‘shoot! tirez! schiessen!’

Het leek zo goed te gaan met het Cambodjaanse elftal. Maar nu de voornaamste sponsor van het voetbal, prins Ranariddh, door zijn rivaal Hun Sen op de vlucht is gejaagd, ziet het er weer somber uit. En voor het wereldkampioenschap hebben ze zich ook al niet geplaatst.
Uitslagen van de kwalificatiewedstrijden: Indonesië-Cambodja 8-0. Cambodja-Jemen 0-1, Cambodja-Indonesië 1-1, Jemen-Cambodja 7-0. Oezbekistan-Cambodja 6-0, Cambodja-Oezbekistan 1-4. Oezbekistan gaat naar het WK in Parijs.
PHNOM PENH - Cambodja staat 186ste op de wereldranglijst, oftewel twee na laatste. Maar het hoopt daar spoedig verandering in te brengen. Een kwart eeuw is er niet gevoetbald in Cambodja. Toen op de Coolsingel en het Leidseplein Europacups werden bejubeld, viel het land ten prooi aan een burgeroorlog en werd de landelijke voetbalcompetitie opgeheven. En kort nadat Nederland in München de WK-finale verloor, kwamen de Rode Khmer aan de macht. ‘Voetbal is oorlog’ kreeg in die tijd een geheel nieuwe betekenis. Het sterke nationale team van eind jaren zestig, met de fameuze spits Sieng Tara, verdween op de killing fields. Daarna volgde een jarenlange bezetting door Vietnam en weer een nieuwe burgeroorlog. En toen in de Amsterdamse grachten de woonboten het begaven na de Nederlandse overwinning op de Russen, zuchtte Cambodja onder een communistische dictatuur.

Pas in 1992, toen Van Basten begon te sukkelen met zijn enkel, kwam er voor Cambodja enig licht in de duisternis. De Verenigde Naties namen tijdelijk 9het bestuur van het land over en organiseerden verkiezingen. Cambodja werd een democratie en met behulp van miljarden dollars probeerden hulporganisaties weer op te bouwen wat in een kwart eeuw kapot was gemaakt. En sinds een paar jaar zijn de Cambodjanen ook weer aan het voetballen. 1997 moet het jaar van de grote sprong voorwaarts worden: het nationale team is door de Fifa toegelaten tot de kwalificatie voor het wereldkampioenschap van 1998 in Frankrijk en ingedeeld in groep 5 van de Aziatische zone, met als tegenstanders Indonesië, Jemen en Oezbekistan.
‘Die zijn te sterk voor ons, veel te sterk. We maken geen schijn van kans’, verzekert Keo Sareth, ondersecretaris-generaal van de Cambodjaanse voetbalbond. 'Maar geef ons een paar jaar, dan gaan oude tijden herleven’, voorspelt hij in het aftandse kantoor van de Cambodjaanse voetbalbond, gevestigd in het gigantische Olympisch Stadion van Phnom Penh. In een hoek zit een secretaresse achter een oude typemachine wat voor zich uit te staren. Aan de muur achter haar hangen twee kromgetrokken vaantjes. Uit de opschriften blijkt dat de bond al in 1933 is opgericht, toen Cambodja nog een Franse kolonie was, en in 1953, blijkbaar onmiddellijk na de onfhankelijkheid, door de Fifa werd erkend. 'U ziet het’, zegt de ondersecretaris-generaal, 'we zijn een oude voetbalnatie. Voetbal is hier altijd razend populair geweest. Zelfs koning Sihanouk hield wel eens een balletje hoog. Daar zijn nog foto’s van. Maar tegenwoordig, u hebt het gemerkt: het leeft niet. De man in de straat geeft er niet om. Hij heeft er geen tijd voor. Zelfs hier in Phnom Penh hebben de meesten het te druk, simpelweg met in leven blijven.’
Dat was vroeger wel anders. Sareth: 'Tot in de jaren zeventig was er een nationale competitie. Steden als Battambang, Siem Reap en natuurlijk Phnom Penh hadden sterke teams. Onze nationale ploeg werd gevreesd. We waren toen net zo sterk als Zuid-Korea, nu toch een van de topteams in Azië. Toen de Rode Khmer kwamen, was dat voorbij. Er was nauwelijks voedsel, niemand had nog voetbalschoenen, de velden waren kapot of er lagen mijnen.’
