor de jihad.

Imran gelooft in veel dingen, en zeker ook in de mediawijsheid dat er niet zoiets bestaat als slechte publiciteit. Sinds zijn opkomst in 2010 scoort hij geregeld in de media met zijn grove uitspraken. ‘Wilders, denk je niet dat er een moslim zal zijn die op een dag jouw larie beu zal zijn en zal doen wat Mohammed Bouyeri heeft gedaan?’ Deze mediastrategie heeft hij afgekeken van zijn Britse leermeester Anjem Choudary (47), moslimextremist en voormalig advocaat, die al meer dan tien jaar een groep Europese geestverwanten inspireert. Vorige week werd Choudary enkele dagen gevangen gehouden op verdenking van het aanmoedigen van terrorisme. Hij is nooit te beroerd om media aan een verontrustende quote te helpen. ‘Hij is gestorven als een ongelovige’, zei Choudary tegen The Sun over Lee Rigby, een Britse soldaat die in 2013 vermoord werd door twee moslimextremisten. ‘Ik kan geen medelijden met hem hebben. Hij zal branden in de hel.’

De discipelen van Imran en Choudary van Sharia4Holland opereerden dus in een weloverwogen traditie toen ze op 25 mei 2012 op klaarlichte dag bij het Nationaal Monument in Amsterdam een persconferentie hielden om de sharia te propageren. Ook werd er gesproken over de ‘hond van de Romeinen’ Geert Wilders. ‘Trek lering uit het geval van Theo van Gogh’, werd hem medegedeeld.

Het gezelschap op de Dam bestond uit vijf man. Een van hen was Anjem Choudary, die voor de gelegenheid uit Engeland was overgekomen. De radicale uitspraken veroorzaakten paniek bij politici en bestuurders. Minister Opstelten van Justitie waarschuwde voor het geweldsrisico van Sharia4Holland-leden. De Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan liet weten dat hij een verbod overwoog op demonstraties bij het Nationaal Monument.

Imran stuiterde van blijdschap, toen ik hem belde. ‘Zeg eens eerlijk, is dit niet een geweldige pr-stunt van ons? U bent van de media, u kunt hier eerlijk over oordelen: is dit niet pr op z’n best?’ Ook buitenlandse media hadden hem weten te vinden: ‘Japan, Zuid-Korea, Duitsland en nog veel meer.’ Aan het slot van zijn monoloog deed hij een aanbod: ‘U heeft mijn telefoonnummer. U kunt mij altijd bellen als u uw carrière een boost wilt geven. Ik kan u zo aan een shockerende quote helpen.’

Mediageil, noemde ik Imran destijds. Ik vergeleek hem met Faizel Enait en Izz-ad-Din Ruhulessin, twee in de vergetelheid geraakte islamitische clowns om wier antiwesterse uitspraken het altijd fijn griezelen was. Ze dienden vooral zichzelf en de tv-programma’s waar ze altijd welkom waren.

Imran bleek echter van een ander slag. Hij behoort namelijk tot de jihadistische tak van het salafisme, een puristische stroming in de islam. Belangrijk onderdeel van het salafisme is de da’wah, prediking, het verspreiden van de zuivere islamitische boodschap en het winnen van zieltjes. Door de straat op te gaan en de media op te zoeken hoopt Imran een zo breed mogelijk publiek te vinden voor zijn boodschap. ‘Zoals Bart De Wever of Filip Dewinter gebruik ik ook provocatie’, schrijft Imran in een brief die hij onlangs vanuit de gevangenis aan geestverwanten stuurde. ‘Onze strategie werkt’, vertelde hij mij tijdens het telefoongesprek. ‘Kijk maar: ik heb u niet gebeld, u belt mij.’

Het is een pijnlijke conclusie: de media laten zich door Imran heel gemakkelijk gebruiken als doorgeefluik voor zijn boodschap. Zijn mediastunts zijn een vorm van da’wah, prediking, waarmee hij gratis en voor niks een miljoenenpubliek bereikt. Niet slecht voor iemand die het gezicht was van een marginale beweging van hooguit een paar honderd man.

