Britten bestrijden terreur met weinig succesvolle anti-IRA-tactieken…

Shoot to kill

In de strijd tegen het terrorisme gebruiken Britse veiligheidsdiensten dezelfde tactieken als destijds tegen de IRA. Dat leidde al tot één onschuldig slachtoffer. En bovendien: de terreurbestrijding in Noord-Ierland werd een mislukking.

Op 29 september 1991 werd Kevin McGovern, een negentienjarige landbouwstudent, van achteren doodgeschoten terwijl hij met een blik bier in zijn hand door het Noord-Ierse Cookstown slenterde. De schutter was een agent van de Royal Ulster Constabulary (RUC), de door Londen opgerichte Noord-Ierse politiemacht die inmiddels in het kader van het «vredesproces» ontbonden is.

Tijdens het moordproces dat volgde, claimde de RUC-leiding dat zijn mensen die dag in Cookstown op zoek waren naar een commando van de IRA en dat McGovern zich verdacht had gedragen. Volgens de schutter maakte de jongeman «een beweging alsof hij wilde schieten». De man kon niet verklaren waarom de dodelijke kogel in McGoverns rug zat en niet in zijn borst. Volgens andere agenten had McGovern «iets» in hun richting gegooid, hoewel forensisch onderzoek op de plaats van het incident niets had opgeleverd. Niettemin werd de schutter vrijgesproken omdat hij in de woorden van de rechter «oprecht meende uit zelfverdediging te handelen, hoewel zijn optreden niet redelijk was».

Het geval-McGovern vertoont meer dan oppervlakkige gelijkenis met dat van Jean Charles De Menezes, die op 22 juli door veiligheidsmensen in de Londense ondergrondse werd geëxecuteerd. Ook De Menezes gedroeg zich volgens de politie verdacht op een moment dat de veiligheidsdiensten op zoek waren naar terroristen. En ook in zijn geval waren de autoriteiten het er snel over eens dat de betrokken agenten niet redelijk optraden, maar wel oprecht meenden dat hij een terrorist was. De Menezes’ signalement kwam namelijk vaag overeen met dat van een gezochte jongeman. De agent die hem per video had moeten identificeren, stond echter op het beslissende ogenblik te plassen. Die «menselijke fout» was de jonge Braziliaanse elektricien fataal geworden, aldus de politieleiding.

Inmiddels is duidelijk geworden dat er weinig klopt van de eerste versie die de politie gaf van de toedracht in de De Menezes-zaak. Toch kostte het de doorgaans weinig terughoudende Britse media enige weken voordat zij onder ogen wilden zien dat De Menezes het slachtoffer was geworden van een shoot to kill-beleid. Zelfs het anders zo kritische kwaliteitsblad The Guardian wilde het pas geloven nadat de socialistische burgemeester van Londen, Ken Livingstone, had verklaard dat shoot to kill helaas «noodzakelijk» was gezien de voortdurende dreiging van nieuwe bomaanslagen. In een hoofdcommentaar vroeg de krant zich af waarom het grote publiek niet beter was voorbereid op deze politietactiek en de «wrange gevolgen» van mogelijke vergissingen. Het beleid zelf werd niet gekritiseerd, de Noord-Ierse episode bleef gemakshalve buiten beschouwing.

Toch is er alle reden om die episode op te halen. De Britse terreurbestrijding in Noord-Ierland is een volslagen mislukking geworden. Het shoot to kill-beleid was daaraan in hoge mate debet. Volgens officiële gegevens hebben Britse veiligheidsdiensten in de afgelopen dertig jaar in Noord-Ierland 357 mensen doodgeschoten. Slechts 150 van hen waren lid van Republikeinse terreurgroeperingen zoals de IRA, de Provisionals en diverse vertakkingen. De rest betrof ongewapende burgers die niet bij enige vorm van terrorisme betrokken waren. Geen wonder dat de Noord-Ierse katholieken dit beleid altijd hebben beschouwd als een vrijbrief voor moord door het Britse gezag en de daarachter schuilende protestantse minderheid.

En de officiële cijfers vertellen maar de helft van het verhaal. Op het hoogtepunt van de «vuile oorlog» in de jaren tachtig en de eerste helft van de jaren negentig bediende het Britse gezag in Noord-Ierland zich van nog veel wildere methoden. Het Britse leger en de RUC gaven dossiers van vermoedelijke katholieke terroristen door aan leden van protestantse terreurgroepen zoals de Ulster Defence Force en de Ulster Volunteer Force, die hen vervolgens doodschoten terwijl politie en leger de andere kant op keken. Deze tactiek leverde naar schatting meer dan honderd dodelijke slachtoffers op en dat waren beslist niet allemaal terroristen.

Dit «antiterreurbeleid» was in handen van (para)militaire eenheden die om de zoveel jaar van naam en samenstelling veranderden en achtereenvolgens bekendstonden als de 14de Inlichtingencompagnie, Det en de Force Reconnaissance Unit (FRU). Al naar gelang de situatie het vereiste werkten zij in Noord- Ierland samen met het Britse leger, de binnenlandse veiligheidsdienst MI5, de commando’s van de Special Air Service (SAS) en de anti terreurafdeling van Scotland Yard, de zogenaamde Special Branch die bij zijn oprichting in 1883 niet voor niets Special Irish Branch heette.