Tot zijn knie het begaf speelde Sareth in het nationale elftal als linksback. 'Maar dat stelde niets voor. We speelden maar af en toe en dan alleen tegen landen die ook een communistische regering hadden: Vietnam, Laos, een enkele keer tegen een ploeg uit de Sovjetunie. We hebben in die tijd een enorme achterstand opgelopen.’
NEDERLAND heeft 'München '74’, Cambodja heeft 'Chiang Mai '95’. De Zuidoost-Aziatische Spelen in Thailand in 1995 hadden de comeback moeten worden van de Cambodjaanse nationale elf. Het is dan inmiddels alweer een paar jaar min of meer vrede en de bonzen gaan er voor het gemak van uit dat de ploeg van veelal ex-militairen op het slagveld zó is gehard dat het wel raad zal weten met de tegenstanders. Maar het wordt een debâcle. Voetballen blijkt iets anders dan vechten in de jungle. Bovendien vergapen de spelers zich aan de luxe in Thailand, ze verdoen hun tijd in het zwembad van het hotel. Cambodja krijgt in vier wedstrijden 36 goals tegen en maakt er niet een. Het roer moet om en gaat om.
De redding komt van een Cambodjaans-Duits cultureel uitwisselingsprogramma. Tijdens gesprekken over de invulling daarvan komt het Cambodjaanse voetballeed ter sprake. De volgende afspraak rolt uit de bus: Cambodja stuurt een traditionele dansgroep en een handjevol studenten die zich willen bekwamen in de dramaturgie, en krijgt uit Bonn een geschoolde voetbaltrainer terug.
OP 14 JANUARI 1996 landt Joachim Fickert op vliegveld Pochentong met in zijn zak een tweejarig contract en de opdracht het Cambodjaanse voetbal op te bouwen. Fickert is dan vijftig jaar oud en de officials in Phnom Penh zijn danig onder de indruk. Niet vanwege zijn verleden als voetballer (hij speelde nooit hoger dan de amateurliga), maar vooral vanwege zijn verleden als voetbalzigeuner. Hij heeft er elf jaar op zitten in Afrika als trainer van de nationale ploegen van Rwanda, Mauretanië, Benin en Congo.
'Dat bestaan heeft me mijn huwelijk gekost. Ik was negen van de twaalf maanden van huis’, vertelt Fickert nadat hij zijn Four Wheel Drive in sportieve stijl heeft geparkeerd bij het Olympisch Stadion. Hij is een kleine man, hooguit 1 meter 65, maar een en al energie. De beste man blijkt zich rot te zijn geschrokken in Cambodja. 'Na al die jaren in Afrika ben ik toch wel wat gewend. Maar het voetbal daar is veel beter georganiseerd. Er zijn genoeg velden, goede spelers en trainers. Er is ervaring. Dat ontbreekt hier totaal. Maar goed, als er geen problemen waren, zat ik hier niet.’
Om een van de problemen te illustreren, het ontbreken van faciliteiten, geeft Fickert een rondleiding door het Olympisch Stadion, waar later in de week de nationale voetbalselectie een trainingskamp opslaat ter voorbereiding op de kwalificatiewedstrijden. Het Brusselse Heizel van vóór de ramp en zelfs het Olympisch Stadion in Amsterdam nú zijn voetbalparadijzen vergeleken met deze bouwval. De gangen zijn donker en vochtig. De kleedkamers zijn onbruikbaar. Douches, kranen, toiletten en banken zijn verwijderd. Er is geen ruit heel. De trappen naar de ruimten op de eerste etage zijn gevaarlijk glibberig van het regenwater dat door het dak en langs de muren naar beneden sijpelt. Buiten verbrokkelt het beton van de steil oplopende tribunes als je er alleen al naar kijkt. De tartanbaan is hobbelig, het veld keihard, verdroogd en ongelijk. De lichtmasten hebben sinds 1965 niet meer gebrand en ook het scorebord blijkt al tijden geleden de geest te hebben gegeven. De opening in 1963 door de Franse president De Gaulle lijkt eeuwen geleden. Staand in een open, zwarte Citroën DS maakte hij een rondje om het veld, saluerend naar de tienduizenden toeschouwers op de tribune.
EEN KLEINE anderhalf jaar heeft Fickert er nu op zitten, en hij is niet ontevreden. 'Als ik naar de nationale ploeg kijk, zeg ik: niet slecht. In Singapore bij de Tiger Cup vorig jaar augustus verloren we nog maar met 0-3 van Indonesië. En tegen Vietnam kregen we bij een 2-1 achterstand een geweldige kans. Ging er niet in. Counter, pats boem: 3-1. Maar o, wat hebben die jaren van oorlog en isolement het voetbal hier een kwaad gedaan.’