Media en de subjecten daarvan staan vaker in een ingewikkelde verhouding tot elkaar. Wie gebruikt wie? In het geval van de radicale islam is de pr haast een wezensonderdeel van de leer, en dat moet journalisten extra alert maken.

Dat geldt zeker bij de bliksemsnelle opmars van Islamitische Staat. Niet alleen burgers en regeringen werden overvallen door deze bloeddorstige kalifaatstrijders. Ook media hadden het nakijken. Islamitische Staat handelde sneller dan de journalistiek kon reflecteren en dus werden we overspoeld met gelikte videoproducties en foto’s van massa-executies en onthoofdingen.

‘Een voorpagina die je eigenlijk niet wilt publiceren’, twitterde Peter Vandermeersch van NRC Handelsblad op 20 augustus. De voorpagina die dag werd in beslag genomen door een beeld uit de onthoofdingsvideo van de Amerikaanse journalist James Foley. De Volkskrant publiceerde een dag later eenzelfde foto, binnen in de krant. De discussie over het beeldmateriaal kwam pas op gang nadat de kranten tot publicatie waren overgegaan. Fungeren de kranten niet als doorgeefluik voor de IS-propaganda? In hun rubrieken verdedigden de ombudsman van NRC en de ombudsvrouw van de Volkskrant de keuze van hun krant met het argument dat deze beelden het huiveringwekkende gezicht van IS laten zien.

Een ander argument werd gehanteerd door internationaal persbureau afp, dat geen bewegende beelden toonde die door IS waren geleverd, maar wel stills uit dit propagandamateriaal ‘omdat er nu eenmaal geen journalisten meer zijn in het onveilige Syrië en Irak’.

Het Belgische VRT Nieuws maakte een radicalere keuze: het besloot niets van het IS-propagandamateriaal uit te zenden. ‘IS heeft een bedoeling met de gruwelbeelden: angst zaaien, terreur verspreiden’, schrijft hoofdredacteur Björn Soenens in een blog. ‘Wij moeten geen megafoon willen zijn van de gruwel.’

Deze gevolgtrekking – IS-materiaal is propaganda en dus niet publicabel – ging kranten als de Volkskrant en NRC Handelsblad te ver. De ombudsman van NRC vond publicatie van de beelden acceptabel omdat er genoeg context werd gegeven. De ombudsvrouw van de Volkskrant volgt een vergelijkbare lijn: ‘Veel nuttiger is het de mechanismen van propaganda duidelijk te maken’. Als kranten propaganda als criterium gaan gebruiken om iets wel of niet te publiceren, begeven ze zich op glad ijs, vindt de ombudsvrouw. ‘We weten niet eens zeker wat IS met deze propaganda wil bereiken.’

De pr-doelstellingen van IS zijn echter klip en klaar. De organisatie stelt zichzelf nu graag voor als het slachtoffer van Amerikaanse bombardementen, maar heeft deze voortdurend uitgelokt. Al in juli 2012 tart de leider van IS, Abu Bakr al-Baghdadi, de Verenigde Staten in een audioboodschap: ‘Onze oorlog met jullie is pas begonnen, wacht maar af.’ Afgelopen januari herhaalde hij dit dreigement: ‘Je (Amerika – hb) zult in directe confrontatie met ons komen – je zult daartoe gedwongen worden, als Allah dat wil. De zonen van de islam hebben zichzelf voorbereid op deze dag.’ Afgelopen juli verklaarde al-Baghdadi dat IS zal doorstoten tot Rome en de rest van de wereld. En begin augustus liet een IS-woordvoerder weten dat IS de zwarte vlag van de islam op het Witte Huis wil planten.