Gezamenlijk voerden deze eenheden hun eigen oorlog binnen de Noord-Ierse burger oorlog. Daarbij trachtten zij met illegale middelen de IRA aan te tasten en tegelijk hun eigen infiltranten in de IRA af te schermen. Dat leidde tot belangenconflicten en blunders, maar ook tot de dood van onschuldigen die hun voor de voeten liepen. Zoals de katholieke advocaat Pat Finucane, die met enige regelmaat pro deo IRA-verdachten verdedigde of vertegenwoordigde. Hij werd in 1989 in zijn huis in Belfast te midden van zijn familie doodgeschoten door een groep overvallers onder leiding van de protestant Brian Nelson, die tevens de belangrijkste contactpersoon was tussen de FRU en de protestantse doodseskaders. Hij had het dossier over zijn slachtoffer gekregen van de FRU met de boodschap dat deze man moest worden geëlimineerd. Ditmaal had de FRU echter buiten de waard van de publieke opinie gerekend.

De moord op Finucane gaf de aanzet tot een serie officiële onderzoeken waarbij uiteindelijk ook Nelson werd veroordeeld, zij het slechts tot tien jaar. Daarvan hoefde hij er maar zes uit te zitten. Vervolgens nam hij de wijk naar Florida, alwaar hij onder mysterieuze omstandigheden om het leven kwam. Dat laatste overkwam ook andere betrokkenen die te loslippig werden. Dankzij die loslippigheid tegenover serieuze media, zoals het gezaghebbende BBC-programma Panorama, het Insight-programma van Ulster TV en Schotse kranten als The Scotsman en de Sunday Herald, is de ware omvang van de «collusie» tussen het Britse gezag en protestantse doodseskaders de laatste jaren toch nog aan het licht gekomen.

In 2003, veertien jaar na de dood van Finucane, publiceerde de voornaamste officiële onderzoeker, politiecommissaris John Stevens, een rapport waarin hij die collusie verder uitdiept. Hij beschrijft daarin ook hoe vergaand zijn onderzoek door leger en politie werd gesaboteerd. In interviews zei Stevens dat de activiteiten van de FRU kennelijk op het hoogste politieke niveau bekend en goedgekeurd waren, dat wil zeggen door Margaret Thatcher en Tony Blair. Hij vroeg om verder onderzoek, dat moet uitwijzen hoe ver het bederf in leger- en politiekringen is doorgedrongen. Voor zover dat nog niet duidelijk wordt uit officiële stukken en gerechtelijke verklaringen blijkt het wel uit het feit dat Britse en Noord-Ierse politiemannen tegenwoordig openlijk in de media verklaren dat zij door collega’s met de dood worden bedreigd als zij de waarheid over de FRU naar buiten brengen.

Ziedaar de dubbele les van de Noord-Ierse episode, een les die van het grootste belang is nu de Britse regering de strijd aanbindt met islamitische terreurgroepen van eigen bodem. Het beleid om in Noord-Ierland «vuur met vuur te bestrijden» (zoals het in Whitehall werd genoemd) was in twee opzichten contraproductief. De IRA heeft er niet merkbaar onder geleden en juist nieuwe rekruten geworven omdat de officieel gesanctioneerde moorden kwaad bloed zetten onder katholieken. Tegelijkertijd zijn de Britse veiligheidsdiensten van binnenuit gaan rotten. Terwijl Whitehall pretendeerde schone handen te houden, kwam het initiatief ter plaatse in handen te liggen van beroepsmoordenaars, dubbelagenten, psychopaten en afpersers, die nu nog steeds bezig zijn hun sporen uit te wissen en loslippige collega’s op te jagen en te vermoorden in alle uithoeken van de wereld.

Het is niet waar dat zij met hun «vuile oorlog» het huidige vredesproces mogelijk hebben gemaakt, zoals ze met misplaatste branie in interviews beweren. Door het vredesproces is het juist mogelijk geworden om mensen en praktijken als die van de FRU op een zijspoor te rangeren. Helaas betekende dat niet een roemloos einde voor de FRU. De huidige regering heeft na de recente bomaanslagen niet alleen het Noord-Ierse shoot to kill-beleid van toepassing verklaard op de Britse binnensteden, maar ook het bijbehorende personeel uit die tijd weer binnengehaald.

De antiterreurmaatregelen in de Britse hoofdstad worden momenteel «op de achtergrond» begeleid door een nieuwe inlichtingeneenheid, het Force Reconnaissance Regiment, die naar zeggen van de minister van Defensie is samengesteld uit leden van de 14th Intelligence, de voormalige FRU en de Special Air Service. Het is de vraag of die eenheid zich tot de achtergrond beperkt. Op beelden van het team dat De Menezes doodschoot staat ten minste één «politieman» met een Heckler & Koch-wapen, dat voorzover bekend alleen door de SAS en aanverwante gevechtseenheden wordt gebruikt.

Naarmate meer bekend wordt over de toedracht van het incident op 22 juli wordt ook duidelijk dat de vraag naar de ware aard en bedoelingen van De Menezes op dat moment voor het betrokken team geen rol speelde. Alles wijst erop dat deze mannen een voorbeeld wilden stellen zoals dat in Noord-Ierland vaak is gebeurd, en waarbij het niet uitmaakte of De Menezes een terrorist was of niet. Intimidatie van de tegenstander – daar ging het in Noord-Ierland om. Schoten in hoofd en gezicht hoorden daarbij. «Je gaat er hard in, met maximaal geweld», zei een voormalige FRU-man in een Panorama-uitzending: «En daarna verdwijn je uit beeld en je wist je sporen uit. Dat is een oude SAS-tactiek. Zo zet je de tegenstander onder hoogspanning en geef je hem het gevoel dat hij voortdurend in de gaten wordt gehouden.»