Fickert begint op de vingers van zijn rechterhand de ernstigste gevolgen op te sommen. 'Ten eerste voetbalden ze hier nog zoals in begin jaren zeventig. Dus 4-3-3 en met mandekking. Een balletje hoog houden, dat konden ze wel, het leek soms wel een circus. En over inzet had ik geen klagen. Maar tactisch verkeerden ze zogezegd nog in de prehistorie; als ik het had over 4-4-2, of 3-5-2 met positiedekking, collectief aansluiten of juist zakken, knijpen, links of rechts vastzetten, keken ze of ze het in Keulen hoorden donderen. En probeer het maar eens uit te leggen zonder instructievideo’s, zonder dat spelers thuis, zoals overal ter wereld, op televisie hun voorbeelden zien spelen.’
Dan zijn er de gevolgen van jarenlange ondervoeding. 'Fysiek vond ik ze erg zwak. Geen uithoudingsvermogen. Reken maar dat voetballen slopend is in deze hitte. Dus ik leer ze wanneer en wat te eten. Niet alleen rijst maar ook groenten, fruit en vis. En liever twee biertjes ’s avonds om goed te kunnen slapen dan vijf blikjes cola.’
Verder heeft Fickert meegeholpen een nationale competitie op te zetten. Er doen tien clubs aan mee, die je met veel goede wil 'semi-professioneel’ zou kunnen noemen. Acht komen er uit Phnom Penh. Het zijn in wezen bedrijfsteams: het vliegveld heeft een ploeg, de politieacademie doet mee, en dergelijke. Relatief goed betaald worden de spelers van de Royal Guards, die worden gerecruteerd uit de lijfwacht van prins Ranarriddh, een van de twee premiers van Cambodja, die nu door Hun Sen is verdreven. Net als zijn vader koning Norodom Sihanouk, die vroeger drukker was met het regisseren van speelfilms en het spelen op de saxofoon en met Franse maîtresses dan met het besturen van zijn land, had ook Ranarriddh naast zijn premierschap zo zijn hobby’s. Hij golfde veel, gaf hoogstpersoonlijk leiding aan een school waar leerlingen studeren èn sporten, en hij sponsorde zijn voetbalteam.
De spelers van Ranarriddh verdienen honderd dollar per maand. Voetballers van andere clubs moeten genoegen nemen met twintig dollar, iets minder dan het gemiddelde maandinkomen van vijfentwintig à dertig dollar. De competitie heeft een sponsor, Marlboro, en die betaalt vijftig dollar per punt.
'KIJK, DAT IS een van de redenen dat ik toch wel optimistisch ben over de toekomst van het voetbal hier’, zegt Fickert. 'Dit land wordt, als de politici ophouden elkaar de hersens in te slaan, een van de nieuwe economische machten in de regio. Sponsors zat dus. Oké, ik had ook liever een andere geldschieter gehad dan een sigarettenfabrikant, maar we kunnen niet kieskeurig zijn. We kunnen nu met de nationale ploeg af en toe in het buitenland spelen en hier in Cambodja jeugdtoernooien organiseren. Heel belangrijk. En we kunnen investeren in het opleiden van trainers.’
Dat laatste beschouwt Fickert als het meest bizarre en avontuurlijke deel van zijn werk in Cambodja. 'Laatst zat ik een paar dagen in Svay Rieng, een provincie in het oosten aan de grens met Vietnam. Geen ongevaarlijke reis trouwens, met al die overvallen door regeringssoldaten die nauwelijks soldij krijgen, of door gewone bandieten. Ik heb altijd twee mannetjes bij me met ieder een machinegeweer en een pistool. En heet dat het in de provincie was! Overdag was er af en toe elektriciteit. Dan kon je even bijkomen bij een ventilator. Maar ’s nachts! Ik stond vier keer op om een douche te pakken. In de vroege ochtenduren en laat in de middag gaf ik voetballes aan onderwijzers. Het belangrijkste wat ik ze probeer bij te brengen, is dat zestig procent van het vak psychologie is. Bespelen, motiveren, afremmen soms, daar gaat het om.’