Het zijn propagandateksten die een reactie willen uitlokken. Daarmee volgt IS een strategie die tien jaar geleden is ontwikkeld. Rond 2004/2005, toen het mondiale jihadisme het onderspit dreigde te delven in de war on terror, bogen jihad-ideologen zich over de vraag hoe het jihadisme te vernieuwen. Een ideoloog met het pseudoniem Naji Bakr publiceerde eind 2004 op jihadistische webfora het document Het beheer van wreedheid, dat in de jaren daarop uitgebreid in het internationale jihadistische milieu bediscussieerd is. Het beheer van wreedheid is een handleiding hoe een kalifaat te stichten. Het adviseert infrastructuren te vernietigen en regeringslegers te desoriënteren met terreuraanslagen. Landen zullen in chaos vervallen. Er zal willekeurige wreedheid heersen. Jihadisten moeten in het machtsvacuüm springen dat daarop volgt. Bakr betoogt dat media een belangrijk instrument zijn om de angst en terreur te verspreiden.

Kenners van terrorismenetwerken geloven dat IS op z’n minst bekend moet zijn met het werk van Bakr. Ze zien de invloed van Het beheer van wreedheid onder meer terug in de vluchtelingenstroom die op gang komt als de jihadisten in aantocht zijn. Toen een reeds verzwakt Iraaks leger de steden Mosul en Tikrit in juni ontvluchtte, gebeurde dat met name omdat de soldaten direct of indirect bekend waren met het gruwelijke propagandamateriaal van IS.

Bakr betoogt ook dat jihadisten met hun wreedheid grote vijanden als Amerika kunnen tarten en naar het slagveld kunnen lokken. Zo’n strijd is essentieel voor jihadisten. Daarmee kunnen ze zich nog beter profileren als kalifaatstrijders. Hij houdt er ook rekening mee dat de jihadisten in eerste instantie vanuit de lucht bestookt zullen worden door drones en straaljagers. Maar zulke bombardementen zullen niet genoeg zijn om de kalifaatstrijders voorgoed te breken. Daarvoor zullen toch grondtroepen nodig zijn.

Hiermee voorspelt Bakr met bijna griezelige precisie de ontwikkeling die nu gaande is. IS heeft sinds 2012 in woorden het Westen getart. Ze heeft telkens de escalatie gezocht. Met de geëtaleerde wreedheid in de recente gruwelpropaganda heeft IS definitief de gewenste strijd met Amerika afgedwongen. Het gevecht met Amerikaanse grondtroepen lijkt ook dichterbij te komen. De bombardementen van de afgelopen zes weken hebben de opmars van IS tot stilstand gebracht, maar IS is nog lang niet vernietigd. Enkele Amerikaanse legerleiders en politici hebben al voorzichtig betoogd dat daar wellicht toch grondtroepen voor nodig zijn.

Een paar klikken en je vindt een ‘Abu’-vul maar in, die met een AK-47 of een afgesneden hoofd poseert in een Iraakse woestijn

‘Media is half of jihad’ luidt een populaire slogan in internationale jihadistische kringen. Dit geldt zeker voor de Nederlands-Afghaanse Maiwand al-Afghani (21). Toen begin vorig jaar bekend werd dat minimaal honderd Nederlandse moslimjongeren naar Syrië waren afgereisd voor de jihad kwam al-Afghani bovendrijven als vertegenwoordiger van het Nederlands jihadistisch milieu. Hij hield zich op in kringen van Sharia4Belgium, Sharia4Holland en andere organisaties die een grote groep jihadisten hebben afgeleverd. Ik interviewde hem over de achtergrond en motieven van deze jongeren. Zijn met islamitische terminologie doorspekte uitspraken gebruikte ik om inzicht te geven in de taal die de gedachtegang van deze jongeren vormt. Na publicatie, en na andere mediaoptredens, verdedigde al-Afghani zich op Facebook voor zijn alomtegenwoordige media-aanwezigheid met het argument dat hierdoor de boodschap van een ‘zuivere islam’ zo veel mogelijk mensen kan bereiken.

Vorige week woensdag was hij te gast op een debatavond in debatcentrum De Nieuwe Liefde (Amsterdam) om te spreken over de motieven van Nederlandse jihadisten. Hij was de laatste gast, de publiekstrekker. Nadat hij de zuivere islam had verdedigd – waar volgens hem het jihadisme onderdeel van is – kreeg hij de vraag waarom hij nog in Nederland is en niet in Syrië of Irak om de jihad te vechten. Hij antwoordde: ‘Als ik op jihad zou zijn, wie zou dan hier de waarheid verkondigen?’

Medium isis2

De wortels van het jihadistisch-salafistisch milieu in Nederland liggen in Den Haag. Het is ontstaan uit de samenkomst van enkele streng-islamitische factoren. De belangrijkste is de Haagse As-Soennah-moskee. In deze moskee predikt tot 2012 de populaire salafistische imam Fawaz Jneid. Aan het begin van het vorig decennium komt Jneid geregeld in opspraak vanwege zijn provocerende preken, die hij in de media graag toelicht. De moskee heeft ook een website, al-yaqeen.nl, waar de controverse evenmin geschuwd wordt. Later veranderen Jneid en de As-Soennah-moskee van koers, de boodschap naar de buitenwereld wordt gematigder.

Het stokje is dan overgenomen door een groep vooral Haagse jongeren die geen concessies willen doen in hun overtuiging en hoe die over te brengen. Dit milieu begint vanaf 2010 verknoopt te raken met de jihadistisch-salafistische wereld van Antwerpen. In oktober 2011 komt deze Belgisch-Nederlandse alliantie in Den Haag samen om te demonstreren tegen een aanstaand boerkaverbod. De demonstratie is georganiseerd door Behind Bars, een collectief van voornamelijk Haagse jongeren die opkomen voor moslims die gevangen zitten op verdenking van terrorisme. Om aandacht voor de demonstratie te trekken, verspreidt Behind Bars een flyer met de tekst ‘De oorlog is begonnen!’ Tijdens de demonstratie worden zwarte vlaggen gehesen, de rayat-al-sawda, die onlosmakelijk verbonden zijn met het jihadisme. Vrouwen worden afgeschermd van mannelijke journalisten.

Een van de demonstranten is Mourad Massali, die in 2013 als jihadist omkomt in Syrië. Hij draagt een zwart sportjasje waarop staat ‘Soldier of Allah’. Hij wordt om die reden enkele keren op persfoto’s vastgelegd. Er worden islamitische slogans in het Arabisch geroepen ‘Takbir! Allah Akbar!’ (‘Allah is de grootste’). Rond gebedstijd vormen de aanwezige mannen twee rijen om te bidden. Door de profilering als radicale moslims slaagt het gezelschap erin de nodige media-aandacht te trekken.

De onderlinge contacten tussen deze radicale moslims worden intussen hechter. Ze richten Straat Dawah op. Het idee is de straat op te gaan en da’wah te doen, mensen tot hun versie van de islam uit te nodigen. In 2012 worden ze geportretteerd door de Evangelische Omroep terwijl ze prediken in Urk, bastion van het gereformeerde geloof. In dit programma debuteren twee van de meest mediagenieke figuren uit dit milieu: Abou Moussa en Abdelkarim Honing. Vooral Abou Moussa laat geen mogelijkheid onbenut om te provoceren. Hij noemt Nederland ‘hoofdstad van ongeloof, ketterij, pedofilie, homofilie, drugs’. Hij verdedigt ook geweld: ‘Ik denk dat ik voor mijzelf kan spreken en de islam in het algemeen, wij hebben een defensieapparaat, als dat zijn werk doet binnen de islamitische grenzen staan wij daar onvoorwaardelijk achter.’ De plaatselijke pvv-fractie en de landelijke fractie van de sgp tonen zich bezorgd. Die laatste partij stelt Kamervragen over de dreiging die Straat Dawah vormt.