PHNOM PENH, een warme namiddag een paar dagen later. In het Olympisch Stadion begint de nationale selectie van Joachim Fickert zijn voorbereiding op de WK-kwalificatie. Twee weken lang komen de spelers tweemaal daags bij elkaar: om zeven uur ’s ochtends en om vier uur ’s middags. Daarna volgt een aantal oefenwedstrijden in de Filippijnse hoofdstad Manilla. Drie weken voor de eerste kwalificatiewedstrijd (op 8 april tegen Indonesië in Jakarta) komt de selectie weer bijeen voor de dagelijkse twee trainingen. De spelers krijgen drie dollar per dag betaald. Als ze een baan hebben, mogen ze blijven doorwerken.
Het eerste deel van de training zit erop, partijtjes vier tegen vier in een kleine ruimte met de opdracht zo snel mogelijk over te spelen. Eén speler valt op: een lange slungel die overal op het veld te vinden is. Hem Samchay heet hij en Fickert zei al dat hij de grote man is in de Cambodjaanse ploeg. Het is zo'n speler die het liefst eerst de bal van zijn eigen lijn haalt, de opbouwende pass geeft en daarna ook nog scoort.
Terwijl zijn teamgenoten water drinken, geeft Samchay merkbaar verlegen via de gebrekkig Engels sprekende assistent van Fickert zijn eerste interview aan een buitenlandse journalist.
Hoe oud ben je?
'29 jaar.’
Bij welke club speel je?
'Bij de Politie Voetbalclub Phnom Penh.’
Hoe lang voetbal je al?
'Sinds 1984, sinds mijn zestiende.’
Waarom ben je zo laat begonnen met voetballen?
'Vóór die tijd was er oorlog en werd er niet gevoetbald. Ik kende ook niemand die een bal had.’
Op welke positie speel je het liefst?
'In het midden, daar waar de bal het meest is.’
Wat is je favoriete team?
'Duitsland. Van de trainer heb ik gehoord dat die collectief heel sterk zijn en altijd van een achterstand terugkomen.’
Ben je getrouwd?
'Ja. Ik heb een dochtertje.’
Werk je bij de politie?
'Nee, ben je gek. De politie heeft me voor hun team gevraagd. Ik heb geen vaste baan. Ik verkoop sigaretten op straat.’
Kun je daarvan leven?
'Eten kopen is soms een probleem. Gelukkig verdien ik als voetballer wat bij. Daarvan kunnen we de huur van ons huis betalen. Ik zou graag voetballer in Europa willen zijn. Gewoon alleen maar voetballen en geen andere zorgen.’
Ben je beroemd in Phnom Penh?
'Een beetje. Als ik over straat loop, herkennen mensen me soms wel. Maar als ik iets wil kopen en ik heb geen geld, krijg ik geen krediet.’
Denk je dat Cambodja zich kwalificeert voor het WK in Frankrijk?
'Ik hoop het, maar de kans is klein. We moeten eerst beter leren voetballen, leren om niet meer af te gaan.’
TIJDENS HET tweede deel van de training spaart bondscoach Fickert zijn selectie niet. Ze spelen zeven tegen zeven op één helft van het veld, met afronden op het grote doel. Het is verplicht de aanval te eindigen met een voorzet van de zijkant. In hoog tempo gaat het een minuut of twintig heen en weer. Fickert begeleidt elke aanval vocaal, in alle talen die hij zich tijdens zijn voetbalomzwervingen eigen heeft gemaakt. 'Keeper! Talk, organize!’, 'Genau, genau! Good ball!’, 'Bon centre, très bon centre!’
Het niveau valt niet tegen. Maar zogauw ze in de buurt van het doel komen, beginnen de spelers te verkrampen en struikelen ze vaker over de bal dan dat ze er iets goeds mee doen. Wat is er mis?
Fickert: 'Het zijn goede vechters. Ze zijn agressief, hebben techniek. Maar zie je wat er gebeurt als ze bij het doel komen? Dan gaan ze lopen met die bal. Of ze spelen breed. Kijk, wat ze allemaal missen, stuk voor stuk, is een individuele actie. Vind je het gek? Deze generatie en hun ouders hebben alle ellende overleefd door altijd te gehoorzamen, door niet op te vallen, door zich niet te onderscheiden. Onder de Rode Khmer kostte dat je kop en later, onder de communisten, moest je je ook vooral een nummer tonen. Mijn belangrijkste taak is persoonlijkheden kweken, binnen en buiten het veld.’
Even later komt een van Fickerts pupillen opnieuw in een kansrijke positie. 'Shoot, shoot. Tirez!’ En warempel, de bal vliegt in de bovenhoek. Fickert is zielsgelukkig. Op de achterlijn naast het doel maakt hij een dansje van plezier. 'Wedden dat hij nu blijft schieten?’