Enkele maanden later blijkt hoe ver de mediawijsheid van dit jihadistisch-salafistisch milieu is geëvolueerd. Ze organiseren op 16 september 2012 een demonstratie op het Amsterdamse Museumplein om te protesteren tegen de film The Innocence of Muslims, die ze als blasfemisch beschouwen. Er komt een honderdtal jongeren uit Nederland en België op af. Denigrerende retoriek over ‘ongelovigen’ die ‘in de hel zullen branden’ wordt gecombineerd met het vertoon van zwarte vlaggen en het omhoog houden van borden met daarop de beelden van terroristen als Osama bin Laden, Mohammed Bouyeri, Ayman az-Zawahiri. Er klinken ook slogans: ‘Obama, we are all Osama’. Het effect van de doelbewuste provocatie is precies wat de organisatoren willen: de media zijn in groten getale aanwezig en berichten uitgebreid over de demonstratie. ‘Je moet provoceren om aandacht te krijgen’, zegt Abou Moussa in Trouw.

Het jihadistisch-salafistisch milieu probeert het mediasucces te consolideren en de krachten verder te bundelen. Maar Syrië dient zich aan, de jihad roept. De mediagenieke jongens – Maiwand al-Afghani, Abdelkarim Honing, Abou Moussa – blijven achter in Nederland en werpen zich op als woordvoerder van de Syrië-gangers. Ze worden graag geziene gasten in actualiteiten- en praatprogramma’s. Honing en Moussa bemiddelen bovendien in contacten tussen pers en jihadisten die inmiddels in Syrië zitten. Hun wereldbeeld moet zo veel mogelijk verspreid en verdedigd worden. Abou Moussa gaat hierin het verst. Hij is nauw betrokken bij de site De Ware Religie, die geregeld de aandacht trekt met opruiende teksten over de jihad. Hij organiseert ook publieke bijeenkomsten waar radicale moslims luidkeels hun steun uitspreken voor Islamitische Staat.

De media-aandacht voor het jihadistisch milieu is de afgelopen anderhalf jaar, en zeker de laatste twee maanden, sterk toegenomen. Uit journalistiek oogpunt is het begrijpelijk. Het fenomeen van de jihadgang was niet eerder zo groot. Maar verkijken we ons daarbij niet op hun handige pr en hun religieuze plicht om maximale aandacht te genereren voor hun ‘ware islam’? Het jihadistisch-salafistisch milieu zet ook nu weer de provocatie als middel in. Vorige week kreeg een Syrië-ganger, Mujahiri Shaam, heel Nederland op de kast toen hij in een videoclip zijn broeders in Nederland opriep om een ‘stevige daad’ te stellen als reactie op de Amerikaanse bombardementen op de jihadistengroeperingen in Syrië. Hierna mocht Mujahiri Shaam in diverse media (RTL Nieuws, de Volkskrant) leeglopen over dit dreigement. Hij gebruikte het idioom van de prediker en nam woorden in de mond als ‘wij moslims’, ‘de vijanden van de moslims’, ‘ons pad naar Allah’ en ‘veel beproevingen’.

Waarom komen deze jongens vaak zo ongefilterd aan het woord? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit jihadistisch milieu aantrekkingskracht uitoefent op de media om zijn obscuriteit. De leden tooien zich met kunya’s, islamitische pseudoniemen (Abu Moussa, Abu Sai’ied). Hun taal is bombastisch. Ze roepen om de zin Allah aan en zijn niet zuinig met waarschuwingen – ‘O vijanden van de islam’ – die vol zitten met impliciete en soms expliciete geweldsreferenties. Daarbij gebruiken ze Arabische begrippen (takfir, jihad, taghut) die alleen al door hun barse klank een primitief, maar ook spannend beeld oproepen van premoderne oorlog.

Toegang tot dit milieu krijgen is ook minder moeilijk dan het lijkt. Althans virtueel. De leden laten overal sporen na op internet. Wie zich eenmaal over de weerzin jegens hun geweldszwangere (beeld)taal heen heeft gezet, kan zich via internet onderdompelen in dit wereldje. Journalisten die zich met de materie bezighouden en ook op sociale media actief zijn, scheppen er een eer in als eerste een tweet of een Facebook-bericht te hebben gevonden van een Syrië-ganger of van een ‘thuisblijver’ die een dreigement heeft geuit. Een paar muisklikken en je vindt weer een ‘Abu’-vul maar in, die met een AK-47 of een afgesneden hoofd poseert in een Iraakse woestijn. Het is dankbare desktopjournalistiek.

Ook internationale media vallen voor de spectaculaire aantrekkingskracht van jihadisten. Exemplarisch is het Amerikaanse VICE News. Een van hun freelancers kreeg exclusieve toegang tot IS en mocht een tijd met draaiende camera meelopen in het kalifaat. Hoofdredacteuren van VICE hebben openlijk toegegeven dat ze niet vrij waren om te filmen wat ze wilden en dat ze aan de leiband liepen van de propagandachef van IS. Niettemin heeft VICE groots uitgepakt met deze productie. Het netwerk adverteerde ruim voor de uitzending met trailers waarin IS naar voren kwam zoals ze zichzelf graag ziet: als ware gelovigen, kalifaatstrijders, die met militaire overmacht de wereld zullen herscheppen tot het thuis van alle soennitische moslims. De eigenlijke productie, die in vijf delen werd opgeknipt om het succes van de primeur over enkele dagen te kunnen uitsmeren, bevat grotendeels de spectaculaire beelden waarmee IS zichzelf het meest identificeert.

IS fascineert. Ze slaagt er ook goed in die fascinatie vast te houden door haar (sociale-)mediakanalen volop te gebruiken. Journalisten hoeven de deur niet meer uit, IS brengt het slagveld naar ze toe via tweets en YouTube-films. Op die manier heeft IS ook volledige controle over haar imago. Ze toont zich als een wrede, maar goed geoliede oorlogsmachine met een goddelijke missie. De propaganda is onmiddellijk beschikbaar, het volgende beeld is altijd gruwelijker dan het vorige, het is een horrorshow zonder einde, zonder ondergrens.

Verwacht van ons altijd het ergste, is de onderliggende boodschap van IS-propaganda. Sommige media faciliteren dat imago door klakkeloos ongeverifieerde berichten over IS over te nemen. The Guardian meldde in juli dat IS in een fatwa eiste dat alle vrouwelijke inwoners van Mosul werden besneden. In januari meldden Die Zeit en The Huffington Post dat een IS-lid verteld had dat zijn groepering zou doorstoten naar Saoedi-Arabië en het heiligdom Kaaba in Mekka zou verwoesten omdat het aanbidden van gebouwen een zonde is in de islam. In februari meldden The Daily Mail en cnn dat een Syrisch meisje gestenigd was door IS omdat ze Facebook gebruikte. Afgelopen juni meldden verschillende media, Nederlandse en internationale, dat IS in Mosul een bank had geplunderd en 400 miljoen dollar had buitgemaakt. Met dat geld zou ze haar strijders een redelijk salaris kunnen garanderen.

Al deze berichten bleken uiteindelijk niet veel meer dan geruchten, in de wereld geholpen door zowel vijanden als fans van IS, en overgenomen door media die IS zonder meer tot zulke misdaden in staat achtten. IS heeft niet gepoogd de berichten te ontkrachten. Ze passen precies in het doel van de jihadisten om chaos te creëren. Ook zij geloven dat slechte publiciteit niet bestaat.


De Groene Amsterdammer en Pakhuis de Zwijger organiseren op donderdag 9 oktober De Groene Live #3 over: Jihadisten & de media

Antropoloog Martijn de Koning en journalist Jeroen Kostense volgden Abu Muhammed negen jaar lang op zijn pad van de jihad en maakten voor De Groene een indringend profiel. Op deze avond behandelt Jeroen Kostense de dilemma’s en valkuilen bij reportages over gelovige moslimjongeren. Jihadisten journalisten: wie gebruikt wie? En: hoe beïnvloeden de onthoofdingen van collega’s je journalistieke beoordelingsvermogen?

Hassan Bahara (De Groene Amsterdammer) en Janny Groen (de Volkskrant, onder voorbehoud) doen verslag van hun ervaringen en dilemma’s.

Moderator: Margreet Fogteloo

Aanvang 20.00 uur, toegang gratis, wel aanmelden via dezwijger.nl